Rechtbank Midden-Nederland, 24-05-2017 / 437430 / HA RK 17-90


ECLI:NL:RBMNE:2017:2845

Inhoudsindicatie
Wrakingszaak.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-24
Publicatiedatum
2017-06-14
Zaaknummer
437430 / HA RK 17-90
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER


Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 437430 / HA RK 17-90


Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

24 mei 2017


op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:


[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker),


gemachtigde: mr. R.F. Kruijskamp.



1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het wrakingsverzoek van 24 april 2017, ingekomen op 25 april 2017;

- de schriftelijke reactie van mr. R.A. Steenbergen van 4 mei 2017.


1.2.

Het wrakingsverzoek is op 12 mei 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).


Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoeker en mr. R.F. Kruijskamp.

Mr. Kruijskamp heeft het wrakingsverzoek toegelicht aan de hand van ter zitting overgelegde en voorgehouden pleitnotities. Mr. Steenbergen is met bericht van verhindering niet verschenen. De belanghebbende, [bewindvoerderskantoor] B.V. is behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen.


1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.


2Het wrakingsverzoek


2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. R.A. Steenbergen als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer 5806256 UE VERZ 17-116.


2.2.

Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. Bij beslissing van de rechtbank Gelderland van 18 mei 2016 is verzoeker ten onrechte onder bewind gesteld. Deze onderbewindstelling is per 15 december 2016 opgeheven. Door de onderbewindstelling heeft verzoeker ernstige hinder ondervonden en financieel nadeel geleden. Verzoeker heeft de aangestelde bewindvoerder medio 2016 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. Voor een te entameren bodemprocedure heeft verzoeker besloten eerst nader onderzoek te verrichten in de vorm van een voorlopig

getuigenverhoor. Door verzoeker is hiertoe een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Gelderland op 30 januari 2017 tot het horen van dertien getuigen, onder wie een tweetal medewerkers van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen. Op 10 maart 2017 is door de rechtbank Gelderland een beschikking gegeven strekkende tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zoals verzocht. Daarbij is bepaald dat van de verzochte getuigen in eerste instantie vijf getuigen zullen worden gehoord nader op te geven door verzoeker en dat tijdens het voorlopige getuigenverhoor besproken zal worden of de overige getuigen ook gehoord dienen te worden. De zaak is vervolgens ter verdere afhandeling verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland.


2.3.

Bij brief van 23 maart 2017 heeft verzoeker conform de beschikking van de rechtbank Gelderland de vijf getuigen die hij als eerste wenst te horen opgegeven, zijnde twee medewerkers van de rechtbank Gelderland, een medewerker van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en twee medewerkers van [bewindvoerderskantoor] .


2.4.

Vervolgens is bij brief van de rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2017 namens de rechter het volgende aan verzoeker medegedeeld:

“(..) Het verzoek is gericht tegen de vennootschap van de heer [A] en strekt ertoe getuigen te doen

horen die licht werpen op de vraag of die vennootschap op onrechtmatige wijze het bewind van

verzoeker heeft bewerkstelligd. Naar het de rechtbank voorkomt zal allereerst het verhoor van de

bestuurder en de werknemers van die vennootschap daartoe aangewezen zijn, evenals het verhoor van

verzoeker zelf en mogelijk ook het verhoor van zijn kinderen.

Of het ook dient te komen tot het verhoor van de door verzoeker vermelde medewerkers van de

rechtbank te Arnhem en van een raadsheer in het gerechtshof Amhem-Leeuwarden, hangt naar

inschatting van de rechtbank af van hetgeen de eerder genoemde getuigen zullen kunnen verklaren.

Indien naar stelling van verzoeker aan de feitelijke gang van zaken in de rechtbank en bij het hof

(omtrent de behandeling van het toenmalige verzoek tot onderbewindstelling en het gevolgde appel)

argumenten zijn te ontlenen die voor zijn vordering jegens de genoemde vennootschap relevant zijn, ligt

de vraag voor of de inlichtingen van die justitiemedewerkers niet (wellicht zelfs beter en sneller) te

verkrijgen zijn door aan hen een ambtsbericht te vragen ten aanzien van de gewenste vraagpunten.

Uitgaande van een en ander verzoekt de rechtbank mr. R.F. Kruijskamp gemachtigde van verzoeker om

de eerstegnoemde vijf getuigen op te roepen voor de zitting van maandag 22 mei 2017. Op die

verhoordag zal vervolgens besproken kunnen worden of ook de overige gewenste getuigen mogen

worden voorgebracht.(..)”

Verzoeker meent dat door de rechter een volstrekt andere voorkeur wordt gegeven van de eerste vijf te horen getuigen en dat de brief zo over komt dat de opgegeven getuigen mogelijk niet worden gehoord of dat dit door de rechter zou kunnen worden ontzegd in strijd met de eerdergenoemde beschikking van de rechtbank Gelderland. Dit blijkt met name uit de laatste zin op pagina 1 van de brief waar staat vermeld dat op de zitting kan worden besproken of ook de overige getuigen mogen worden voorgebracht. Dit wordt bovendien gestaafd door de mededeling dat inlichtingen van de medewerkers van de rechtbank Gelderland en de medewerker van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wellicht beter en sneller via een ambtsbericht kunnen worden verzocht. Dit zou verzoeker de mogelijkheid ontnemen de betreffende getuigen te doen horen en brengt een ernstige inbreuk mee op het door verzoeker nog te vergaren bewijs. Het handelen van de rechter brengt de schijn van vooringenomenheid met zich mee, als ook dat de waarde aan de objectiviteit van de rechter ernstig in twijfel wordt getrokken. Bij verzoeker is de indruk ontstaan dat de rechter het niet op zijn plaats vindt om medewerkers van de rechtbank Gelderland en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te doen horen.


2.5.

Mr. Steenbergen heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij zich op het standpunt dat in het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor twaalf getuigen door verzoeker zijn opgegeven. Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2017 is het verzoek toegewezen en is bepaald dat in eerste instantie vijf door verzoeker op te geven getuigen kunnen worden gehoord en dat tijdens de verhoren kan worden besproken of ook de overige getuigen gehoord moeten worden. Op 15 maart 2017 is door de rechtbank een brief van verzoeker ontvangen waarin hij vijf getuigen opgeeft. De rechter heeft zich bij het lezen van dit schrijven beraden over de vraag wat een verstandig processueel verloop van de verhoren zou kunnen zijn. Enerzijds moet rekening worden gehouden met het belang van verzoeker door de getuigenverhoren duidelijkheid te verkrijgen omtrent zijn onderliggende geschil en anderzijds moet op optimale wijze gebruik worden gemaakt van de beschikbare zittingsruimte. Het leek de rechter in dat licht bezien niet voor de hand te liggen om te starten met vijf getuigen van wie drie justitiemedewerker zijn. De eerste zittingsdag zal in ieder geval gevuld kunnen worden met het horen van getuigen over de door de rechter genoemde eerste twee bewijsthema’s, te weten het al dan niet bestaan van toenmalige gronden die tot de onderbewindstelling konden leiden en hetgeen er omtrent een onderbewindstellingsverzoek tussen verzoeker en [A] is besproken. Dat het de rechter niet aangewezen lijkt om die dag ook drie justitiemedewerkers te horen vindt zijn grond in de mogelijkheid om eerst aan die medewerkers te vragen hun antwoorden op de door verzoeker voorgenomen vragen schriftelijk, middels een ambtsbericht, aan de rechtbank te doen toekomen, hetgeen de rechter op de zitting van 22 mei 2017 met partijen wilde bespreken. Als die mogelijkheid wordt benut en die antwoorden schriftelijk voorhanden komen kan vervolgens in overleg met partijen worden beslist of de justitiemedewerkers toch nog als getuigen ter zitting moeten worden gehoord. Dat is de strekking van de brief die de rechter op 14 april 2017 aan verzoeker heeft doen toekomen en waarin een en ander in de vorm van een verzoek aan verzoeker is meegedeeld. Anders dan in het wrakingsverzoek wordt gesuggereerd ligt in die brief niet besloten dat het verhoor ter zitting van die justitiemedewerkers hoe dan ook niet door hem zal worden toegestaan. Voor zover verzoeker in het wrakingsverzoek bedoelt te stellen dat de toewijzing van het verzoek een voorlopig getuigenverhoor te houden het recht impliceert om alle door verzoeker voorgestelde getuigen te doen horen en/of de regie uitsluitend bij verzoeker berust, is dat onjuist. De toewijzende beslissing houdt in dat een eerste zittingsdag zal kunnen worden gebruikt voor het horen van vijf getuigen, waarbij het verdere verloop zal worden bepaald door de verhorende rechter.

Er is aldus geen grond waaruit volgt dat de objectief gerechtvaardigde schijn bestaat dat de rechter in de behandeling van de voorlopige getuigenverhoren niet onbevooroordeeld is.


3De beoordeling


3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.


3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.


3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.


3.4.

De wrakingskamer oordeelt als volgt.


3.5.

Bij beschikking van 10 maart 2017 heeft de rechtbank Gelderland het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. De rechter heeft zich, zoals in zijn reactie op het wrakingsverzoek door hem nader is toegelicht, beraden over de vraag wat een verstandig processueel verloop van de verhoren zou kunnen zijn. Daarop heeft de rechter verzoeker laten weten dat in afwijking van de door verzoeker voorgedragen getuigen voor het getuigenverhoor van 22 mei 2017 het de rechter voorkomt dat eerst de bestuurder van de besloten vennootschap [bewindvoerderskantoor] en de werknemers van die vennootschap alsmede verzoeker zelf en zijn kinderen dienen te worden gehoord. De rechter heeft verder aangegeven dat het verhoor van de juridisch medewerkers van de rechtbank Gelderland en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden afhangt van hetgeen de eerder genoemde getuigen zullen hebben verklaard. Daarbij wordt de vraag opgeworpen of het eventueel horen van de juridisch medewerkers niet beter en sneller middels een ambtsbericht kan worden gerealiseerd. Ten aanzien van deze getuigen en de overige nog door verzoeker verzochte getuigen zal volgens de rechter op de verhoordag worden besproken of deze getuigen mogen worden voortgebracht. Het bezwaar van verzoeker ziet op het feit dat de rechter geen juiste uitvoering geeft aan de beslissing van de rechtbank Gelderland door af te wijken van de door verzoeker opgegeven eerste vijf getuigen, het voorstel de juridisch medewerkers van de rechtbank Gelderland en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden middels een ambtsbericht te doen horen en te bepalen dat op de eerste verhoordag zal worden besproken of deze en andere getuigen later mogen worden voortgebracht. Verzoeker meent dat deze omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.


3.6.

De inhoud van de brief van 14 april 2017 kan naar het oordeel van de wrakingskamer slechts worden aangemerkt als procesbeslissingen. Van dergelijke beslissingen kan de juistheid in beginsel niet door deze wrakingskamer worden getoetst. Slechts indien de beslissingen dermate onbegrijpelijk zijn dat deze een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de bij hem bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Van het laatste is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake. Hoewel de beslissingen en overwegingen van de rechter nader uiteengezet in zijn reactie op het wrakingsverzoek zien op een voortvarend en efficiënt procesverloop zijn die in het licht van de eerdere beschikking van de rechtbank Gelderland voor verzoeker niet goed te begrijpen. In deze beschikking is beslist dat “in overleg met de verzoekende partij zullen in eerste instantie vijf getuigen worden gehoord, nader op te geven door de verzoekende partij” en “Tijdens het voorlopig getuigenverhoor zal besproken worden of de overige getuigen ook gehoord dienen te worden”. Verzoeker heeft conform deze beslissing bij brief van 23 maart 2017 de eerste vijf getuigen opgegeven. De stelling van de rechter dat de toewijzende beslissing van de rechtbank Gelderland inhoudt dat de eerste zittingsdag zal kunnen worden gebruikt voor het horen van vijf getuigen en het verdere verloop zal worden bepaald door de verhorende rechter, is niet juist. Aan een beschikking van de rechtbank moet uitvoering worden gegeven, zoals besloten, en de beschikking van de rechtbank Gelderland is in dat kader helder. De brief die de rechter op 14 april 2017 ten behoeve van het voorlopig getuigenverhoor aan verzoeker heeft doen toekomen is niet in lijn met deze beschikking. De rechter geeft in zijn toelichting op het wrakingsverzoek aan welke vijf getuigen als eerste aangewezen zijn en verzoekt verzoeker om deze getuigen voor de zitting op te roepen. Dat de rechter deze getuigen op de eerste verhoordag wil horen ligt, gelet op zijn toelichting dat hij dit wilde doen door de aan de orde zijnde bewijsvragen, voor de hand, maar betreft deels andere getuigen dan door verzoeker opgegeven. In de brief wordt aan verzoeker niet uitgelegd waarom de rechter voor die andere getuigen kiest. De wrakingskamer leest vervolgens in de brief dat “op die verhoordag zal vervolgens besproken kunnen worden of ook de overige gewenste getuigen mogen worden voorgebracht”. In tegenstelling tot hetgeen de rechter in zijn toelichting op het wrakingsverzoek heeft verwoord, komt aan de rechter-commissaris geen discretionaire bevoegdheid toe bij het “weigeren” van door partijen voorgedragen getuigen en het beletten dat getuigen moeten antwoorden op bepaalde vragen. Slechts in het belang van een goede procesorde mag de rechter-commissaris ingrijpen waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het belang van waarheidsvinding alsmede de voortgang en doelmatigheid van de procedure (zie Hoge Raad 16 december 2011 ECLI:NL:HR:2011:BU3922 [naam] /Cyrte). Daarvan is in het onderhavig geval geen sprake. Ook de suggestie dat de voorgestelde juridisch medewerkers beter kunnen worden gehoord middels een ambtsbericht is niet in lijn met de beschikking van de rechtbank Gelderland en druist in tegen de vrije keus van verzoeker de wijze van bewijslevering te bepalen. Voor zover de rechter met de genoemde brief een ‘verzoek’ aan verzoeker heeft willen doen, waarover nog overleg mogelijk was, volgt dat onvoldoende uit die brief. Het is daarom begrijpelijk dat bij verzoeker de vrees is ontstaan dat de rechter de voorgestelde juridisch medewerkers niet wil en zal horen.


3.7.

Alles overziende zijn de beslissingen van de rechter voor verzoeker dusdanig onbegrijpelijk dat dit tot het oordeel leidt dat bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de rechter hem (mogelijk) niet in de gelegenheid zal stellen de door hem van belang geachte getuigen te horen en daardoor is bij verzoeker de schijn gewekt dat er bij de rechter sprake is van vooringenomenheid.


3.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking dan ook gegrond verklaren.


4De beslissing


De wrakingskamer:


4.1.

verklaart het verzoek tot wraking gegrond;


4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank.






Deze beslissing is gegeven door mr. R.M. Berendsen, voorzitter, mr. A. van Dijk en

mr. G.J.J.M. Essink als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.



de griffier de voorzitter










Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.