Rechtbank Midden-Nederland, 04-04-2017 / 16/994260-13(P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:2302

Inhoudsindicatie
De verdachte heeft samen met een ander in een notariële akte gegevens doen opnemen waarvan zij wisten dat die niet op waarheid berustten. Voorts heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het transporteren en voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. Bij het bepalen van de strafmaat is een ad-informandum gevoegd feit in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van hennep. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. In deze zaak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom, in aanmerking genomen de ouderdom van de bewezen verklaarde feiten, in combinatie met het aandeel van verdachte in de zaak, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun. De rechtbank wijkt daarom af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank weegt daar ook in mee dat zij, in tegenstelling tot de officier van justitie, tot vrijspraak is gekomen van het onder 3 ten laste gelegde feit. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis passend en geboden.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-04
Publicatiedatum
2017-05-10
Zaaknummer
16/994260-13(P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/994260-13(P)



Vonnis van de meervoudige strafkamer van 4 april 2017.


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1996] te [geboorteplaats] (Griekenland),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.



1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2016 en op 6 en

21 maart 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting van

6 maart 2017 laten bijstaan door mr. J.S.W. Boorsma, advocaat te Amsterdam.

De behandeling van de zaak is buiten aanwezigheid van verdachte en zijn advocaat gesloten op 21 maart 2017. Tijdens deze laatste behandeling heeft geen andere handeling dan sluiten van het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.




2Tenlastelegging


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


1.

op 28 augustus 2013 te Baarn en/of ’s-Gravenhage al dan niet samen met een ander of anderen een valse opgave heeft doen opnemen in een authentieke akte;


2.

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 oktober 2013 te Baarn en/of ‘s-Gravenhage en/of Wolvega samen met [verdachte] en/of [medeverdachte 1] B.V. een criminele organisatie heeft gevormd;


3.

zich in de periode van 24 mei 2012 tot en met 31 oktober 2013 al dan niet samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een personenauto en/of een geldbedrag van € 3.940,00.

3. Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.



4Waardering van het bewijs


4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1

Vrijspraak feit 3

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de in de tenlastelegging opgenomen goederen/voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.


4.3.2

Bewezenverklaring van de feiten 1 en 2

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.


Ten behoeve van de leesbaarheid zal de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden van feit 2 bespreken.


Ten aanzien van feit 2

Op 31 oktober 2013 treffen medewerkers van Transportbedrijf [transportbedrijf 1] , in een door [transportbedrijf 1] vervoerde lading, dozen met sigaretten aan. Een chauffeur van [transportbedrijf 1] heeft verklaard dat hij die ochtend bij een bedrijf te Wolvega (Friesland) een lading bestaande uit 48 kunststof kratten heeft opgehaald. De douane is gebeld en de douaneambtenaren hebben een aantal kratten onderzocht. In de onderzochte kratten treffen zij een grote hoeveelheid sloffen sigaretten aan. Op de verpakkingen van de sigaretten staan onder andere de merken Jim en Gold Mount vermeld. De verpakkingen zijn niet voorzien van Nederlandse accijnszegels.Een medewerker van Transportbedrijf [transportbedrijf 1] heeft verklaard dat hij telefonisch contact heeft gehad met de opdrachtgever genaamd [B] .


In totaal zijn in 48 kratten, 4.157.600 sigaretten aangetroffen die niet waren voorzien van de vereiste Nederlandse accijnszegels en dus niet in overeenstemming waren met de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken. Daarnaast is door de opsporingsambtenaar waargenomen dat in één van de kratten een GPS Tracker was geïnstalleerd.


Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] hem heeft benaderd om een bv op te richten. Het doel van de bv was om buiten het oog van de opsporingsinstanties te blijven. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verdachte hiervoor € 1000,00 euro contant per maand toegezegd en dit bedrag eenmaal betaald. Medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte zijn samen naar de notaris gegaan om de bv op te richten. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft aan verdachte alle kosten om de bv op te richten contant betaald. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn samen naar de Kamer van Koophandel geweest en medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verdachte alle informatie gegeven voor het inschrijven van de bv, zoals de naam van het bedrijf, de activiteiten van het bedrijf en het adres. Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] alles besliste en dat er sprake was van een fake-opzet. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er iets niet deugde. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] B.V. opgericht moest worden voor het huren van loodsen en op- en overslag van goederen.


Verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 2] een bankrekening heeft geopend. De bankrekening stond op naam van [medeverdachte 1] B.V. Verdachte stond vermeld als contactpersoon voor deze bankrekening en hij kreeg de TAN-code op zijn mobiele telefoon als er een betaling verricht moest worden. Als medeverdachte [medeverdachte 2] een betaling moest verrichten dan vertelde hij verdachte dat er een TAN-code zou komen. Als verdachte een sms’je kreeg met een TAN-code dan gaf hij de TAN-code aan medeverdachte [medeverdachte 2] . Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de TAN-codes van de rekening van [medeverdachte 1] B.V. ontving en dat hij deze gaf aan [A] .

[medeverdachte 1] B.V. is opgericht op 28 augustus 2013. Verdachte is sinds de oprichting van [medeverdachte 1] B.V. enig aandeelhouder en bestuurder. [medeverdachte 1] B.V. heeft als activiteit groothandel en import van haardhout en overige houtproducten.


Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij de transporten via [transportbedrijf 1] heeft geregeld en dat hij zich daarbij mogelijk [B] (de rechtbank begrijpt: [B]) heeft genoemd.

Op de CMR-vrachtbrief van 31 oktober 2013 in vak 6 tot en met 9 staat vermeld dat de lading bestaat uit 48 kratten met daarin onder andere sorteer delen en weegsystemen. Op de CMR-vrachtbrief staat als afzender vermeld, [bedrijf 1] , [adres] , [vestigingsplaats] en de geadresseerde is [bedrijf 2] , [adres] , [vestigingsplaats] . De CMR is ondertekend.


Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij in het bezit is van een loods gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Hij heeft verklaard dat hij de CMR-vrachtbrieven, gecodeerd als D-005 en D-006, nooit eerder heeft gezien. Hij heeft verklaard dat [B] de naam [bedrijf 1] heeft misbruikt. De getuige heeft verklaard dat [bedrijf 1] zijn oude bedrijf is dat failliet is.


Op de laptop van medeverdachte [medeverdachte 2] is een bestand aangetroffen met de tekst, [vestigingsplaats] , [adres] . Dit bestand bevat back-up informatie van de IPhone van medeverdachte [medeverdachte 2] . Tevens zijn op de laptop van verdachte bestanden aangetroffen waarin te lezen is dat op de website van de Rijksoverheid onder andere is gezocht naar tarieven van btw en accijnzen. Tevens is gezocht naar het kopen van goedkope sigaretten. Tot slot is een e-mail van 24 oktober 2013, gericht aan [medeverdachte 2] @ziggo.nl, betreffende een offerte over de voordelen van een professioneel track & trace systeem.


Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [transportbedrijf 1] (de rechtbank begrijpt: [transportbedrijf 1]) twee transporten heeft gedaan. De eerste partij ging goed en is ook vanaf [vestigingsplaats] gekomen. Hij heeft verklaard dat hij het transport heeft geregeld voor de twee partijen die via [transportbedrijf 1] moesten worden overgebracht naar Engeland. Hij heeft verklaard dat hij zich daarbij mogelijk [B] (de rechtbank begrijpt: [B]) heeft genoemd. Hij heeft verklaard dat het eerste transport dat in Engeland was aangekomen, bestond uit ongeveer 20.000 sloffen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat vóór de twee transporten die [transportbedrijf 1] verzorgde, er nog twee transporten waren die door [transportbedrijf 2] waren getransporteerd. Hij heeft verklaard dat deze transporten door [transportbedrijf 2] eveneens onder de naam van [medeverdachte 1] BV zijn gegaan.

Hij heeft verklaard dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] ook betrokken waren bij de twee gelukte transporten.


Op de CRM-vrachtbrief van 2 oktober 2013, met nummer 559423 (bijlage D-055), is in vak 6 tot en met 9 onder andere te lezen, landbouw onderdelen, meet, sorteer systeem, 72 kratten. De afzender is [bedrijf 1] [adres] , [vestigingsplaats] en de geadresseerde is [bedrijf 3] in [vestigingsplaats] .


Op de CRM-vrachtbrief van 9 oktober 2013, met nummer 559426 (bijlage D-059), is in vak 6 tot en met 9 onder andere te lezen, landbouw meet en weeg apparatuur, sorteer motor.

De afzender is [bedrijf 1] [adres] , [vestigingsplaats] (de rechtbank begrijpt: [vestigingsplaats]) en de geadresseerde is [bedrijf 4] te [vestigingsplaats] .


Op de CRM-vrachtbrief van 16 oktober 2013, met nummer 559429 (bijlage D-063), is in vak 6 tot en met 9 onder andere te lezen, sorteerbaan in delen, 69 kratten totaal.

De afzender is [bedrijf 1] [adres] , [vestigingsplaats] (de rechtbank begrijpt: [vestigingsplaats]) en de geadresseerde is [bedrijf 2] Ltd te [vestigingsplaats] (UK).


Op de CRM-vrachtbrief van 29 oktober 2013, nummer 559428 (bijlage D-005), is in vak 6 tot en met 9 onder andere te lezen, 18x sorteer band + motor en 10x weeg. De afzender is [bedrijf 1] bv, [adres] , [vestigingsplaats] (de rechtbank begrijpt: [vestigingsplaats]).

De geadresseerde is [bedrijf 2] Hd, [adres] [vestigingsplaats] .


Bewijsoverweging

De verdediging heeft aangevoerd dat de betrokkenheid van verdachte onvoldoende bestendig en duurzaam was om te kunnen spreken van lidmaatschap van de criminele organisatie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.


Om te kunnen spreken van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één ander persoon.

Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken. Het is voorts evenmin vereist dat de verdachte precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht. De verdachte dient in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.


Medeverdachte [medeverdachte 2] is, naar zijn zeggen, door een derde benaderd, met de vraag of hij iemand kende die een rechtspersoon kon oprichten. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft vervolgens verdachte [verdachte] benaderd om de rechtspersoon, [medeverdachte 1] B.V., op te richten. Uit de verklaringen van zowel verdachte [verdachte] als medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat zij beiden wisten dat de rechtspersoon opgericht moest worden om bepaalde activiteiten buiten het oog van opsporingsinstanties te houden.






Medeverdachte [medeverdachte 2] verrichtte betalingen namens [medeverdachte 1] B.V. door middel van TAN-codes die hij ontving van verdachte. Nu verdachte [verdachte] wist dat [medeverdachte 1] B.V. was opgericht voor illegale praktijken moest verdachte hebben geweten dat de facturen, die medeverdachte betaalde namens [medeverdachte 1] B.V., geen betrekking hadden op legale transporten. Daarnaast is er naar het oordeel van de rechtbank geen enkele indicatie dat er op dat moment ook sprake was van enige legale handel.


Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gelet op hetgeen uit bovenstaande bewijsmiddelen naar voren komt, een wezenlijke bijdrage geleverd aan de criminele organisatie. Het bewijs van het opzet, zowel op de deelname aan de organisatie, als op het oogmerk van deze organisatie, volgt uit de voornoemde bewijsmiddelen en hetgeen over de rol van verdachte is overwogen.


Uit het dossier blijkt dat er meer transporten van sigaretten hebben plaatsgevonden, waardoor er in de onderhavige zaak geen sprake was van een eenmalige samenwerking.

De transporten hebben plaatsgevonden in een periode van twee maanden waarbij er, gelet op de rol van verdachte in combinatie met de rol van de medeverdachten, sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en medeverdachten.


Gelet op de duurzaamheid en de bestendigheid van de samenwerking met medeverdachten, hun gezamenlijke oogmerk en de bijdrage van verdachte daaraan, acht de rechtbank verdachte deelnemer aan een criminele organisatie die het oogmerk had het plegen van strafbare feiten, namelijk het transporteren en voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten.


De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde.


Ten aanzien van feit 1

Aangezien de verdachte het tenlastegelegde onder 1 heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van deze feiten, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen onder feit 1.


- De bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2017;

- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] zoals afgelegd bij de Fiod op 15 februari 2017;

- Een uittreksel Handelsregister Kamer van koophandel d.d. 30 augustus 2013, waaruit onder andere blijkt dat [medeverdachte 1] BV is opgericht op 28 augustus 2013;

- Een volstortingsverklaring.


Bewijsoverweging

De verdediging heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het onder feit 2 tenlastegelegde in vereniging met een ander is begaan. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014: 3474, NJ 2015/390 en

24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Hierbij kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.


Uit het dossier volgt dat medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard benaderd te zijn door een derde, met de vraag of hij iemand kende die een rechtspersoon kon oprichten. Hij heeft vervolgens verdachte [verdachte] benaderd om de rechtspersoon, [medeverdachte 1] B.V. op te richten. Uit de verklaringen van zowel verdachte [verdachte] als medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat zij beiden wisten dat de rechtspersoon opgericht moest worden om bepaalde activiteiten buiten het oog van opsporingsinstanties te houden. Medeverdachte [medeverdachte 2] beloofde verdachte [verdachte] voor het oprichten en in stand houden van de bv een bedrag van € 1.000,00 per maand. Dit bedrag heeft verdachte [verdachte] eenmaal ontvangen van medeverdachte [medeverdachte 2] . Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn samen naar de notaris zijn gegaan om de rechtspersoon op te richten. Ook zijn zij samen naar de Kamer van Koophandel zijn geweest om de rechtspersoon in te schrijven. Medeverdachte [medeverdachte 2] voorzag verdachte [verdachte] van de nodige informatie voor het inschrijven, zoals de naam van het bedrijf, de activiteiten en het adres. Het telefoonnummer bij de Kamer van Koophandel was het mobiele nummer van verdachte [verdachte] . Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] wisten dat de activiteiten van de rechtspersoon niet zouden bestaan uit de activiteiten zoals opgenomen in de notariële akte en het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Verder is er geen enkele indicatie dat er sprake zou zijn van enige legale handel. De rechtspersoon is enkel en alleen opgericht om criminele activiteiten te verrichten.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit voornoemde feiten en omstandigheden dat er tussen verdachte en medeverdachte sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de rol van verdachte hierbij van voldoende gewicht was om van medeplegen te spreken.


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde.













5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte



1.


op 28 augustus 2013, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, in een notariële akte van oprichting, zijnde een authentieke akte, op 28 augustus 2013 te 's Gravenhage verleden door een notaris te standplaats 's Gravenhage, - zakelijk omschreven - (opzettelijk) een valse opgave heeft doen opnemen, immers dat het doel van de vennootschap bestond uit de exploitatie van een handelsonderneming met name (doch niet

uitsluitend) op het gebied van haardhout en overige houtproducten, terwijl

verdachte en zijn mededader wisten dat deze vennootschap bedoeld was

voor schijnhandelingen, althans dat de vennootschap feitelijk een ander doel voor ogen had,


zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid;


2.


in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2013, te Baarn en/of te 's Gravenhage en/of te Wolvega (gemeente Weststellingwerf), althans in Nederland,


heeft deelgenomen aan een organisatie, die onder andere werd gevormd door hem,

verdachte, en door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] B.V. en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:


- het voorhanden hebben van (een) accijnsgoed(eren) dat/die niet

overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing is/zijn

betrokken.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.



6De strafbaarheid van het feit


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als


Ten aanzien van feit 1

Medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid.


Ten aanzien van feit 2

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.


Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.


7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.



8Motivering van de straffen en maatregelen


8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.


8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat het volgende aangevoerd. Verdachte heeft geen strafblad. Daarnaast zou verdachte een geringe rol hebben gehad. De verdediging heeft erop gewezen dat in vergelijkbare zaken voor katvangers alleen een taakstraf dan wel een voorwaardelijke straf wordt opgelegd. Tot slot heeft de verdediging gewezen op het tijdsverloop.


8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft samen met een ander in een notariële akte gegevens doen opnemen waarvan zij wisten dat die niet op waarheid berustten. Hierdoor hebben zij het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften, zoals een notariële akte, moeten kunnen stellen, geschaad.

Door hun handelwijze hebben de verdachten de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast en hebben zij de mogelijkheid geaccepteerd dat andere deelnemers aan het financieel en economisch verkeer schade zouden kunnen leiden.


Voorts heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het transporteren en voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. De rol van verdachte hierbij is vooral ondersteunend geweest, onder meer door de Bv op te richten en de TAN-codes door te geven voor het doen van betalingen voor de organisatie.


Het volgende feit is ad-informandum gevoegd en is bij de bepaling van de strafmaat in aanmerking genomen:


1. 994261-13: 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2013, Baarn, Gem. Baarn, Aanwezig hebben van hennep (> 30 gram).

Verdachte heeft tegenover de politie en ter terechtzitting bevestigd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van dit feit.


Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte houdt de rechtbank rekening met het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 21 februari 2017. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een soortgelijk feit.


De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. Immers, tussen de datum van de doorzoeking op 31 oktober 2013 – zijnde het moment dat verdachte bekend werd met het feit dat tegen hem een strafrechtrechtelijk onderzoek liep – en de datum van het eindvonnis van heden zit ruim drie jaar en vijf maanden. De rechtbank acht daarom, in aanmerking genomen de ouderdom van de bewezen verklaarde feiten, in combinatie met het aandeel van verdachte in de zaak, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun.


De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank weegt daar ook in mee dat zij, in tegenstelling tot de officier van justitie, tot vrijspraak is gekomen van het onder 3 ten laste gelegde feit.


Gelet op alle voornoemde omstandigheden acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis passend en geboden.



9Het beslag


9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd tot verbeurdverklaring van het voorwerp onder 1 genoemd op de beslaglijst. De officier heeft geen vordering ingediend met betrekking tot het voorwerp genoemd onder 2.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de op de beslaglijst aangeduide voorwerpen onder verdachte in beslag zijn genomen.


De rechtbank zal de teruggave gelasten van het onder 1 op de beslaglijst genoemde voorwerp aan verdachte nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde. Het onder 2 genoemde voorwerp zal eveneens worden teruggegeven aan verdachte nu niet gebleken is de ordnermap vatbaar is voor verbeurdverklaring en deze aan verdachte toebehoort.





10Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 140 en 227 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing


De rechtbank:


Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.


Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.


Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.


Het bewezen verklaarde levert op:


Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid.


Ten aanzien van feit 2:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.


Verklaart het bewezene strafbaar.


Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.


Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 150 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.


Beslag


Gelast de teruggave aan verdachte van:


- 1 STK Rekening, ING BANK, ING Bank reknr [rekeningnummer] , waarde 455,49


- 1.00 STK Ordner


Dit vonnis is gewezen door

mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter,

mrs. P.K. van Riemsdijk en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.S. Benschop, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 april 2017.


Mrs. P.K. van Riemsdijk en J.M.L. van Mulbregt zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.


BIJLAGE : De tenlastelegging


1.


hij, op of omstreeks 28 augustus 2013, te Baarn en/of te 's Gravenhage,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,


in een notariële akte van oprichting, zijnde een authentieke akte, op

28 augustus 2013 te 's Gravenhage verleden door notaris [notaris] ,

notaris te standplaats 's Gravenhage, - zakelijk omschreven - (opzettelijk)

een valse opgave heeft doen opnemen, immers dat [verdachte] bestuurder

en/of oprichter en/of enig aandeelhouder was van [medeverdachte 1] B.V., terwijl

dit in werkelijkheid [medeverdachte 2] was, en/of dat de vennootschap na oprichting

zou worden gebruikt voor deelname aan het economisch verkeer, terwijl

[medeverdachte 1] B.V. feitelijk was opgericht om handelingen buiten het zicht van

de opsporing uit te kunnen voeren, en/of dat het doel van de vennootschap

bestond uit de exploitatie van een handelsonderneming met name (doch niet

uitsluitend) op het gebied van haardhout en overige houtproducten, terwijl

verdachte (en zijn mededader(s)) wist(en) dat deze vennootschap bedoeld was

voor schijnhandelingen en niet daadwerkelijk aan het economisch verkeer deel

zou gaan nemen, althans dat de vennootschap feitelijk een ander doel voor ogen

had,


zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de

waarheid;


art 227 lid 1 Wetboek van Strafrecht


2.



hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met

31 oktober 2013, te Baarn en/of te 's Gravenhage en/of te Wolvega

(gemeente Weststellingwerf), althans in Nederland,


heeft deelgenomen aan een organisatie, die onder andere werd gevormd door hem,

verdachte, en/of door [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] B.V. en/of één of meer

anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te

weten:


- het voorhanden hebben van (een) accijnsgoed(eren) dat/die niet

overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing is/zijn

betrokken, en/of

- het valselijk opmaken of vervalsen van geschriften (CMR vrachtbrieven en/of

een notariële akte), en/of

- het witwassen van contant(e) geld(en) en/of een auto, en/of

- het telen en/of aanwezig van hennep/henneptoppen/hennepplanten;


art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht


3.


hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 mei 2012 tot

en met 31 oktober 2013, te Baarn en/of in de gemeente Utrecht, althans in

Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,


van onderstaand(e) voorwerp(en) (telkens) de werkelijke aard en/of de

herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verhuld en/of verborgen wie de

rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) is/zijn en/of dat /die voorwerp(en)

voorhanden had(den), en/of


onderstaand(e) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruikt

heeft gemaakt, te weten:


- een personenauto, merk Audi, type A5 Cabrio, kenteken [kenteken] , en/of

- een geldbedrag van (totaal) 3940,00 euro (aangetroffen tijdens de

doorzoeking in de woning aan de [adres] te [woonplaats] ),


terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.


art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 53333 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2 Het proces-verbaal van aanvang, d.d. 7 november 2013, AH-001, p. 220.
3 Het proces-verbaal van aanvang, AH-001, p. 221
4 Het proces-verbaal monsteropname en onderzoek naar echtheid, d.d. 28 november 2013, p. 446
5 Het proces-verbaal van bevinding, d.d. 6 november 2013, AH-006, p. 245.
6 Het proces-verbaal verhoor van verdachte [verdachte] , d.d. 2 november 2013, p. 144.
7 Het proces-verbaal verhoor van verdachte [verdachte] , d.d. 3 november 2013, p. 149.
8 Het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] , d.d. 15 februari 2017, p. 3, documentcode V06-04 van het onderzoek 57513/Loods/6057513
9 Het proces-verbaal verhoor van verdachte [verdachte] , d.d. 2 november 2013, p. 144.
10 Het proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] , d.d. 15 februari 2017, p. 3, documentcode V06-04 van het onderzoek 57513/Loods/6057513.
11 Een geschrift, te weten een uittreksel Handelsregister van de Kamer van Koophandel, d.d. 30 augustus 2013, D-049a, p. 799.
12 Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 3] , d.d. 23 februari 2017, op. 3, documentcode V05-12 van het onderzoek 57513/Loods/6057513.
13 Een geschrift, te weten een CMR, nummer 559443, d.d. 31 oktober 2013, D-006, p. 631.
14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , dd.. 15 november 2013, p. 205.
15 Het proces-verbaal van ambtshandeling, met bijlagen, d.d. 16 december 2016, AH-035, p. 463.
16 Het proces-verbaal van ambtshandeling, met bijlagen, d.d. 16 december 2016, AH-035, p. 464 en 465.
17 Een geschrift, D-041, p. 772 en 777.
18 Een geschrift, D-043, p. 782.
19 Een geschrift, te weten een e-mail, d.d. 24 oktober 2013, D-052, p. 805.
20 Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 3] , d.d. 23 februari 2017, op. 3, documentcode V05-12 van het onderzoek 57513/Loods/6057513.
21 Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 3] , d.d. 23 februari 2017, op. 2, documentcode V05-12 van het onderzoek 57513/Loods/6057513.
22 Een geschrift, te weten een CMR-vrachtbrief, nummer 559423, d.d. 2 oktober 2013, p. 813.
23 Een geschrift, te weten een CMR-vrachtbrief, nummer 559426, d.d. 9 oktober 2013, p. 817.
24 Een geschrift, te weten een CMR-vrachtbrief, nummer 559429, d.d. 9 oktober 2013, p. 821.
25 Een geschrift, te weten een CMR-vrachtbrief, nummer 559428, d.d. 29 oktober 2013, p. 629.
26 De verklaring van verdachte, zoals afgelegde ter terechtzitting van 6 maart 2017.
27 Het proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] , d.d. 15 februari 2017, p. 3, documentcode V06-04 van het onderzoek 57513/Loods/6057513.
28 Een geschrift te weten een uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel, d.d. 30 augustus 2013, p. 799.
29 Een geschift te weten een volstortingsverklaring, p. 803