Rechtbank Midden-Nederland, 14-06-2017 / 5154272


ECLI:NL:RBMNE:2017:2810

Inhoudsindicatie
Vordering shockschade. Verjaring. De schade is niet tot na de verjaringstermijn verborgen gebleven, dus aan de doorbrekingsgronden van Van Hese/De Schelde wordt niet toegekomen. Afwijzing
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-14
Publicatiedatum
2017-06-26
Zaaknummer
5154272
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/3287
  • NJF 2017/415
  • PS-Updates.nl 2017-0546
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Utrecht


zaaknummer: 5154272 UC EXPL 16-9111 PK/1097


Vonnis van 14 juni 2017


inzake


[eiser]

wonende te [woonplaats 1] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M. Breur,


tegen:


[gedaagde] , in de hoedanigheid van maat van de maatschap [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.J. Eizenga.



1Het verloop van de procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - dagvaarding van 15 april 2016
  • - de akte overlegging producties van [eiser]
  • - de incidentele conclusie, strekkende tot onbevoegdheid van de kantonrechter van 22 juni 2016
  • - de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens houdende wijziging eis, van 20 juli 2016
  • - het vonnis in incident van 31 augustus 2016
  • - de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 28 september 2016
  • - het tussenvonnis van 5 oktober 2016 waarbij bij een comparitie van partijen is gelast
  • - de akte overlegging producties van [eiser] van 2 februari 2017
  • - het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 2 februari 2017
  • - de brief van de gemachtigde van [eiser] van 14 februari 2017
  • - de akte na comparitie tevens wijziging van eis van [eiser] van 8 maart 2017
  • - de antwoordakte na comparitie tevens verzoek wijziging proces-verbaal van comparitie na antwoord van [gedaagde] van 5 april 2017.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.


2De feiten


2.1.

[A] , de vader van [eiser] , is op [1992] overleden aan een hartinfarct. Hij was toen 43 jaar oud. De moeder van [eiser] heeft de vader van [eiser] die dag 's ochtends rond 8:00 uur aangetroffen in de badkamer. Hij was nauwelijks aanspreekbaar. [eiser] , toen 13 jaar oud, liep ook naar de badkamer en heeft zijn vader daar in die toestand aangetroffen. Omstreeks 8:15 uur heeft [eiser] de ouderlijke woning verlaten en is naar school gegaan. Vanuit school heeft hij de sirene van een ambulance gehoord. Nadat zijn moeder de school had gebeld, is hij door een schoonmaker van school naar het ziekenhuis gebracht. De cardioloog [B ] heeft de vader in het ziekenhuis trachten te reanimeren, maar de vader is niettemin overleden.


2.2.

[gedaagde] was de huisarts van de vader van [eiser] . De vader van [eiser] is op 29 oktober 1992 en 16 november 1992 in de praktijk van [gedaagde] op consult geweest in verband met spierpijn, pijnlijk inademen van koude lucht en keelpijn, de eerste keer bij een waarnemer, de tweede keer bij [gedaagde] zelf. Hij is toen niet naar een specialist doorverwezen.


2.3.

Bij brief van 1 december 1992 heeft de cardioloog [B ] met betrekking tot de vader van [eiser] onder meer aan [gedaagde] geschreven:

"Op [1992] was kort voor zijn overlijden bovengenoemde patiënt opgenomen op de afd. cardiologie.

Reden van opname: Cardiogene shock.

Voorgeschiedenis: Blanco.

anamnese aangevuld met hetero anamnese: Sedert juni bestaan er thor. pijnklachten waarvoor patiënt verdere analyse heeft geweigerd. De laatste dagen bestonden er klachten van dyspneu en thorax pijn waarvoor patiënt een verdere analyse heeft afgehouden. Enige uren voor presentatie kreeg patiënt continu heftige pijn gepaard gaande met vegatatieve klachten en forse dyspneu. Op het moment dat de ambulance arriveerde was patiënt nog amper aanspreekbaar en hypotensief. Risico factoren t.a.v. coronair lijden: patiënt rookt, vader is op 55 jarige leeftijd overleden aan een myocard infarct.

(…)

Tevens ging de hypertensie over in het circulatie stilstand. Er werd uitgebreide reanimatie poging gedaan zonder succes. Uiteindelijk overleed patiënt onder het beeld van pompfalen. Bij obductie bleek er sprake van een occlusie van de hoofdstam".


2.4.

[eiser] is van begin 2010 tot medio 2011 bij psychiater [C] in behandeling geweest. [C] heeft toen als diagnose gesteld

"een reactieve psychose, geluxeerd door chronische werkstress, waardoor jeugdtrauma van jong overleden vader ook gereactiveerd werd".


2.5.

[eiser] is van 28 september 2012 tot 28 februari 2014 opnieuw bij [C] in behandeling geweest. Bij e-mailbericht van 1 april 2014 heeft [C] aan [eiser] bericht dat hij in 2010 de diagnose Psychotische stoornis NAO heeft gesteld, en voorts:

"Later heb ik de diagnose PTSS toegevoegd, toen duidelijk werd welke impact het overlijden van je vader heeft gehad, en hoe jouw klachten in samenhang met die traumatische gebeurtenis kunnen worden begrepen".

Tot 1 april 2014 was [eiser] niet met de diagnose PTSS bekend.


2.6.

Bij brief van 20 januari 2014 van mr. E.E. De Vos, zijn toenmalige gemachtigde, heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld:

"voor alle schade, geleden als gevolg van voornoemde beroepsfouten, dan wel als gevolg van het toerekenbaar tekort komen in de nakoming van de behandelovereenkomsten tussen u en dhr. [A] en tussen u en cliënt".


2.7.

Bij brieven van 26 januari 2014 en 27 februari 2014 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aansprakelijkheid afgewezen.


2.8.

Bij e-mail van 1 februari 2016 heeft [eiser] een conceptdagvaarding aan de gemachtigde van [gedaagde] doen toekomen, onder de mededeling:

"Mede gelet op mijn wens de opgenomen datum van aanbrengen te halen, lijkt goed na te gaan of het standpunt van uw cliënt nog steeds ongewijzigd is. Indien een minnelijke regeling haalbaar blijkt, heeft het mijn voorkeur die te bereiken voorafgaand aan de dag van dagvaarding. Graag verneem ik daarom uiterlijk maandag 8 februari a.s. van u of uw cliënt bereid is tot nader overleg".


2.9.

Een regeling is niet tussen partijen tot stand gekomen, omdat [gedaagde] aansprakelijkheid afwees. [eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard op 15 april 2016.



3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis na wijziging van eis bij akte na comparitie (punt 133) veroordeling van [gedaagde] :

I. tot vergoeding aan [eiser] van:

a. door de rechtbank in goede justitie vast te stellen immateriële schade van [eiser] als gevolg van de aantasting in zijn persoon van maximaal € 23.200,-;

b. door de rechtbank in goede justitie vast te stellen immateriële schade van [eiser] als gevolg van de aantasting van de nagedachtenis van de overledene van maximaal € 900,--;

c. door de rechtbank in goede justitie vast te stellen immateriële schade van [eiser] als gevolg van het niet geven door [gedaagde] van openheid van zaken aan [eiser] omtrent [gedaagde] diagnostiek ten aanzien van [A] en omtrent de communicatie van [gedaagde] met het ziekenhuis van maximaal € 900,--;

d. de buitengerechtelijke kosten;

e. de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten;

II. [gedaagde] te bevelen om binnen 28 dagen na de datum van het vonnis [eiser] juist, volledig en schriftelijk te informeren omtrent:

a. hetgeen door [A] aan [gedaagde] tijdens de consulten uit voor- en najaar van 1992 en nadien, al dan niet telefonisch, is besproken ten aanzien van de gezondheidsklachten van [A] , van eventuele doorverwijzing naar een cardioloog of vaatspecialist en van zijn familieanamnese;

b. hetgeen in het najaar van 1992 aan communicatie heeft plaatsgehad tussen [gedaagde] ((s) assistente) en cardioloog [B ] , c.q. medewerkers van de ambulance en het ziekenhuis;

c. althans hem een soortgelijk in goede justitie te formuleren gebod op te leggen;

III. [gedaagde] te bevelen om binnen 14 dagen na de datum van het vonnis aan cardioloog [B ] en patholoog-anatoom [D] een rectificatie te sturen, op eigen briefpapier en een regulier lettertype, met naast het briefhoofd enkel de navolgende inhoud (met cc-verzending daarvan aan de gemachtigde van [eiser] , alles in aangetekende vorm):

"Geachte collega,

In het najaar van 1992 heb ik u opzettelijk feitelijk onjuist geïnformeerd [/doen informeren] omtrent gezondheidstoestand en gedrag van de heer [A] , die tot zijn overlijden op [1992] mijn patiënt was.

Mijn onjuiste informatieverschaffing hield in dat de angina pectoris - die leidde tot spoedopname in het Lorentz Ziekenhuis te Zeist op [1992] - reeds lang door mij zou zijn geconstateerd, alsmede dat de heer [A] analyse en behandeling van deze aandoening afhield. Ook was onjuist mijn bericht dat de heer [A] een roker was.

In werkelijkheid is de betreffende diagnose door mij gemist en heb ik niet adequaat doorverwezen, hetgeen een beslissende rol heeft gespeeld bij de prognose van de heer [A] , die op genoemde datum op 43-jarige leeftijd is overleden.

De reden voor voornoemde onjuiste informatieverschaffing is dat ik het missen van de diagnose en het inadequaat doorverwijzen hebben willen verhullen.

Het opstellen en verzenden van deze brief is mij geboden door de rechtbank Midden-Nederland, bij vonnis d.d. [datum invullen].

Met collegiale hoogachting,

[handtekening]

[gedaagde] "

althans een soortgelijk in goede justitie te formuleren gebod aan [gedaagde] ;

IV. de bevelen sub II en III te versterken met een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft te voldoen aan een of meerdere van deze geboden.


3.2.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen eerdergenoemde wijziging van eis, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij omdat deze eiswijziging slechts een beperkte nadere precisering bevat, waarop [gedaagde] in voldoende mate heeft kunnen reageren.


3.3.

[eiser] legt samengevat het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

Zijn vader is in de ochtend van [1992] bezweken aan een hartinfarct. De schade die [eiser] , destijds 13 jaar oud, vordert ziet met name op shockschade ontstaan bij zijn confrontatie met het infarct, de doodsstrijd en het overlijden van zijn vader. Zijn vader is overleden doordat [gedaagde] , die zijn vader medische zorg verleende, herhaaldelijk medisch nalatig heeft gehandeld, omdat hij de vader van [eiser] niet naar een medisch specialist heeft doorverwezen.

Voorts vordert [eiser] persoonsschade als gevolg van onrechtmatige uitingen door [gedaagde] , bestaande in aantasting van de nagedachtenis van de vader van [eiser] en onjuist/onvolledig informeren van [eiser] in de relatie huisarts-patiënt/nabestaande. [gedaagde] heeft na het overlijden van de vader van [eiser] namelijk richting de reanimerend cardioloog onwaarheden geuit over ziekte en gedrag van de vader en daarnaast de nabestaanden onjuiste en/of onvolledige informatie verschaft. Zo blijkt uit de in punt 2.3 geciteerde brief van de cardioloog [B ] dat de vader van [eiser] nadere analyse zou hebben afgehouden en dat hij zou hebben gerookt. Deze informatie is onjuist, en kan volgens [eiser] alleen van [gedaagde] afkomstig zijn geweest.


3.4.

[gedaagde] voert verweer. Dit verweer komt in het kort op het volgende neer:

de vordering is verjaard

het beroep op verjaring is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar

[eiser] heeft niet binnen bekwame tijd geklaagd

er sprake van rechtsverwerking

er is niet voldaan aan de vereisten voor toekenning van shockschade

er is geen sprake van onjuiste mededelingen aan de cardioloog

er is geen sprake van het niet geven van openheid van zaken aan [eiser] .



4De beoordeling


Is de vordering verjaard?


4.1.

[gedaagde] beroept zich op verjaring. De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

Naar de kantonrechter begrijpt verwijt [eiser] dat [gedaagde] zijn vader ter gelegenheid van het consult op 16 november 1992 niet naar een specialist heeft doorverwezen. Op grond van artikel 310 lid 1 BW bedraagt de verjaringstermijn voor een vordering op deze grondslag in ieder geval 20 jaar na deze gebeurtenis. Een vordering met betrekking tot dit verwijt is dus op 16 november 2012 verjaard. Voorts verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij de cardioloog onware mededelingen heeft gedaan. Nu de brief van de cardioloog waaruit deze mededelingen volgens [eiser] blijken dateert van 1 december 1992, is de verjaringstermijn met betrekking tot dit feit op 1 december 2012 verstreken. Omdat de dagvaarding eerst op 15 april 2016 is uitgebracht beroept [gedaagde] zich terecht op verjaring, tenzij de verjaring is gestuit, de verjaringstermijn is verlengd of een beroep op verjaring onaanvaardbaar is.


Stuiting verjaring?


4.2.

Volgens [eiser] (dagvaarding punt 140) is de verjaring gestuit omdat [gedaagde] zijn schuld aan het overlijden heeft erkend. Dit blijkt volgens [eiser] uit de volgende feiten:

[gedaagde] heeft op 29 januari 2010 in een gesprek met [eiser] erkend dat hij de diagnose angina pectoris had behoren te stellen. [eiser] verwijst daartoe naar een door hem overgelegd verslag van dat gesprek (productie V7). Dit betoog gaat niet op. De verjaring wordt op grond van artikel 3:318 BW gestuit door iedere handeling of gedraging waaruit kan worden afgeleid dat de schuldenaar een schuld ten opzichte van de schuldeiser erkent. Ook in het geval [gedaagde] in dit gesprek zou hebben gezegd dat hij de diagnose angina pectoris had behoren te stellen, heeft hij daarmee niet erkend dat hij ter zake schadevergoeding aan [eiser] verschuldigd was.

[gedaagde] heeft op 16 maart 2010 in een telefoongesprek met [eiser] gerefereerd aan een door [gedaagde] met de moeder van [eiser] gevoerd telefoongesprek van 1 februari 2010. De door [eiser] overgelegde verklaring van zijn moeder (opgesteld op 12 mei 2014) vermeldt: " [gedaagde] erkende toen dat hij vreselijk de fout was ingegaan bij het behandelen van [A] . Ik heb die mededeling opgevat als bekentenis van een medische misser, zowel aan mij als aan [eiser] , kantonrechter), ook omdat bij [gedaagde] duidelijk sprake was van spijt". Ook hierin kan echter geen erkenning van de verschuldigdheid van schadevergoeding worden gelezen.

[gedaagde] heeft een gesprek met [eiser] gehad op 7 juni 2010 (productie V10, gespreksverslag opgemaakt op 3 juni 2016). Naar de kantonrechter begrijpt beroept [eiser] zich op de passage: "ID ( [gedaagde] , kantonrechter) laat weten dat hij het vreselijk vindt wat er gebeurd is en er niet mee uit komt. Hij heeft het gewoon gemist". Ook dit is geen erkenning van de verschuldigdheid van schadevergoeding.

Er is dus geen sprake van stuiting van de verjaringstermijn.


Verlenging verjaring?


4.3.

[eiser] stelt verder dat de verjaringstermijn van 20 jaar op de voet van artikel 3:321 lid 1 sub f BW is verlengd: [gedaagde] heeft opzettelijk het bestaan van de schuld verborgen gehouden. [gedaagde] heeft namelijk verborgen de bron te zijn van de mededelingen die verwerkt zijn in de brief van de cardioloog [B ] van 1 december 1992.

De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Indien al van een verborgen houden sprake is geweest, [gedaagde] heeft dit betwist, dan kan uit het hierna in punt 4.8 geciteerde verslag dat [eiser] heeft opgesteld van zijn gesprek met [gedaagde] van 7 juni 2010 worden afgeleid dat [eiser] toen al het vermoeden had dat [gedaagde] valse informatie aan de cardioloog had verstrekt. [eiser] heeft er in dat gesprek immers op doorgevraagd of [gedaagde] aan de cardioloog had doorgegeven dat zijn vader rookte. Omdat op de datum van dit gesprek de verjaringstermijn nog niet was verstreken en evenmin binnen 6 maanden zou verstrijken, heeft zich geen verlengingsgrond voorgedaan. Ook indien [eiser] op 7 juni 2010 nog niet het vermoeden had dat [gedaagde] valse informatie had verstrekt, dan zou dit geleid hebben tot verlenging van de verjaringstermijn totdat 6 maanden na het verdwijnen van de verlengingsgrond zijn verstreken (artikel 3:320 BW). Nu uit de sommatiebrief van 20 januari 2014 blijkt dat [eiser] in ieder geval op dat moment wél bekend was met de door [gedaagde] volgens [eiser] verborgen gehouden feiten, is de verjaringstermijn in ieder geval 6 maanden nadien geëindigd, dus op 20 juli 2014. Binnen deze termijn heeft geen daad van rechtsvervolging meer plaatsgevonden, zodat de vordering ook indien van verlenging van de verjaringstermijn moet worden uitgegaan is verjaard.


Is het beroep op verjaring is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?


4.4.

Volgens [eiser] (akte na comparitie punt 34 e.v.) is het beroep op verjaring van [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [eiser] beroept zich daarbij op HR 24 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 ( [naam] /de Schelde), en bespreekt de in die uitspraak genoemde gezichtspunten, alsmede een aantal aanvullende gezichtspunten.


4.5.

[gedaagde] heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.


4.6.

De kantonrechter overweegt het volgende.

De Hoge Raad heeft in [naam] /De Schelde het volgende overwogen: laatstbedoelde termijn (in dat geval de lange verjaringstermijn van 30 jaar, in het onderhavige geval de lange verjaringstermijn van 20 jaar) heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij — waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten — meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15801, NJ 1998, 380). Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.


4.7.

Deze uitspraak ziet dus op de situatie dat de schade zich eerst heeft geopenbaard nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken en dat het voor de gelaedeerde dus niet mogelijk was nog tijdens de verjaringstermijn een vordering in te stellen. Eerst dient daarom te worden vastgesteld of deze situatie zich voordoet.


4.8.

De kantonrechter acht hierbij de volgende omstandigheden van belang:

  • - [eiser] heeft op 29 januari 2010 een gesprek gehad met [gedaagde] , waarbij hij, [eiser] , volgens een door hemzelf opgesteld verslag (productie V7) de vraag heeft gesteld waarom een doorverwijzing door [gedaagde] niet mogelijk was;
  • - [eiser] heeft op 7 juni 2010 een gesprek gehad met [gedaagde] waarin deze volgens het door [eiser] opgestelde verslag (productie V10) heeft erkend dat hij de diagnose angina pectoris heeft gemist; dit verslag vermeldt voorts:

"( [eiser] ) geeft aan dat hij het eind januari over nalatigheid en over niet lege artis handelen heeft gehad, dat hij het een heel moeilijk verhaal vindt, want waar hij zelf gewoon verbolgen over is, is dat er in de nazorg toch iets misgegaan is, waardoor bij ( [eiser] ) die shock van het zijn vader zien en het zich beseffen dat hij snel zou overlijden, dat die shock niet bij hem naar boven gekomen is op de één of andere manier. Die doorverwijzing naar het AZU is gekomen en hij heeft jaren daarna bij zijn studie last van concentratieproblemen gehad en neerslachtigheid en ook wel daarna veel klachten gehad, zoals in december jl. dat ( [eiser] ) naar een psychiater wordt doorverwezen met psychotische klachten. Vandaar dat bij ( [eiser] ) het verwijt wel diep blijft zitten. ( [eiser] ) geeft aan dat hij heeft nagedacht of hij nu toch iemand formeel aansprakelijk moet gaan stellen en daarover moet gaan procederen of op een andere manier iets moet doen waardoor zijn rechtvaardigheidsgevoel er beter uit komt te zien. ( [eiser] ) geeft aan dat hij daar goed over na zal moeten denken, enerzijds is het ingewikkeld, anderzijds is dat wel iets omdat het voor hem een soort van afsluiting zal geven.

(…)

( [eiser] ) recapituleert, dat als hij [B ] hoort praten, dat het heel ingewikkeld is en dat hij nu in gesprek is met zijn psychiater hoe hij hier nu mee om moet gaan. Volgens ( [eiser] ) zegt zijn psychiater dat als hij er nog wat juridisch nog iets mee wilt doen, een symbolisch bedrag vragen of iets in die richting. Hij geeft aan dat hij het er in januari over gehad heeft, dat het niet lege artis handelen is geweest. ( [eiser] ) vraagt [gedaagde] of hij er een medische fout in ziet. ( [eiser] ) vraag ( [gedaagde] ) of hij nu zegt dat hij het verontschuldigbaar gemist heeft? ( [gedaagde] ) geeft aan dat het moeilijk is daar zelf een uitspraak over te doen. Het is natuurlijk in zijn beleving hem ook overkomen, omdat hij het absoluut niet gezien heeft.

(…)

[eiser] zegt dat hij die anamnese aangevuld met heteroanamnese nog steeds een raar verhaal vindt. Hij is wel blij om te horen dat de patiëntenkaart voorgeschiedenis niet achteraf is ingevuld.

(…)

( [gedaagde] ) geeft aan dat hij dat ook denkt. Je probeert volgens hem het te analyseren. Hij zegt verder openheid van zaken gegeven te hebben en heeft ook - het zou volgens hem absurd zijn dat je gaat verzinnen dat iemand rookte, of zo. Je weet volgens ( [gedaagde] ) toch dat iemand niet rookt.

(…)

( [eiser] ) vraagt dat als ( [gedaagde] ) zegt dat hij niet weet waar het vandaan komt, is er dan telefonisch contact geweest met de ambulancebroeders. ( [gedaagde] ) geeft aan dat hij dat niet meer zou weten. Hij kan in de regel zeggen, dat als hij het ziekenhuis spreekt, er niet veel meer gezegd zal zijn, dan geef je gewoon de hoofdzaken door. Of iemand rookt of niet.. ( [eiser] ) geeft vragend aan dat het alleen om de urgente informatie zal gaan. ( [gedaagde] ) zegt dat hij het wel verteld, stel dat hij dienst heeft en iemand heeft een cardiaal verhaal, dan is het relevant of iemand rookt. Een cardioloog kan zeggen laat maar komen we kijken, of telefonisch advies geven en daar is roken volgens ( [gedaagde] ) een onderdeel in. ( [gedaagde] ) zegt: "Ik zou niet weten of, ik zou echt niet meer weten hoe die telefoon.. soms zeg ik alleen:'Bel de ambulance'. Dat is het enige dat je regelt verder ben je met de patiënt dus er zal niet veel gezegd zijn. Ik heb wel later het er met [B ] er over gehad, want het ging vooral eigenlijk gewoon om de anamnese.. en voor mijzelf om alles op een rijtje te zetten en te kijken waar is het mis gegaan."

(…)

Bovendien, ( [gedaagde] ) geeft aan dat hij het heel raar zou vinden als je dat soort dingen, waarvan hij niet eens weet of hij het weet, maar als je dat soort dingen gaat vermelden waarvan je gewoon weet dat het niet waar is dan leidt dat nergens toe. Hij ziet het nut er ook niet van in, moet ( [gedaagde] ) zeggen".

  • - Uit de brief van psychiater [C] van 5 februari 2012 (productie D1) aan de huisarts van [eiser] blijkt dat [eiser] vanaf ongeveer begin 2010 last kreeg van drukkere, soms achterdochtige gedachten, dat deze klachten ongeveer drie maanden later een hoogtepunt bereikten, en dat deze eind 2010 waren verdwenen.
  • - Op 7 mei 2010 achtte de bedrijfsarts [eiser] niet inzetbaar voor zijn werkzaamheden als advocaat (productie M20). Medio augustus 2010 is [eiser] op therapeutische basis weer met werkzaamheden begonnen. In december 2010 werkt hij weer fulltime (akte na comparitie p. 17 noot 40).

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] uiterlijk op 7 juni 2010 ermee bekend was dat [gedaagde] in november 1992 bij de vader van [eiser] mogelijk verwijtbaar de diagnose angina pectoris had gemist en dat [gedaagde] de cardioloog [B ] mogelijk van valse informatie had voorzien. Verder blijkt hieruit dat hij toen een verband heeft gelegd tussen het overlijden van zijn vader, de verwijten aan [gedaagde] rond het overlijden en zijn eigen psychische problemen, en dus met de schade. Dat hij er eerst achteraf, in 2014, ermee bekend raakte dat psychiater [C] de diagnose PTSS had gesteld, is hierbij niet doorslaggevend.

Voorts blijkt uit het voorgaande dat [eiser] zich op 7 juni 2010 realiseerde dat hij mogelijk een vordering had op [gedaagde] , en verder dat in ieder geval vanaf december 2010 bij hem geen psychische stoornis (meer) aanwezig was. Hieruit volgt dat hij vanaf december 2010 tot 16 november/1 december 2012, dus gedurende bijna twee jaar, in de gelegenheid is geweest nog tijdens de lopende verjaringstermijn een aansprakelijkstelling aan [gedaagde] te doen uitgaan of hem te dagvaarden. Anders dan in de zaak [naam] /De Schelde is de schade bij [eiser] dus niet tot na het einde van de verjaringstermijn verborgen gebleven. Aan de beoordeling van de in [naam] /De Schelde geformuleerde doorbrekingsgronden wordt daarom niet toegekomen. Hetzelfde geldt voor de andere (niet in [naam] /De Schelde genoemde) doorbrekingsgronden die [eiser] heeft aangevoerd (akte na comparitie punt 75 e.v.), en voor zijn beroep op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


4.10.

[eiser] heeft nog aangevoerd dat na 2010 opnieuw psychische problemen bij hem zijn ontstaan, en dat hij zich vanaf 28 september 2012 opnieuw onder behandeling bij psychiater [C] heeft gesteld (productie D1). Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij gedurende deze periode tot het einde van de verjaringstermijn op 16 november 2012 niet in staat was adequate actie te ondernemen. Wel heeft hij onderbouwd dat hij in de jaren nadien daartoe niet in staat was, maar dat is niet relevant omdat toen de verjaringstermijn reeds ten onrechte ongebruikt was verstreken. Ook de (eerste) sommatie van 20 januari 2014 kan om deze reden geen doel treffen.


4.11.

Ook overigens heeft [eiser] geen feiten of omstandigheden gesteld die het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Het beroep op verjaring treft dus doel.


De vordering met betrekking tot het niet geven door [gedaagde] van openheid van zaken aan [eiser]


4.12.

Met betrekking tot de vordering tot betaling van € 900,-- aan immateriële schade als gevolg van het niet geven door [gedaagde] van openheid van zaken aan [eiser] omtrent zijn diagnostiek ten aanzien van de vader van [eiser] en omtrent zijn ( [gedaagde] ) communicatie met het ziekenhuis voert [eiser] aan dat deze vordering buiten het bereik van de lange verjaringstermijn valt (akte na comparitie punt 9 e.v.). Hij stelt daartoe dat hij pas op zijn vroegst in 2010 zich had behoren te realiseren dat hij belang had bij openheid van zaken omtrent de diagnostiek van [eiser] en zijn mededelingen aan de cardioloog [B ] .


4.13.

Naar de kantonrechter begrijpt is volgens [eiser] met betrekking tot deze vordering in 2010 een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen, welke ten tijde van de sommatie van 20 januari 2014 nog niet verstreken was.

Dit betoog is onjuist. Indien ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde] inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld door in 2010 onvoldoende openheid tegenover [eiser] te betrachten, berust dit in wezen op het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde] in 1992. In het voorgaande is reeds geoordeeld dat de vorderingen op grond van dat eventuele onrechtmatig handelen zijn verjaard. Ook het eventuele onrechtmatig handelen van [gedaagde] in 2010, dus tijdens de verjaringstermijn, welk handelen er in feite op neerkomt dat [gedaagde] heeft betwist dat hij in 1992 onrechtmatig heeft gehandeld, wordt door deze verjaring getroffen. Indien met betrekking tot dit handelen in 2010 een nieuwe verjaringstermijn zou zijn gaan lopen, zou dit afbreuk doen aan de rechtszekerheid die de lange verjaringstermijn beoogt te beschermen. Het zou er anders immers op neerkomen dat het beweerde onrechtmatig handelen in 1992 waarop het latere verwijt in 2010 is gebaseerd, ook na het verstrijken van de lange verjaringstermijn (toch) nog aan de orde zou kunnen worden gesteld. Ten overvloede geldt hierbij nog dat [eiser] ook met betrekking tot het beweerde niet geven van voldoende openheid gedurende bijna twee jaar de gelegenheid heeft gehad [gedaagde] aansprakelijk te stellen en/of te dagvaarden. Hij heeft dit niet gedaan.


De vordering om [gedaagde] te bevelen [eiser] nader te informeren


4.14.

Ook met betrekking tot zijn vordering om [gedaagde] te bevelen hem volledig en schriftelijk te informeren omtrent a) hetgeen door zijn vader aan [gedaagde] tijdens het consult van 16 november 1992 en nadien is verteld omtrent zijn gezondheidsklachten en b) hetgeen in het najaar van 1992 aan communicatie heeft plaatsgehad door [gedaagde] ((s) assistente) en de cardioloog [B ] c.q. de medewerkers van de ambulance in het ziekenhuis, stelt [eiser] dat deze buiten de lange verjaringstermijn valt.


4.15.

Ook deze problematiek is door [eiser] in de gesprekken met [gedaagde] in 2010 aan de orde gesteld. In feite berust deze vordering op de stelling van [eiser] in deze procedure dat [gedaagde] in strijd met de waarheid onder andere heeft verklaard dat de vader van [eiser] tot tweemaal toe een nadere analyse van angina pectoris zou hebben afgehouden en dat de vader van [eiser] rookte. Ook deze vordering berust in wezen op het handelen van [gedaagde] in 1992 en wordt dus eveneens getroffen door de inmiddels verstreken lange verjaringstermijn, waartoe de kantonrechter verwijst naar hetgeen zojuist in punt 4.13 is overwogen.


Slotsom


4.16.

Uit het voorgaande volgt dat alle vorderingen van [eiser] verjaard zijn, en dat deze dus moeten worden afgewezen. De kantonrechter heeft kennis genomen van al hetgeen [eiser] voor het overige aan medische en juridische argumenten in deze procedure naar voren heeft gebracht, maar aan de bespreking daarvan wordt vanwege het geslaagde beroep op verjaring niet toegekomen. Dit geldt ook voor de overige verweren van [gedaagde] . Aan bewijslevering wordt evenmin toegekomen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, welke worden begroot op € 1.200,-- (drie maal tarief € 400,--) aan salaris gemachtigde.



5De beslissing


De kantonrechter:


wijst de vordering af;


veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200, aan salaris gemachtigde;


verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.