Rechtbank Midden-Nederland, 02-06-2017 / UTR 16/780


ECLI:NL:RBMNE:2017:2917

Inhoudsindicatie
onbevoegdheid rechtbank Midden-Nederland inzake vergoeding rechtsbijstand Wrp; inhoudelijke afdoening in belang van partijen
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-02
Publicatiedatum
2017-06-26
Zaaknummer
UTR 16/780
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/780


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , Australië, eiser

en


Raad voor de Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. C. de Jong).



Procesverloop


Bij besluit van 15 januari 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aan eiser

toegekende vergoeding voor rechtsbijstand op grond van de toevoeging met kenmerk

1FO4404 ingetrokken.


Bij afzonderlijk besluit van 15 januari 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aan

eiser toegekende vergoeding voor rechtsbijstand op grond van de toevoeging met kenmerk

1FD7283 ingetrokken.


Bij besluit van 24 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2017. Eiser is, zoals hij tevoren aan de rechtbank heeft bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Het beroepschrift van eiser is gericht tegen een besluit op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). De rechtbank stelt voorop dat gelet op de uitspraak van 2 maart 2016 van de Afdeling Bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2016:546 inzake het jurisdictiegeschil, zij niet bevoegd is om van het beroepschrift kennis te nemen. De rechtbank heeft daarom op 19 april 2016 onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van 2 maart 2016 het beroep voor behandeling verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant, als bevoegde rechtbank op grond van de Wrb.


2. De rechtbank Oost-Brabant heeft zich in haar mondelinge uitspraak van 21 oktober 2016 evenwel onbevoegd verklaard op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft de zaak voor behandeling terugverwezen naar deze rechtbank. De rechtbank overweegt dat zij, hoewel onbevoegd, in dit geval vanwege het belang van partijen bij een spoedige en finale beslechting van hun geschil, het beroep nu zelf inhoudelijk zal afdoen. Van de zijde van partijen zijn hiertegen geen bezwaren geuit.


3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is als advocaat-belastingkundige - onder meer - verbonden geweest aan [advocatenkantoor] N.V. te [vestigingsplaats] . [A] (hierna: [A] ) was destijds eveneens als advocaat bij dit kantoor werkzaam. [A] is per 1 december 2012 van kantoor gewisseld en gaan werken bij [advocatenkantoor] te [vestigingsplaats] , waar mr. [B] (hierna: [B] ) zijn kantoorgenote was.


4. Bij besluit van 17 augustus 2011 heeft verweerder een toevoeging met kenmerk 1FO4404 verleend aan eiser voor het verlenen van rechtsbijstand aan rechtzoekende [C] . Eiser heeft op 18 april 2013 bij verweerder een aanvraag om vergoeding van de op grond van deze toevoeging verleende rechtsbijstand ingediend. Verweerder heeft de gevraagde vergoeding bij besluit van 10 mei 2013 geweigerd omdat gebleken is dat de werkzaamheden zijn verricht door [A] die geen toegevoegd advocaat is in deze kwestie. Bij besluiten van 27 augustus 2013 respectievelijk 13 november 2013 heeft verweerder eiser alsnog een vergoeding van € 990,78 toegekend. Op 15 oktober 2013 heeft [B] een aanvraag om vergoeding ingediend in verband met overname van de werkzaamheden van [A] . Bij besluit van 14 januari 2015 heeft verweerder de vergoeding toegekend aan [B] . Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit 1 de aan eiser toegekende vergoeding ingetrokken.


5. Daarnaast heeft verweerder bij besluit van 22 juli 2010 een toevoeging met kenmerk 1FD7283 verleend aan [A] voor het verlenen van rechtsbijstand aan rechtzoekende [D] . Eiser heeft op 27 februari 2013 middels indiening van een formulier “declaratie toevoeging waarbij de declarant niet de toegevoegde raadsman/vrouw is” verzocht om vergoeding voor de werkzaamheden onder deze toevoeging. Bij besluit van 18 maart 2013 heeft verweerder de gevraagde vergoeding geweigerd wegens het ontbreken van een zogenoemde ‘akkoordverklaring’ van de toegevoegd raadsman. Bij besluiten van 5 april 2013 respectievelijk 30 mei 2013 heeft verweerder eiser alsnog een vergoeding van € 1.004,71 toegekend. Op 15 oktober 2013 heeft [B] een declaratieverzoek ingediend, waarna verweerder bij besluit van 14 januari 2015 de vergoeding heeft toegekend aan [B] . Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit 2 de aan eiser toegekende vergoeding ingetrokken.


6. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de toevoeging met kenmerk 1FO4404 is verleend aan eiser, maar dat uit de overgelegde urenspecificatie en het afschrift van de eindbeslissing in deze zaak blijkt dat [A] de werkzaamheden heeft verricht tot februari 2013 waarna de werkzaamheden zijn overgenomen door [B] en zijn beëindigd in maart 2013. Daarom is geen sprake van verlening van rechtsbijstand in de zin van artikel 2 van het Besluit rechtsbijstandverlening (Brv) door eiser. Over de toevoeging met kernmerk 1FD7283 heeft verweerder overwogen dat deze is verleend aan [A] , maar dat uit de overgelegde urenspecificatie en het afschrift van de eindbeslissing in deze zaak blijkt dat [A] werkzaamheden heeft verricht tot januari 2013 waarna de werkzaamheden zijn overgenomen door mr. [E] die op dat moment kantoorgenote was van [A] en door [B] die de werkzaamheden tot eind mei 2013 heeft overgenomen. Daarom is ook in deze zaak geen sprake van verlening van rechtsbijstand in de zin van artikel 2 van het Bvr door eiser.


7. Eiser voert aan dat hij in beide zaken de toegevoegd advocaat was in de zin van artikel 13, eerste lid van de Wrb. Eiser stelt dat het binnen het samenwerkingsverband met [A] was toegestaan om een ander dan de toegevoegd advocaat de werkzaamheden te laten verrichten. [A] heeft op 1 december 2012 het samenwerkingsverband verlaten. Eiser is met [A] overeengekomen dat hij zijn zaken, na verkregen toestemming van de rechtzoekende, mocht meenemen maar dat het declaratierecht bij het oude kantoor bleef. Eiser is daarbij als declarant benoemd. Bij iedere declaratie heeft eiser een door [A] ondertekende verklaring gevoegd. Deze verklaring hield in dat [A] ermee akkoord gaat de op zijn naam gestelde toevoegingen die zijn verstrekt vóór of op 31 december 2011, door eiser worden gedeclareerd en uitbetaald en dat de vergoeding tussen de rechtsbijstandverleners onderling wordt verrekend. Verweerder was op de hoogte van de regeling tussen hem en [A] . Eiser verwijst hiervoor naar een lijst met toevoegingen in andere zaken waarin hij met voornoemd declaratieformulier vergoedingen toegekend heeft gekregen. Eiser stelt dat de mutatie van de toevoeging op naam van [B] onrechtmatig is, omdat die zonder zijn toestemming is gedaan. Eiser acht zich daarom niet gehouden om de vergoeding te restitueren. Op grond van een akte van cessie zijn de declaratierechten van door [A] gewerkte uren op eiser overgegaan. Eiser meent dat de vergoeding daarom terecht aan hem is toegekend. Eiser voert verder aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de vergoeding in te trekken. Volgens eiser is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die intrekking van de toegekende vergoedingen rechtvaardigen. Eiser acht de intrekking van de vergoedingen voorts in strijd met het vertrouwensbeginsel en het ne bis in idem-beginsel, omdat de gedeclareerde toevoeging nogmaals onderwerp is geworden van een bestuursrechtelijke procedure.


8. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat uitgangspunt is dat de toegevoegde rechtsbijstandverlener een vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden en dat bij overname van de toevoeging de vergoeding wordt toegekend aan de laatst toegevoegde rechtsbijstandverlener. Als een toevoeging wordt gedeclareerd door een niet-toegevoegde advocaat die bij een ander kantoor werkzaam is dan de toegevoegde advocaat, kent verweerder alleen een vergoeding toe indien een machtiging of akkoordverklaring van de toegevoegde advocaat wordt overgelegd. Verweerder merkt op dat er een verschil van mening is ontstaan tussen eiser en [A] over de verklaringen waarin [A] akkoord is gegaan met toekenning van de vergoeding aan eiser en dat hierover een klachtprocedure is gevoerd bij de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten (de Raad). De Raad heeft de klacht van eiser ongegrond verklaard, omdat de waarheid over de handtekening op de verklaring niet meer achterhaald kan worden. Gelet hierop ziet verweerder aanleiding om deze akkoordverklaringen buiten beschouwing te laten.


9. Op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb verstrekt verweerder aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.


10. Op grond van artikel 30 van het Bvr kan verweerder, indien na de vaststelling van de vergoeding feiten of omstandigheden bekend worden waarvan verweerder redelijkerwijs niet bij de vaststelling op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de vergoeding lager zou zijn vastgesteld, dan wel indien de vaststelling onjuist was en de rechtsbijstandverlener dit wist of behoorde te weten, de vaststelling met terugwerkende kracht wijzigen of intrekken, tenzij vijf jaren zijn verstreken sedert de dag van de vaststelling.


11. De rechtbank overweegt dat de vergoeding voor rechtsbijstand een subsidie is waarop artikel 4:21 en verder van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de subsidietitel, van toepassing is. Dit betekent dat intrekking van de vergoeding slechts is toegestaan indien aan een van de voorwaarden van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb is voldaan.


12. Voor wat betreft de zaak met toevoegingskenmerk 1FO4404 overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde declaratie, de urenstaat en de eindbeslissing, blijkt dat de werkzaamheden voor de rechtsbijstand aan rechtzoekende [C] zijn verricht door [A] en vervolgens door [B] . In de zaak met toevoegingskenmerk 1FD7283 zijn de werkzaamheden voor rechtzoekende [D] verricht door [A] en nadien door van [E] en [B] . Nu de werkzaamheden in de zaken met voornoemde toevoegingskenmerken niet zijn verricht door eiser, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verlening van rechtsbijstand in de zin van artikel 2, eerste lid, van het Bvr door eiser. De advocaat is immers verplicht om de zaak waarin hij is toegevoegd persoonlijk te behandelen. Eisers betoog dat hij de vergoeding heeft gedeclareerd op grond van een akkoordverklaring van [A] (akte van cessie) kan niet leiden tot een ander oordeel. Uit de beslissing van de Raad van 22 juni 2015 blijkt dat de waarheid over de vraag of de handtekening op de akkoordverklaring is vervalst, niet meer achterhaald kan worden. Verweerder heeft daarom deze akkoordverklaring van [A] bij de beoordeling van de juistheid van de declaraties buiten beschouwing kunnen laten.


13. De rechtbank concludeert dat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen verweerder bevoegd was om op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb de vergoedingen in te trekken.


14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om af te zien van de intrekking en terugvordering van de aan eiser verstrekte vergoedingen. Niet gezegd kan worden dat de gevolgen van de intrekking en terugvordering van de vergoedingen voor eiser zodanig onevenredig zijn dat verweerder in dit geval gelet op het belang van een juiste vaststelling van de vergoeding, zijnde gemeenschapsgeld, deze niet meer mocht herzien. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder de uitspraak van de Raad over de klachtzaak tussen eiser en [A] heeft afgewacht alvorens de vergoedingen definitief in te trekken. Dat verweerder in andere toevoegingszaken waarin [A] de werkzaamheden heeft verricht, aan eiser hiervoor wel vergoedingen heeft toegekend, maakt niet dat verweerder de onderhavige vergoedingen daarom niet meer mocht intrekken. In die zaken heeft verweerder, anders dan hier, geen bericht ontvangen dat [A] geen toestemming heeft verleend om de vergoeding op naam van eiser te stellen. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake. Evenmin is sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel, het algemeen rechtsbeginsel dat niet meermalen mag worden geoordeeld over een zelfde zaak. Verweerder heeft daarom in redelijkheid de ten onrechte uitbetaalde vergoedingen van € 990,78 en

€ 1.004,71 van eiser kunnen terugvorderen.



15. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toekennen van een vergoeding voor proceskosten in bezwaar, zoals hij in het verweerschrift heeft toegelicht. Van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb is geen sprake.


16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.