Rechtbank Midden-Nederland, 29-05-2017 / C/16/423860 / FA RK 16-6167


ECLI:NL:RBMNE:2017:2539

Inhoudsindicatie
Samengesteld gezin. Berekening van de behoeftes van de kinderen in de verschillende gezinnen. Verdeling van de draagkracht naar rato. Maatstaf voor toetsing inkomen ondernemer. Overweging dat exacte benadering kinderalimentatie niet mogelijk is.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-29
Publicatiedatum
2017-06-06
Zaaknummer
C/16/423860 / FA RK 16-6167
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JPF 2017/150
Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht


locatie Utrecht


zaaknummer / rekestnummer: C/16/423860 / FA RK 16-6167


Wijziging kinderalimentatie


Beschikking van 29 mei 2017


in de zaak van


[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.M. Strengers,


tegen


[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.M.B. Leerkotte.



1Verloop van de procedure


1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • - het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen ter griffie op 20 september 2016;
  • - het verweerschrift van de zijde van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken;
  • - het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man;
  • - de correspondentie, waaronder met name:

o het F-formulier (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 6 januari 2017;

o de brief (met bijlagen) van de zijde van de vrouw, gedateerd 24 februari 2017;

o de brief (met bijlagen) van de zijde van de vrouw, gedateerd 20 maart 2017;

o de brief (met bijlagen) van de zijde van de vrouw, gedateerd 20 maart 2017;

o het F-formulier (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 20 maart 2017.


1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 30 maart 2017. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.


1.3.

Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld nog nader overleg te voeren. Bij F-formulieren van 13 respectievelijk 14 april 2017 hebben partijen de rechtbank bericht dat dit nadere overleg niet tot overeenstemming heeft geleid.


2Vaststaande feiten


2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van [2014] . Deze beschikking is op [2014] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.


2.2.

Voorafgaand aan het – inmiddels ontbonden – huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

  • - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [2004] ;
  • - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [2006] ;
  • - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [2010] .

2.3.

De man heeft de kinderen erkend. [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] staan op het adres van de vrouw ingeschreven en [voornaam van minderjarige 1] staat op het adres van de man ingeschreven.


2.4.

In het ouderschapsplan zijn partijen een zorgregeling overeengekomen, waarbij [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] (gelijktijdig) bij de man verblijven, gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdagochtend tot maandagochtend, alsmede van woensdag tot donderdagochtend aanvang schooltijd. Dit komt erop neer dat de kinderen 10 van 28 nachten bij de man zijn. Ten slotte komen de kinderen, in de weken dat zij niet gedurende het weekend bij de man zijn, op maandag bij hem eten.


2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2014 is – conform de door partijen gemaakte afspraken in het ouderschapsplan – bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2015 met een bedrag van € 50,-- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] . Op grond van de wettelijke indexering is dit bedrag per 1 januari 2016 € 50,65 per kind per maand en per 1 januari 2017 € 51,71 per kind per maand.


2.6.

De vrouw is op [2015] gehuwd met de heer [A] .


2.7.

Voorafgaand aan dit huwelijk is het volgende minderjarig kind geboren:

- [minderjarige 4], geboren te [geboorteplaats] op [2015] .


2.8.

De heer [A] heeft de minderjarige [voornaam van minderjarige 4] erkend.


2.9.

Staande het huwelijk van de vrouw en de heer [A] is het volgende minderjarig kind geboren:

- [minderjarige 5], geboren te [geboorteplaats] op [2016] .


2.10.

Ten slotte is nog van belang dat de heer [A] twee kinderen heeft uit zijn eerdere huwelijk met mevrouw [B] , te weten:

  • - [minderjarige 6] , geboren te [geboorteplaats] op [2008] ;
  • - [minderjarige 7] , geboren te [geboorteplaats] op [2011] .
2.11.

[voornaam van minderjarige 6] en [voornaam van minderjarige 7] verblijven het merendeel van de tijd bij hun moeder (mevrouw [B] ).


3Beoordeling van het verzochte


3.1.

De vrouw verzoekt de beschikking van deze rechtbank van 3 december 2014 te wijzigen alsmede het tussen partijen gesloten ouderschapsplan, wat betreft de daarin vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] , in die zin dat de bijdrage met ingang van 10 februari 2016, althans met ingang van de datum van dagtekening van het onderhavige verzoekschrift, althans met ingang van een datum als de rechtbank juist acht, nader wordt bepaald op € 336,-- per kind per maand, althans een zodanig hoger bedrag dan € 50,-- per kind per maand als de rechtbank juist acht. Zij stelt daartoe dat de bijdrage door een wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.


3.2.

De man voert hiertegen verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt hij te bepalen dat de vrouw dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [voornaam van minderjarige 1] met een bedrag van € 194,-- per maand, met ingang van 10 februari 2016, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Verder verzoekt hij het ouderschapsplan en de beschikking van deze rechtbank van 3 december 2014 te wijzigen, wat betreft de door hem te betalen bijdrage voor [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] , in die zin dat die per 1 december 2016, althans per een datum als de rechtbank juist acht, nader wordt bepaald op nihil.


Algemene overwegingen ten aanzien van de kinderalimentatie

3.3.

Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van partijen, hecht zij eraan, mede in het belang van de kinderen van partijen, het volgende op te merken. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat er op financieel gebied sprake is van een groot wantrouwen tussen partijen. Dit vertaalt zich in discussies tot op detailniveau tussen partijen over elkaars financiële situatie, de wijze waarop de man en de heer [A] hun ondernemingen uitoefenen, en over de vraag wie exact welke kosten voor de kinderen heeft betaald. De rechtbank wijst partijen er in dat kader op dat bij de berekening van de kinderalimentatie niet op een dergelijk detailniveau kan worden gerekend. Zo worden bij de berekening van de behoefte en de draagkracht diverse forfaitaire bedragen gehanteerd. Het is dan ook inherent aan de berekening van kinderalimentatie dat deze nooit exact overeen zal komen met de werkelijke situatie van partijen, maar dat slechts kan worden gekomen tot een benadering hiervan. Zeker in het geval als het onderhavige, waarin sprake is van meerdere onderhoudsgerechtigden en onderhoudsplichtigen, is een dergelijke exacte benadering onmogelijk. Een dergelijke benadering is bovendien ook niet wenselijk, omdat dan bij iedere kleine wijziging tot een herberekening zou moeten worden overgegaan. De vastgestelde kinderalimentatie dient juist een bepaalde bestendigheid te kennen om te voorkomen dat partijen steeds opnieuw in discussies (en wellicht zelfs procedures) belanden over de hoogte van de kinderalimentatie. Slechts die wijzigingen die een significant effect hebben op de behoefte of draagkracht, vormen aanleiding om de alimentatie opnieuw vast te (laten) stellen. Partijen dienen zich van het voorgaande rekenschap te geven bij eventuele discussies tussen hen in de toekomst. De belangen van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] (en de overige kinderen) zijn er immers bij gediend dat de (financiële) strijd tussen partijen zich tot een minimum beperkt, aangezien iedere discussie en procedure tussen hen spanningen mee zal brengen, die (hoe zeer partijen dit ook trachten te voorkomen) hun weerslag zullen hebben op de kinderen.


Wijziging van omstandigheden (ontvankelijkheid)

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Zij verschillen echter van mening over de vraag of de gewijzigde omstandigheden moeten leiden tot een verhoging of verlaging van de geldende alimentatie. De rechtbank zal hierna de behoefte en de draagkracht opnieuw beoordelen om te bezien in hoeverre sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een aanpassing van de geldende alimentatie rechtvaardigt.


Ingangsdatum

3.5.

Om procestechnische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de kinderalimentatie bespreken.


3.6.

De vrouw stelt dat een eventuele verhoging van de kinderalimentatie in zou moeten gaan per 10 februari 2016. Daartoe voert zij aan dat zij de man op die datum heeft bericht dat de kinderalimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven zou voldoen, zodat de man vanaf die datum redelijkerwijs rekening had kunnen houden met een wijziging van de onderhoudsbijdrage.


3.7.

De man voert daartegen verweer en stelt dat een eventuele verhoging niet eerder zou kunnen ingaan dan de datum van indiening van het verzoekschrift door de vrouw. Bovendien gaat hij ervan uit dat de bijdrage eerder naar beneden dient te worden vastgesteld. Deze verlaging zou volgens de man dan per 1 december 2016 dienen plaats te vinden. Verder stelt hij dat de vrouw kan worden geacht vanaf 10 februari 2016 bij te dragen in de kosten voor [voornaam van minderjarige 1] .


3.8.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de rechter weliswaar bevoegd om de ingangsdatum voor een wijziging van de alimentatie te bepalen op een datum die is gelegen voor de datum van de uitspraak, maar dient de rechter van deze bevoegdheid behoedzaam gebruik te maken (HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:

2016:365). Een wijziging met terugwerkende kracht kan immers tot gevolg hebben dat één van partijen zich ineens geconfronteerd ziet met een achterstand in de betaling, dan wel een verplichting tot terugbetaling. In de lagere rechtspraak wordt dan vaak aangesloten bij de datum van indiening van het verzoekschrift (of een andere mededeling van de verzoekende partij), vanuit de gedachte dat vanaf dat moment de andere partij bedacht had kunnen zijn op een wijziging en een daaruit voortvloeiende (terug)betalingsverplichting en daar maatregelen voor had kunnen nemen. In het onderhavige geval gaat naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke redenering niet op. De onderhavige situatie, waarin sprake is van maar liefst vier onderhoudsplichtigen en zeven onderhoudsgerechtigden (zoals hierna te melden), er grote discussie bestaat over ieders draagkracht en over de behoefte van de verschillende kinderen, is dermate complex dat voor ieder van partijen moeilijk is in te schatten tot welk (hoger dan wel lager) bedrag aan kinderalimentatie de rechtbank uiteindelijk zal komen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat (de advocaten van) partijen ter zitting ook hebben verklaard geen concessies te kunnen doen op deelgeschillen, omdat voor hen niet te overzien is welk effect dat uiteindelijk op de kinderalimentatie zal hebben. Gezien de complexiteit van de onderhavige zaak en gelet op het feit dat behoedzaam gebruik moet worden gemaakt van de bevoegdheid de kinderalimentatie met terugwerkende kracht te wijzigen, zal de rechtbank dan ook bepalen dat een wijziging in dient te gaan per datum van deze beschikking.


Samengestelde gezinnen

3.9.

Bij de beoordeling of de door de man te betalen bijdrage nog aan de wettelijke maatstaven voldoet c.q. of de vrouw moet worden geacht een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige 1] , is van belang dat sprake is van een samengesteld gezin. Om die reden zal de rechtbank hierna eerst vaststellen wie van de betrokkenen onderhoudsplichtig zijn voor [voornaam van minderjarige 1] [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] , en of zij vervolgens nog andere kinderen hebben voor wie zij (samen met hun eventuele (ex-)partner) onderhoudsplichtig zijn.


3.10.

Naast de man en de vrouw, is ook de heer [A] onderhoudsplichtig ten aanzien van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] . De heer [A] is namelijk getrouwd met de vrouw en, naar het oordeel van de rechtbank, maken [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] deel uit van het gezin van de vrouw en de heer [A] , gelet op de hiervoor vermelde zorgregeling. De heer [A] is dan als stiefvader op grond van artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onderhoudsplichtig.


3.11.

De vrouw is verder niet alleen onderhoudsplichtig ten aanzien van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] , maar ook ten aanzien van de kinderen die zij met de heer [A] heeft, te weten [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5] , zulks op grond van artikel 1:392 BW. Haar draagkracht dient dan ook over deze kinderen te worden verdeeld. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat de vrouw niet onderhoudsplichtig is ten aanzien van de kinderen van de heer [A] uit een eerder huwelijk ( [voornaam van minderjarige 6] en [voornaam van minderjarige 7] ), aangezien zij geen deel uitmaken van het gezin van de vrouw en de heer [A] .


3.12.

De heer [A] is verder zowel onderhoudsplichtig voor zijn kinderen met de vrouw ( [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5] ) als voor zijn kinderen uit zijn eerdere huwelijk ( [voornaam van minderjarige 6] en [voornaam van minderjarige 7] ). Zijn draagkracht dient dan ook over deze kinderen te worden verdeeld. Daarbij is nog van belang dat de moeder van [voornaam van minderjarige 6] en [voornaam van minderjarige 7] (mevrouw [B] ) ook onderhoudsplichtig is voor hen.


Behoeftes van de verschillende kinderen

3.13.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit een eerste en een tweede relatie, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte (HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451, NJ 1992/178). Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:

2017:163).


3.14.

Gelet op voormelde jurisprudentie zal de rechtbank eerst de behoefte van de verschillende kinderen vaststellen en daarna de draagkracht van de diverse onderhoudsplichtigen beoordelen.


Behoefte van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3]

3.15.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de behoefte van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] .


3.16.

Naar de rechtbank begrijpt stelt de man primair dat aangesloten moet worden bij de behoefte, zoals die door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 31 mei 2016 is bepaald in de procedure tussen de heer [A] en mevrouw [B] . Uit deze beschikking (die door de vrouw als productie 10 is overgelegd) volgt een bedrag van € 356,-- per maand in 2015 voor de drie kinderen samen. De vrouw maakt hiertegen bezwaar, stellende dat het hof tot dit bedrag is gekomen bij gebrek aan gegevens van de man.


3.17.

De rechtbank is, in lijn met de stellingen van de vrouw, van oordeel dat niet kan worden aangesloten bij de behoefte als bepaald door het hof. Nu in de onderhavige procedure wel de gegevens van de man beschikbaar zijn, zal de rechtbank de behoefte van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] zelfstandig beoordelen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de Expertgroep Alimentatienormen aanbeveelt om voor de bepaling van de behoefte van kinderen te kijken naar de middelen die de ouders gebruikelijk voorafgaand aan het verbreken van hun samenleving ter beschikking stonden. Voor zover het latere inkomen van een van de ouders dit eerdere gezinsinkomen echter overstijgt, wordt aanbevolen om bij dit latere inkomen aan te sluiten.


3.18.

Vaststaat dat 2013 het laatste volledige jaar is geweest, waarin partijen hebben samengeleefd. De man heeft gesteld dat zijn inkomen in dat jaar € 10.749,-- bruto bedroeg en dat het inkomen van de vrouw € 12.038,-- bruto bedroeg. Ook werd in dat jaar een kindgebonden budget ontvangen van € 1.736,-- per jaar. De man stelt dat zijn huidige inkomen, dat door hem wordt gesteld op € 44.000,- bruto per jaar, voormelde gezamenlijke inkomsten overstijgt. Hij is dan ook van mening dat voor de bepaling van de behoefte van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] aangesloten moet worden bij zijn huidige inkomen. Hij stelt verder dat op zijn inkomen nog de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering in mindering moet worden gebracht en dat ook rekening moet worden gehouden met een pensioenvoorziening van € 250,-- bruto per maand.


3.19.

De vrouw maakt daartegen bezwaar. Zij stelt dat niet gekeken moet worden naar het inkomen dat partijen in 2013 verdienden, omdat dit geen representatief beeld geeft van de inkomsten die partijen tijdens het huwelijk hadden. Zij wijst erop dat de accountant van de man (in de door hem als productie 28 overgelegde verklaring) te kennen geeft dat de man vanaf 2009 tot 2013 een salaris ontving van € 42.000,- bruto per jaar. Weliswaar is in 2013 een lager salaris uitgekeerd, maar daar stond tegenover dat in dat jaar meer opnames in rekening-courant zijn gedaan en aanwezig spaargeld is aangewend. Feitelijk had de man dus ook in 2013 een bedrag van € 42.000,-- bruto te besteden. Zij acht het dan ook redelijk om qua inkomen van de man uit te gaan van € 42.000,-- bruto per jaar. Op dat inkomen kan dan het netto-equivalent van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 5.197,-- bruto per jaar in mindering worden gebracht. Volgens de vrouw dient vervolgens geen rekening te worden gehouden met de door de man genoemde afdracht voor een pensioenvoorziening, nu een dergelijke afdracht tijdens het huwelijk niet werd gedaan. Wat haar eigen inkomen betreft, stelt de vrouw eveneens dat het genoemde inkomen in 2013 niet representatief is voor het inkomen tijdens het huwelijk. In dat jaar ontving de vrouw namelijk een WW-uitkering, terwijl zij in de voorgaande jaren wel een inkomen uit loondienst ontving. Zij stelt dan ook dat gekeken moet worden naar het gemiddelde inkomen over 2011 tot en met 2013, wat neer zou komen op € 17.921,-- bruto per jaar. Volgens de vrouw moet de behoefte van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] dan ook worden bepaald aan de hand van voormelde inkomsten. Voor zover de rechtbank de vrouw echter zou volgen in haar (in het kader van de draagkracht ingenomen) stelling dat de man zich inmiddels een hoger inkomen kan uitkeren uit zijn onderneming en dit inkomen voormelde gezinsinkomsten ten tijde van het huwelijk zou overstijgen, dient volgens de vrouw uit te worden gegaan van dit huidige hogere inkomen.


3.20.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is weergegeven, beveelt de Expertgroep Alimentatienormen aan om in eerste instantie te kijken naar de middelen die de ouders gebruikelijk voorafgaand aan het verbreken van hun samenleving ter beschikking stonden. De term ‘gebruikelijk’ duidt erop dat bezien dient te worden of het inkomen ten tijde van het uiteengaan representatief was voor hetgeen partijen tijdens de samenleving gewend waren te kunnen besteden.

Wat het inkomen van de man betreft, overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde verklaring van de accountant volgt dat het inkomen van de man in 2013 niet in lijn was met het inkomen uit de daarvoor liggende jaren. Om die reden kan niet zomaar bij het inkomen in 2013 worden aangesloten. Bovendien heeft de man zelf ter zitting verklaard dat hij in 2013 heeft moeten interen op spaargelden en gelden heeft moeten lenen om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Hieruit leidt de rechtbank af, in lijn met stellingen van de vrouw, dat de man zijn inkomen heeft aangevuld tot het inkomen dat hij in de voorgaande jaren gewend was te ontvangen. Om die redenen acht de rechtbank het redelijk om aan de zijde van de man uit te gaan van een inkomen van € 42.000,-- bruto per jaar. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 5.179,-- bruto per jaar, alsmede met het fiscaal voordeel dat daarover werd behaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met een afdracht voor een pensioenvoorziening, nu tussen partijen niet in geschil dat een dergelijke afdracht niet plaatsvond ten tijde van het huwelijk. Rekening houdend met de relevante fiscale aspecten (waaronder de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW) komt dit neer op een inkomen van € 23.619,-- netto per jaar, zijnde (afgerond) € 1.968,-- netto per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte en gewaarmerkte berekening.

Wat het inkomen van de vrouw betreft, overweegt de rechtbank als volgt. De stelling van de vrouw dat haar inkomen in 2013 niet representatief was voor haar inkomen tijdens het huwelijk, vindt steun in de door haar overgelegde stukken. Daaruit volgt immers dat het inkomen van de vrouw in 2013 circa € 12.000,- bedroeg ten opzichte van een inkomen van circa € 21.000,-- per jaar in 2011 en 2012. De rechtbank acht het dan ook redelijk om, conform de stellingen van de vrouw, uit te gaan van een gemiddelde over deze drie jaren, zijnde € 17.921,-- bruto per jaar. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat zij dit inkomen zal aanmerken als een inkomen uit dienstbetrekking. Rekening houdend met de relevante fiscale aspecten (waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting) komt dit neer op een inkomen van € 16.467,-- netto per jaar, zijnde (afgerond) € 1.372,-- netto per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aan deze beschikking gehechte en gewaarmerkte berekening.

Bij voormelde inkomsten kwamen partijen niet in aanmerking voor een kindgebonden budget.

Het netto-gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk bedroeg dan ook (1.968 + 1.372 =) € 3.340,-- netto per maand. Zoals hierna bij de draagkracht aan de orde zal komen, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een hoger inkomen van de man dan de door hem gestelde € 44.000,-- bruto per jaar. Het huidige inkomen van de man overstijgt het netto-gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk dan ook niet. Dit brengt met zich dat de behoefte van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] dient te worden gerelateerd aan voormeld netto-gezinsinkomen van partijen. Uitgaande van dit inkomen, de tabellen kosten kinderen in 2013 en rekening houdend met acht punten voor de kinderbijslag, becijfert de rechtbank de behoefte van de kinderen in 2013 op een bedrag van € 957,-- per maand. Geïndexeerd naar 2017 is dat € 1.008,-- per maand, zijnde € 336,-- per kind per maand (afgerond).


Behoefte [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5]

3.21.

De vrouw stelt dat wat de behoefte van [voornaam van minderjarige 4] betreft, moet worden aangesloten bij hetgeen het Hof Arnhem-Leeuwarden daarover in zijn beschikking van 31 mei 2016 heeft overwogen, te weten een bedrag van € 462,-- per maand. Wat de behoefte van [voornaam van minderjarige 5] betreft, stelt de vrouw dat die behoefte moet worden bepaald aan de hand van het netto-gezinsinkomen van haarzelf en de heer [A] als genoemd in voormelde beschikking, zijnde € 4.272,-- netto per maand. Op dit inkomen moeten volgens de vrouw nog wel in mindering worden gebracht de kinderalimentatie die de heer [A] voor [voornaam van minderjarige 6] en [voornaam van minderjarige 7] moet voldoen, alsmede het aandeel van de heer [A] en de vrouw in de kosten van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] , [voornaam van minderjarige 3] en [voornaam van minderjarige 4] . Bij dit netto-gezinsinkomen dient volgens de vrouw nog de bijdrage te worden geteld die de man tot op heden voor [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] moest voldoen van € 150,-- per maand. Na deze correcties bedraagt volgens de vrouw het netto-gezinsinkomen nog € 3.671,-- per maand, waaruit dan een behoefte van [voornaam van minderjarige 5] van € 427,-- per maand (naar de rechtbank begrijpt: in 2016) zou volgen.


3.22.

De man maakt bezwaar tegen deze wijze van berekening van de behoefte. Hij stelt dat niet zonder meer kan worden aangesloten bij de behoefteberekening zoals door het hof is gemaakt.


3.23.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangesloten bij hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van de behoefte van [voornaam van minderjarige 4] . Ten tijde van de beschikking van het hof was [voornaam van minderjarige 5] immers nog niet geboren, zodat met zijn kosten geen rekening is gehouden bij de bepaling van de behoefte van [voornaam van minderjarige 4] . Bovendien is in de beschikking van het hof (bij gebrek aan gegevens van de man) van een veel lagere behoefte uitgegaan voor [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] dan waarvan de rechtbank nu uit zal gaan. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank niet alleen de behoefte van [voornaam van minderjarige 5] gaan becijferen, maar ook opnieuw de behoefte van [voornaam van minderjarige 4] berekenen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de behoefte van [voornaam van minderjarige 5] en [voornaam van minderjarige 4] te worden gerelateerd aan het netto-gezinsinkomen van de vrouw en de heer [A] . De rechtbank neemt daarbij (in lijn met de stellingen van de vrouw) het door het hof in 2016 berekende netto-gezinsinkomen van € 4.272,-- netto per maand als uitgangspunt, nu de man dat inkomen als zodanig niet heeft betwist. Anders dan de vrouw stelt, dienen naar het oordeel van de rechtbank op dit inkomen alleen correcties te worden toegepast ter zake van de daadwerkelijk betaalde en ontvangen kinderalimentatie. Deze betaalde en ontvangen kinderalimentatie zijn namelijk – anders dan de berekende ‘aandelen in de kosten van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] (en [voornaam van minderjarige 4] )’ – direct van invloed geweest op de middelen die de vrouw en de heer [A] daadwerkelijk voor de kinderen te besteden hadden. Met de omstandigheid dat de vrouw en de heer [A] van het resterende gezinsinkomen niet alleen kosten van [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5] maar ook kosten voor [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] moesten voldoen, zal de rechtbank op een andere manier rekening houden, namelijk door uit te gaan van de tabellen kosten van kinderen voor een gezin van vier of meer kinderen. De van de man ontvangen kinderalimentatie voor [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] bedroeg in 2016 (afgerond) € 152,-- per maand. De door de heer [A] te betalen kinderalimentatie voor [voornaam van minderjarige 7] en [voornaam van minderjarige 6] bedroeg in 2016 volgens de beschikking van het hof (afgerond) € 373,-- per maand. Dit betekent dat het netto-gezinsinkomen na correcties (4.272 + 152 -/- 373 =) € 4.051,-- per maand bedroeg. Uitgaande van de tabellen kosten kinderen in 2016 voor een gezin met vier of meer kinderen en twaalf punten voor de kinderbijslag, becijfert de rechtbank de behoefte van [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5] op (1.450 / 5 =) € 290,-- per kind per maand in 2016. Geïndexeerd naar 2017 is dat (afgerond) € 296,-- per kind per maand.


Behoefte van [voornaam van minderjarige 6] en [voornaam van minderjarige 7]

3.24.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [voornaam van minderjarige 6] en [voornaam van minderjarige 7] in 2015 € 600,-- per kind per maand bedroeg, conform de beschikking van het hof van 31 mei 2016. Geïndexeerd naar 2017 is dit € 621,-- per kind per maand.


Draagkracht van alle onderhoudsplichtigen

3.25.

Vervolgens zal de rechtbank de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen vaststellen, te weten de man, de vrouw, van de heer [A] en mevrouw [B] .


Draagkracht van de man

3.26.

Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover deze gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.


Inkomen van de man

3.27.

De man is directeur-grootaandeelhouder (100%) van [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: de [bedrijfsnaam 1] ). De [bedrijfsnaam 1] houdt op haar beurt de aandelen in de werkmaatschappijen [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. Partijen verschillen van mening over het inkomen dat de man uit deze ondernemingen kan genereren.


3.28.

De vrouw stelt dat de man onvoldoende inzage heeft gegeven in het inkomen dat hij uit zijn ondernemingen kan genereren. Zij wijst erop dat de man geen jaarstukken over 2016 in het geding heeft gebracht en dat ook een prognose voor de komende jaren ontbreekt. Uit de jaarcijfers die wel zijn overgelegd (de jaren 2013 tot en met 2015) volgt dat de omzet van de groep ondernemingen als geheel een stijgende lijn laat zien. Bij gebrek aan inzage in de cijfers over 2016 en daarna, gaat de vrouw ervan uit dat deze stijgende lijn zich heeft voortgezet. Volgens de vrouw zou de man dan ook in staat moeten worden geacht zich een hoger salaris uit te keren dan vermeld op de jaaropgaaf. Bij gebrek aan recente gegevens over het bedrijf stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man in staat moet worden geacht volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien.


3.29.

De man stelt daarentegen dat voor zijn draagkracht moet worden aangesloten bij het salaris dat hij als directeur-grootaandeelhouder ontvangt van € 44.000,-- bruto per jaar. Hij betwist dat hij zich een hoger inkomen zou kunnen toekennen. Hij wijst erop dat er sprake is van een sterk negatief eigen vermogen in de [bedrijfsnaam 1] , dat is ontstaan door negatieve resultaten in het verleden. In 2013 was volgens de man zelfs bijna sprake van een faillissement. Ter zitting verklaart de man dat hij destijds een faillissement heeft kunnen afwenden door onder meer bij de bank te bedingen dat hij tijdelijk niet hoefde af te lossen op zijn krediet. Nu er een lichte verbetering zichtbaar is in de onderneming, dringt de bank echter aan op hernieuwde aflossing. Er is aldus alsnog geen ruimte om een hoger inkomen uit te keren. De man wijst daarbij ook op de verklaring van zijn accountant (overgelegd als productie 28), waarin de accountant verklaart het niet verstandig te achten het salaris verder te verhogen en waarin deze hamert op aflossing van de schulden om het bedrijf weer ‘gezond’ te maken. Ten slotte verklaart de man dat hij nog geen jaarcijfers over 2016 heeft overgelegd, omdat deze stukken nog niet gereed zijn en hij nog rekeningen open heeft staan bij zijn accountant. Wel stelt de man vanwege de invoering van de facturen te weten dat het resultaat in 2016 lager zal uitvallen dan in 2015.


3.30.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beoordeling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige dient niet alleen gekeken te worden naar het inkomen dat diegene daadwerkelijk verdient, maar dient ook te worden bezien over welke middelen deze persoon redelijkerwijs kan beschikken. Deze beoordeling mag echter niet zo ver gaan dat de rechter daarbij als het ware ‘op de stoel van de ondernemer’ gaat zitten. Aan de alimentatieplichtige ondernemer dient een zekere ruimte te worden gelaten om naar eigen inzicht te bepalen hoe hij zijn bedrijf inricht en voert (conclusie AG bij HR 12 oktober 2007, LJN: BB4206). Niet alleen draagt de alimentatieplichtige de verantwoordelijkheid voor en de risico's van zijn onderneming, maar ook kan hij in beginsel geacht worden beter in staat te zijn te bepalen wat nodig en mogelijk is om tot meer inkomsten uit de onderneming te komen.

Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval aangesloten dient te worden bij het salaris dat de man volgens zijn jaaropgaaf 2016 (productie 42 van de zijde van de man) ontvangt, te weten € 44.000,-- bruto per jaar. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de jaarcijfers over 2013 tot en met 2015 volgt dat in 2015 nog sprake was van een negatief eigen vermogen van circa € 385.000,--. Uit de door de man overgelegde verklaring van zijn accountant volgt dat zijn accountant de man dringend adviseert dit negatief eigen vermogen aan te zuiveren. Gelet verder ook op de verklaring van de man ter zitting dat de bank inmiddels aandringt op aflossing, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de man voorlopig geen ruimte heeft om zich een hoger inkomen uit te keren. Dat de jaarstukken over 2016 en een prognose voor de komende jaren ontbreken, doet aan het voorgaande niet af. Gelet op de hoge negatieve stand van het eigen vermogen acht de rechtbank niet aannemelijk dat de financiële positie van de onderneming in één of twee jaar tijd zodanig zal zijn verbeterd dat de uitkering van een hoger salaris wel verantwoord zou zijn. Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank dan ook uit van een salaris als directeur-grootaandeelhouder van € 44.000,-- bruto per jaar.


Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering

3.31.

Tussen partijen is niet in geschil dat gerekend kan worden met de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van Nationale Nederlanden in 2016 van € 6.861,48 bruto per jaar. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met het fiscaal voordeel waarop de man in verband hiermee aanspraak kan maken.


Pensioenvoorziening

3.32.

De man stelt dat gerekend moet worden met een premie voor een pensioenvoorziening van € 250,-- per maand. Hij stelt dat hij op dit moment geen pensioen opbouwt, waardoor er een groot pensioengat dreigt. Hij wijst er daarbij op dat normaliter bij de berekening van de draagkracht van werknemers ook rekening wordt gehouden met betaling van pensioenpremies.


3.33.

De vrouw heeft betwist dat rekening moet worden gehouden met het genoemde bedrag aan een pensioenvoorziening. Zij stelt dat de man niet heeft aangetoond dat de [bedrijfsnaam 1] niet in staat zou zijn om pensioenpremie voor de man af te dragen, nu recente jaarcijfers ontbreken. Bovendien heeft de man niet aangetoond wat een reële premie zou zijn en wat dan de omvang van de voorziening is.

3.34.

De rechtbank overweegt als volgt. Door de man is geen offerte overgelegd van een beoogde pensioenvoorziening noch anderszins een berekening gemaakt van de pensioenpremie die door hem afgedragen dient te worden om uiteindelijk over een acceptabele oudedagsvoorziening te kunnen beschikken. Verder zijn door de man geen gegevens over de [bedrijfsnaam 1] na 2015 in het geding gebracht. Gelet op dit gebrek aan stukken kan de rechtbank niet beoordelen wat een reële pensioenpremie voor de man zou zijn en in hoeverre ruimte bestaat voor de [bedrijfsnaam 1] om deze pensioenpremie af te dragen voor de man. Om die redenen zal de rechtbank geen rekening houden met de genoemde pensioenpremie.


Kindgebonden budget voor [voornaam van minderjarige 1]

3.35.

Gelet op het feit dat [voornaam van minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de man, kan de man aanspraak maken op een kindgebonden budget voor [voornaam van minderjarige 1] . De hoogte van dit kindgebonden budget is afhankelijk van de hoogte van het verzamelinkomen. Voor de berekening van het verzamelinkomen houdt de rechtbank, naast de hiervoor vermelde posten, rekening met de aftrekposten als vermeld op de voorlopige aanslag 2017 (productie 34 van de zijde van de man), te weten:

  • - een inkomen uit eigen woning van € 1.601,-- per jaar;
  • - de aftrekkosten eigen woning van € 6.237,-- per jaar;
  • - de aftrek wegens te betalen alimentatie van € 6.237,-- per jaar (deel van de hypotheekrente dat de man voor de vrouw betaalt).

3.36.

Uitgaande van voormelde gegevens becijfert de rechtbank dat de man aanspraak kan maken op een kindgebonden budget van € 4.037,-- per jaar voor [voornaam van minderjarige 1] .


Netto besteedbaar inkomen

3.37.

Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens en rekening houdend met de relevante fiscale tarieven en heffingskortingen, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man (na betaling van de netto premie arbeidsongeschiktheidsverzekering) op € 2.626,-- per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte berekening. Voor de goede orde merkt de rechtbank daarbij op dat, anders dan door de man is gesteld, hij wel aanspraak kan maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Weliswaar heeft [voornaam van minderjarige 1] de leeftijd van twaalf jaar al bereikt, maar gelet op de uitgebreide zorgregeling die geldt voor [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] , kan de man via hen aanspraak maken op deze korting, ook al staan zij ingeschreven op het adres van de vrouw.


Afwijken draagkrachtformule

3.38.

De man stelt dat afgeweken moet worden van de door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtformule, wat de daarin opgenomen forfaitaire woonlast betreft. Zijn werkelijke woonlasten (verbonden aan de voormalige echtelijke woning) zouden namelijk aanzienlijk hoger zijn. De man stelt – zo begrijpt de rechtbank – dat deze hogere last voor hem een niet verwijtbare en niet vermijdbare last betreft. Gelet op zijn inkomen zijn volgens de man de huidige lasten van de woning eigenlijk te hoog. De hypotheek die op de voormalige echtelijke woning rust, is echter hoger dan de waarde van deze woning, zodat bij een verkoop van de woning voor beide partijen een restschuld zou ontstaan. Om die reden achtte de man een verkoop niet in het belang van beide partijen. Gezien het voorgaande verzoekt de man om rekening te houden met zijn werkelijke woonlast van € 1.306,25 bruto per maand.


3.39.

De vrouw betwist dat gerekend moet worden met de werkelijke woonlast en stelt dat van de forfaitaire last moet worden uitgegaan. Zij betwist dat de werkelijke woonlast aanzienlijk hoger zou zijn dan het forfait. Voor zover de werkelijke woonlast al hoger is, acht de vrouw deze last verwijtbaar. Zij stelt dat de man dan maar de woning moet verkopen, ook al betekent dat beide partijen zich geconfronteerd zien met een restschuld.


3.40.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor onder 3.37 is overwogen becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man (na betaling van de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering) op € 2.626,-- per maand. Daarbij past een forfaitaire woonlast van circa € 788,-- netto per maand. Door de man is weliswaar gesteld dat zijn woonlast nu € 1.306,25 bruto per maand bedraagt, maar heeft hij nagelaten inzichtelijk te maken welk fiscaal voordeel hij hierover kan behalen. De rechtbank kan daardoor niet beoordelen of, na aftrek van het fiscaal voordeel, er een netto last resteert die dermate hoog is dat een afwijking van de forfaitaire woonlast is gerechtvaardigd. Om die reden zal de rechtbank de gebruikelijke draagkrachtformule hanteren. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% van [2.626 – (0,3 x 2.626 + 905)] = € 654,-- per maand, zijnde € 218,-- per kind per maand (afgerond).


Draagkracht van de vrouw

3.41.

De vrouw stelt dat voor de bepaling van haar draagkracht uit moet worden gegaan van haar inkomen als vermeld op de jaaropgaaf 2016 (productie 40 van de zijde van de vrouw), zijnde € 22.973,-- bruto per jaar.


3.42.

De man heeft betwist dat van dit inkomen uit moet worden gegaan, daartoe stellende dat de vrouw in dienst is bij de onderneming van de heer [A] en zij daarom samen met hem haar inkomen kan bepalen. Hij wijst daarbij op de privé-onttrekkingen die door de heer [A] worden gedaan. Bovendien stelt de man dat de vrouw zich profileert als mediator, wat erop kan duiden dat de vrouw ook inkomsten als mediator heeft.


3.43.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank dient uit te worden gegaan van een inkomen van de vrouw van € 22.973,-- bruto per jaar. Daarmee gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw (met de heer [A] ) zelf haar inkomen zou kunnen bepalen, nu de man daarbij in het midden heeft gelaten van welk inkomen van de vrouw dan zou moeten worden uitgegaan. Voor de goede orde merkt de rechtbank daarbij op dat de stellingen van de man ten aanzien van de gedane privé-onttrekkingen uit de onderneming van de heer [A] aan de orde zullen komen bij de bespreking van diens draagkracht. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de vrouw ter zitting gemotiveerd is betwist dat zij inkomsten zou hebben als mediator, zodat de rechtbank ook die stelling van de man passeert.


3.44.

Uitgaande van een inkomen uit loondienst van € 22.973,-- bruto per jaar en rekening houdend met de relevante fiscale tarieven en heffingskortingen (waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting) becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.828,-- per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte berekening. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat geen rekening is gehouden met een kindgebonden budget voor [voornaam van minderjarige 2] , [voornaam van minderjarige 3] , [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5] , omdat het gezamenlijke inkomen van de vrouw en de heer [A] (als haar toeslagpartner) te hoog is om op een dergelijke kindgebonden budget aanspraak te maken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% van [1.828 – (0,3 x 1.828 + 905)] = € 262,-- per maand. Deze draagkracht is onvoldoende om te voorzien in de behoefte van alle kinderen voor wie de vrouw onderhoudsplichtig is ( [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] , [voornaam van minderjarige 3] , [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5] ). Nu er verder sprake is van een verschil in behoefte van de verschillende kinderen, zal de rechtbank deze draagkracht verdelen naar rato van ieders behoefte. Dit leidt tot de volgende verdeling:


Kind Behoefte Wegingsfactor Beschikbare draagkracht

[voornaam van minderjarige 1] 336 336/1600 = 0,21 0,21 x 262 = 55

[voornaam van minderjarige 2] 336 336/1600 = 0,21 0,21 x 262 = 55

[voornaam van minderjarige 3] 336 336/1600 = 0,21 0,21 x 262 = 55

[voornaam van minderjarige 4] 296 296/1600 = 0,185 0,185 x 262 = 48

[voornaam van minderjarige 5] 296 296/1600 = 0,185 0,185 x 262 = 48 +

Totaal 1.600 1 261


Draagkracht van de heer [A]

3.45.

Voor de berekening van de draagkracht van de heer [A] gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover deze gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.


Inkomen van de heer [A]

3.46.

De heer [A] is zelfstandig ondernemer (eigenaar van een supermarkt). Partijen verschillen van mening over het inkomen dat hij hieruit kan genereren.


3.47.

De man stelt dat voor de bepaling van de draagkracht van de heer [A] – zo begrijpt de rechtbank – aangesloten moet worden bij de privé-onttrekkingen uit de onderneming. Uit de overgelegde concept-jaarcijfers over de eerste drie kwartalen van 2016 (productie 37 van de zijde van de vrouw) volgt dat in totaal een bedrag van € 61.562,-- aan de onderneming is onttrokken. Omgerekend naar een volledig jaar, komt dat neer op circa € 80.000,-- per jaar.


3.48.

De vrouw heeft betwist dat uit moet worden gegaan van de privé-onttrekkingen. Zij wijst erop dat privé-onttrekkingen niet een-op-een gelijk kunnen worden gesteld met de beschikbare middelen uit de onderneming. Volgens de vrouw zijn de privé-onttrekkingen grotendeels gefinancierd met geleend geld en niet vanuit de behaalde winsten. Ter onderbouwing van deze stelling overlegt zij een analyse van een deskundige, de heer [C] . Volgens de vrouw zou de continuïteit van de onderneming in gevaar worden gebracht indien de heer [A] wordt geacht elk jaar dergelijke privé-onttrekkingen te doen. Zij stelt daarentegen dat voor de bepaling van het inkomen uit onderneming aangesloten moet worden bij de door het hof gehanteerde inkomsten, te weten een winst uit onderneming van € 45.000,-- bruto per jaar, nog te verminderen met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Zij stelt dat de man niet wordt benadeeld als bij dit inkomen wordt aangesloten. Dit inkomen is immers door het hof gebaseerd op prognoses die aantoonbaar niet zijn waargemaakt. Daarbij wijst zij op de lagere resultaten als vermeld in de voorlopige cijfers over 2016 alsmede op de verklaring van de heer [C] .


3.49.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag welke middelen de heer [A] redelijkerwijs uit zijn onderneming kan halen, geldt evenzeer als bij de beoordeling van de draagkracht van de man dat de rechtbank niet ‘op de stoel van de ondernemer’ mag gaan zitten, maar dat aan de heer [A] een zekere ruimte dient te worden gelaten om naar eigen inzicht te bepalen hoe zijn bedrijf inricht en voert.

Met inachtneming hiervan is de rechtbank van oordeel dat aangesloten dient te worden bij het inkomen als door de vrouw vermeld van € 45.000,-- bruto per jaar. Daartoe overweegt de rechtbank dat, anders dan de man stelt, niet zomaar kan worden aangesloten bij de gedane privé-onttrekkingen. Zoals door de vrouw terecht is gesteld, geven gedane privé-onttrekkingen nog geen beeld van de daadwerkelijk gegenereerde inkomsten. Bovendien heeft de vrouw met stukken onderbouwd dat de heer […] niet dergelijke privé-onttrekkingen kan blijven doen zonder dat de continuïteit van de onderneming in gevaar zou komen. Gelet op de aanmerkelijk lagere resultaten als vermeld op de concept-jaarcijfers over 2013 en gezien de analyse van de heer [C] omtrent de financiering van deze onttrekkingen, is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid niet van de heer [A] kan worden verlangd dat hij jaarlijks € 80.000,-- aan zijn onderneming onttrekt. Om die reden zal de rechtbank aansluiten bij de stellingen van de vrouw en uitgaan van een winst uit onderneming van € 45.000,-- bruto per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling in 2017.

Uitgaande van deze gegevens en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten en heffingskortingen becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de heer [A] op € 2.941,-- per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte berekening. Voor de goede orde merkt de rechtbank daarbij op dat geen rekening is gehouden met een kindgebonden budget, nu het gezamenlijke inkomen van de heer [A] en de vrouw daarvoor te hoog is. Evenmin kan de man aanspraak maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat hij (anders dan de vrouw) niet de minst verdienende fiscale partner is.


Draagkrachtformule en verdeling

3.50.

Uitgaande van voormeld netto besteedbaar inkomen bedraagt de draagkracht van de heer [A] : 70% van [2.941 – (0,3 x 2.941 + 905)] = € 808,-- per maand (afgerond). Deze draagkracht is onvoldoende om te voorzien in de behoefte van alle kinderen voor wie de heer [A] onderhoudsplichtig is ( [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] , [voornaam van minderjarige 3] , [voornaam van minderjarige 4] , [voornaam van minderjarige 5] , [voornaam van minderjarige 6] en [voornaam van minderjarige 7] ). Nu er verder sprake is van een verschil in behoefte van de verschillende kinderen, zal de rechtbank deze draagkracht verdelen naar rato van ieders behoefte. Dit leidt tot de volgende verdeling:


Kind Behoefte Wegingsfactor Beschikbare draagkracht

[voornaam van minderjarige 1] 336 336 / 2.842 = 0,118 0,118 x 808 = 96

[voornaam van minderjarige 2] 336 336 / 2.842 = 0,118 0,118 x 808 = 96

[voornaam van minderjarige 3] 336 336 / 2.842 = 0,118 0,118 x 808 = 96

[voornaam van minderjarige 4] 296 296 / 2.842 = 0,104 0,104 x 808 = 84

[voornaam van minderjarige 5] 296 296 / 2.842 = 0,104 0,104 x 808 = 84

[voornaam van minderjarige 6] 621 621 / 2.842 = 0,219 0,219 x 808 = 176[voornaam van minderjarige 7] 621 621 / 2.842 = 0,219 0,219 x 808 = 176 +

Totaal 2.842 1 808


Draagkracht van mevrouw [B]

3.51.

Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van mevrouw [B] kan worden bepaald op € 390,-- per maand, zoals vermeld in de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2016.




Draagkrachtvergelijkingen

3.52.

Vervolgens zal de rechtbank per kind de draagkracht van de verschillende onderhoudsplichtigen met elkaar vergelijken om te bezien wie welk aandeel in de kosten van dit kind moet voldoen, mits de gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen voldoende is om in de behoefte te voorzien. Voor zover een onderhoudsplichtige minder hoeft bij te dragen dan de hiervoor becijferde beschikbare draagkracht, zal de rechtbank de resterende draagkracht ‘overhevelen’ naar de andere kinderen voor wie de betreffende (stief)ouder onderhoudsplichtig is.


Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [voornaam van minderjarige 7] en [voornaam van minderjarige 6]

3.53.

Zoals is overwogen onder 3.12 zijn de heer [A] en mevrouw [B] onderhoudsplichtig voor [voornaam van minderjarige 7] en [voornaam van minderjarige 6] . Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.50 is overwogen, bedraagt de beschikbare draagkracht van de heer [A] (176 + 176 =) € 352,-- per maand. De draagkracht van mevrouw [B] bedraagt, zoals hiervoor onder 3.51 is overwogen, € 390,-- per maand. De gezamenlijke (beschikbare) draagkracht bedraagt aldus (352 + 390 =) € 742,-- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [voornaam van minderjarige 7] en [voornaam van minderjarige 6] te voorzien, die immers (621 + 621 =) € 1.242,-- per maand bedraagt. Een draagkrachtvergelijking kan dan ook achterwege blijven.


Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5]

3.54.

Zoals is overwogen onder 3.11 en 3.12 zijn de vrouw en de heer [A] onderhoudsplichtig voor [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5] . De beschikbare draagkracht van de vrouw bedraagt, zoals hiervoor onder 3.44 is overwogen (48 + 48 =) € 96,-- per maand. Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.50 is overwogen, bedraagt de beschikbare draagkracht van de heer [A] (84 + 84 =) € 168,-- per maand. De gezamenlijke beschikbare draagkracht bedraagt aldus (96 + 168 =) € 264,-- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [voornaam van minderjarige 4] en [voornaam van minderjarige 5] te voorzien, die immers (296 + 296 =) € 592,-- per maand bedraagt. Een draagkrachtvergelijking kan dan ook achterwege blijven.


Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3]

3.55.

Zoals is overwogen onder 3.10 zijn de man, de vrouw en de heer [A] onderhoudsplichtig voor [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] . De draagkracht van de man bedraagt, zoals hiervoor onder 3.40 is overwogen € 654,-- per maand. De beschikbare draagkracht van de vrouw bedraagt, zoals hiervoor onder 3.44 is overwogen (55 + 55 + 55 =) € 165,-- per maand. Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.50 is overwogen, bedraagt de beschikbare draagkracht van de heer [A] (96 + 96 + 96 =) € 288,-- per maand. De gezamenlijke (beschikbare) draagkracht bedraagt aldus (654 + 165 + 288 =) € 1.107,-- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] te voorzien, die immers (336 + 336 + 336 =) € 1.008,-- per maand bedraagt.


3.56.

Na vergelijking van ieders draagkracht becijfert de rechtbank het aandeel van de man op: 654 / 1.107 x 1.008 = € 596,-- per maand (afgerond), zijnde € 199,-- per kind per maand (afgerond). Het aandeel van de vrouw becijfert de rechtbank op: 165 / 1.107 x 1.008 = € 150,-- per maand (afgerond), zijnde € 50,-- per kind per maand. Het aandeel van de heer [A] becijfert de rechtbank op: 288 / 1.107 x 1.008 = € 262,-- per maand (afgerond), zijnde € 87,-- per kind per maand (afgerond).




Zorgkorting

3.57.

Partijen verschillen sterk van mening over de vraag welke kosten van de kinderen door de man al in natura worden gedragen en wat ter zake daarvan van hem mag worden verwacht. De hoog oplopende discussie hierover tussen partijen zou er zelfs toe leiden dat bij de wisseling van de ene naar de andere ouder in het kader van de omgangsregeling niet de benodigde spullen worden meegegeven, wat er weer toe leidt dat de spullen twee keer worden aangeschaft.

Om aan deze discussie tussen partijen een einde te maken, overweegt de rechtbank als volgt. De kinderen verblijven volgens de huidige zorgregeling het merendeel van de tijd bij de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank past bij een dergelijke situatie dat de vrouw alle kosten voldoet, behalve de kosten die gekoppeld zijn aan het verblijf van de kinderen bij de man (zoals kosten van eten en drinken en vakanties met de man). Nu op basis van de huidige zorgregeling de kinderen drie dagen per week bij de man verblijven, kunnen – conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen – de verblijfskosten die de man dient te maken worden gesteld op 35% van de behoefte, zijnde (0,35 x 336 =) € 118,-- per kind per maand (afgerond).


Conclusie

3.58.

Na aftrek van voormelde zorgkorting van € 118,-- per kind per maand, resteert een voor de man te betalen bijdrage voor [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] van (199 -/- 118 =) € 81,-- per kind per maand. Gelet op hierop voldoet de eerder vastgestelde bijdrage van € 50,-- per kind per maand niet meer aan de wettelijke maatstaven, zodat een wijziging is aangewezen.


3.59.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de beschikking van deze rechtbank en het tussen partijen gesloten ouderschapsplan wijzigen, wat de daarin opgenomen bijdrage betreft, en bepalen dat de man voortaan met € 81,-- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] . Dit brengt met zich dat voor zover de vrouw om een hogere bijdrage had verzocht dan voormeld, haar verzoek zal worden afgewezen. Uit het voorgaande vloeit verder dat de verzoeken van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie en tot vaststelling van een door de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [voornaam van minderjarige 1] zullen worden afgewezen.


4Beslissing


De rechtbank:


4.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 3 december 2014 alsmede het daaraan gehechte ouderschapsplan met ingang van 29 mei 2017 als volgt:


4.1.1.

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw met ingang van 29 mei 2017 zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen [voornaam van minderjarige 1] , [voornaam van minderjarige 2] en [voornaam van minderjarige 3] nader op € 81,-- (eenentachtig euro) per kind per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


4.2.

bepaalt dat de beschikking van deze rechtbank van 3 december 2014 alsmede het daaraan gehechte ouderschapsplan voor het overige worden gehandhaafd;


4.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


4.4.

wijst af het meer of anders verzochte;


4.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Scharrenborg, (kinder)rechter, in aanwezigheid van de griffier, mr. J.A.M.H. de Wit, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2017.