Rechtbank Midden-Nederland, 30-06-2017 / 16/707139-15 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:3251

Inhoudsindicatie
Utrecht – De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 37-jarige man uit Wijk bij Duurstede tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor afdreiging, schending van zijn ambtsgeheim en computervredebreuk. Dreigen De verdachte, die werkzaam was als politieagent, noteerde op homo-ontmoetingsplaatsen de kentekens van geparkeerde auto’s. Met de inloggegevens van een collega zocht hij in de polititiesystemen de eigenaren van de betreffende auto’s op. Hij stuurde in totaal 29 slachtoffers een brief waarin hij dreigde foto’s van hun activiteiten op de homo-ontmoetingsplaats openbaar te maken, tenzij het slachtoffer 1000 euro aan bitcoins zou betalen. Op deze wijze heeft verdachte geprobeerd een groot aantal personen af te dreigen. Slachtoffers Verdachte heeft door zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van kwetsbare slachtoffers. Diverse slachtoffers hebben bij de politie verklaard dat zij in de veronderstelling verkeerden dat er daadwerkelijk foto’s waren gemaakt en dat deze foto’s openbaar zouden worden gemaakt als zij niet zouden betalen. Bovendien bestond bij sommigen de indruk dat zij naar hun huis waren gevolgd. Verminderd toerekeningsvatbaar Deskundigen hebben een persoonlijkheidsstoornis bij de verdachte vastgesteld en achten hem verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf aanzienlijk te matigen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een gevangenisstraf voor deze verdachte mede gezien het feit dat hij werkzaam is geweest als politieagent, extra zwaar zal wegen. Behandeling De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat de verdachte wordt behandeld. Om die reden wordt een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd en worden hier bijzondere voorwaarden aan verbonden als reclasseringstoezicht en een behandeling. Daarnaast moet de verdachte aan drie slachtoffers schadevergoedingen betalen van in totaal 3618 euro.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-30
Publicatiedatum
2017-06-30
Zaaknummer
16/707139-15 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/707139-15 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1980] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , op het adres [adres] .

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.M.F. Aarts, advocaat te Amsterdam, alsmede van hetgeen de benadeelde partij, [benadeelde 1] en de benadeelde partij [benadeelde 2] , bijgestaan door mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Oosterbeek, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


Feit 1:

zich in de periode van 29 april 2015 tot en met 30 april 2015 te Hilversum en/of Wijk bij Duurstede schuldig heeft gemaakt aan poging tot afdreiging van [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 1] ;


Feit 2:

zich in de periode van 26 januari 2014 tot en met 29 april 2015 te Hilversum en/of Wijk bij Duurstede schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke schending van zijn ambtsgeheim;


Feit 3:

zich in de periode van 26 januari 2014 tot en met 10 september 2014 te Hilversum schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk.


Zestien pogingen tot afdreiging (met dezelfde pleegperiode en pleegplaatsen als genoemd onder feit 1, maar met andere slachtoffers) zijn ad informandum gevoegd.



3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte heeft deze feiten bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:


Feit 1:

  • - het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 3] d.d. 5 mei 2015 (dossierpagina’s 994-996);
  • - het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 4] d.d. 5 mei 2015 (dossierpagina’s 1018-1019);
  • - het proces-verbaal van bevindingen van genoemde datum in de aangifte van [benadeelde 4] d.d. 17 juni 2015 (dossierpagina 1025);
  • - het geschrift, zijnde het niet ondertekend proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 5] d.d. 6 mei 2015 (dossierpagina’s 1126-1127);
  • - het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] d.d. 12 mei 2015 (dossierpagina’s 1218-1219);
  • - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 juni 2017.





Feit 2:

  • - het geschrift, zijnde de akte van aanstelling betreffende verdachte d.d. 9 februari 2010 (dossierpagina 102);
  • - het geschrift, zijnde het proces-verbaal van beëdiging van verdachte (dossierpagina 103);
  • - het proces-verbaal van relaas d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 33);
  • - het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2016 (dossierpagina’s 190-199);
  • - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 juni 2017;

Feit 3:

  • - het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] d.d. 20 april 2016 (dossierpagina’s 1335-1337);
  • - het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2016 (dossierpagina’s 190-199);
  • - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 juni 2017.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


Feit 1:

op tijdstippen in de periode van 29 april 2015 tot en met 30 april 2015 in het arrondissement Midden-Nederland, telkens ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met het openbaar maken van een geheim

[benadeelde 3] (zaak 12) en

[benadeelde 4] (zaak 14) en

[benadeelde 5] (zaak 21) en

[benadeelde 1] (zaak 27),

te dwingen tot de afgifte van geld of goederen, toebehorende aan die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 1] ,

die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 1] middels brief heeft gedreigd foto's van activiteiten bij de parkeerplaats openbaar te maken aan de familie en omgeving van die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 1] , tenzij die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 1] bitcoins ter waarde van 1000 euro zouden kopen via de door verdachte genoemde website ([website]) en daarbij het door verdachte genoemde bitcoinadres in te vullen, waardoor verdachte de beschikking zou krijgen over die bitcoins,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


Feit 2:

op tijdstippen in de periode van 26 januari 2014 tot en met 29 april 2015 te Hilversum, althans in Nederland, telkens geheimen, die hem uit hoofde van zijn ambt als medewerker Basispolitiezorg A in de rang van hoofdagent bij de eenheid Midden-Nederland kenbaar waren en waarvan hij wist dat hij uit hoofde van ambt verplicht was deze te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door telkens - 77 kentekens te bevragen bij het RDW middels het politiesysteem BVI-IB en - vervolgens van 29 kentekens de bijbehorende naam, adres en woonplaatsgegevens te gebruiken om afdreigingsbrieven te versturen;


Feit 3:

op tijdstippen in de periode van 26 januari 2014 tot en met 10 september 2014 te Hilversum telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk, te weten het politieaccount van [benadeelde 2] , is binnengedrongen door het gebruik van een valse sleutel, te weten het wachtwoord van die [benadeelde 2] .


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


Feit 1:

Poging tot afdreiging, meermalen gepleegd.


Feit 2:

Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.


Feit 3:

Computervredebreuk, meermalen gepleegd.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten en zestien ad informandum gevoegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.


De officier van justitie heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd. De ernst van de feiten, het aantal slachtoffers in deze zaak, de schending van het ambtsgeheim door verdachte en de omstandigheid dat de collega van verdachte, [benadeelde 2] , lange tijd onterecht als verdachte is aangemerkt, maken dat deze zaak zich voor niets anders leent dan een gevangenisstraf. De door de reclassering geadviseerde taakstraf, eventueel gecombineerd met een deels voorwaardelijke straf, doet geen recht aan de ernst van deze zaak.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en heeft daartoe gewezen op het feit dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en spijt heeft betuigd. Voorts heeft verdachte een blanco strafblad en heeft hij na zijn aanhouding op eigen initiatief professionele hulp gezocht bij De Waag. Ook heeft de verdediging erop gewezen dat uit de Pro Justitia-rapportage blijkt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was en dat zowel uit deze rapportage, als uit het reclasseringsadvies blijkt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. De behandelend psycholoog van verdachte bij De Waag heeft d.d. 13 juni 2017 eveneens bevestigd dat het recidiverisico verminderd is. De reclassering heeft afgeraden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gezien de te verwachten ontwrichtende werking van detentie op het gezin van verdachte. Voorts heeft de verdediging gewezen op het tijdsverloop, aangezien verdachte op 7 maart 2016 is aangehouden, het wachten voor verdachte stressvol is en hij daarvoor medicatie gebruikt. Verdachte heeft zijn baan bij de politie verloren en heeft thans werk gevonden als nachtportier. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de voorzichtige positieve ontwikkeling in het leven van verdachte doorkruisen, aldus de verdediging.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de sanctie heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, overweegt de rechtbank als volgt.


Verdachte heeft op homo-ontmoetingsplaatsen van aldaar geparkeerde auto’s de kentekens genoteerd. 77 Kentekens heeft verdachte vervolgens bij het RDW bevraagd via het politieaccount van zijn collega [benadeelde 2] , met wie hij veelvuldig samenwerkte. Verdachte heeft het wachtwoord van zijn collega [benadeelde 2] (hierna ook: [benadeelde 2] ) afgekeken en zonder haar toestemming gebruikt. Vervolgens heeft verdachte, na lange tijd, aan tenminste 29 slachtoffers tegelijkertijd een brief gestuurd, inhoudende dat de slachtoffers naar hun woning zijn gevolgd en dat foto's van de activiteiten bij de parkeerplaats openbaar zouden worden gemaakt aan hun familie en omgeving, tenzij de slachtoffers bitcoins ter waarde van 1.000 euro per persoon zouden kopen en overdragen aan de verdachte. Op deze wijze heeft verdachte geprobeerd een groot aantal personen af te dreigen. Vier pogingen tot afdreiging zijn afzonderlijk tenlastegelegd. Zestien pogingen tot afdreiging zijn ad informandum gevoegd. Bij de beslissing over de op te leggen straf zal de rechtbank tevens rekening houden met de ad informandum gevoegde zaken. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend zich aan die feiten te hebben schuldig gemaakt en de officier van justitie heeft meegedeeld dat zij de verdachte daarvoor niet (meer) zal vervolgen.


Verdachte heeft door zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van kwetsbare slachtoffers. Diverse slachtoffers hebben bij de politie verklaard dat zij in de veronderstelling verkeerden dat er daadwerkelijk foto’s waren gemaakt en dat deze foto’s openbaar zouden worden gemaakt als zij niet zouden betalen. Bovendien bestond bij sommigen de indruk dat zij naar hun huis waren gevolgd. . Dit moet voor de slachtoffers beangstigend zijn geweest. Dat het gevoel van onbehagen groot was, blijkt onder meer uit de ter terechtzitting door [benadeelde 1] afgelegde slachtofferverklaring, inhoudende dat hij daadwerkelijk dacht dat de dader hem tot zijn huis was gevolgd zodat hij de sloten van zijn huis heeft vervangen na ontvangst van de brief. Verdachte heeft niet alleen de slachtoffers en hun gezinnen en omgeving leed toegebracht, maar met zijn handelen ook het vertrouwen van de samenleving in politieambtenaren geschaad. Verdachte heeft verschillende wettelijke voorschriften en zijn ambtsgeheim geschonden terwijl juist van hem, als politieagent, het tegenovergestelde had mogen worden verwacht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.


Tot slot is door de handelswijze van verdachte zijn collega [benadeelde 2] gedurende het opsporingsonderzoek lange tijd als verdachte aangemerkt. Doordat verdachte niet direct na zijn aanhouding openheid van zaken heeft gegeven en pas in een later stadium (drie maanden na zijn aanhouding) een bekennende verklaring heeft afgelegd, heeft [benadeelde 2] lange tijd in onzekerheid moeten verkeren over de afloop van het tegen haar lopende politieonderzoek. Ook is ten aanzien van haar een groot aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden toegepast, waaronder een telefoontap, hetgeen een grote inbreuk heeft gemaakt op haar privacy. Hierdoor is het vertrouwen dat zij had gesteld in haar collega - met wie zij al zes jaar samenwerkte - weggenomen, te meer nu verdachte toen hij bekend werd met het lopende politieonderzoek tegen haar, wist dat haar broer nog geen twee weken daarvoor was overleden.


Wat betreft de persoon van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.


Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit, zoals blijkt uit het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 8 mei 2017.


Voorts is over verdachte een Pro Justitia-rapport opgemaakt d.d. 26 juli 2016, door E. van der Vorst, psycholoog, onder supervisie van F. Jonker, eveneens GZ-psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer in dat bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, alsmede een obsessieve compulsieve persoonlijkheidsstoornis, die dient als coping voor de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, de forse introversie en zijn instabiele zelfbeeld. Er is volgens de psychologen een gelijktijdigheidsverband tussen de vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek en het tenlastegelegde; de persoonlijkheidsproblematiek is een vrij stabiele factor over tijd. Deze persoonlijkheidsproblematiek maakt verdachte bovendien kwetsbaar voor het ontwikkelen van een depressieve stoornis, waarvan bij de aanvang van het tenlastegelegde ook sprake lijkt te zijn geweest. Daarnaast is sprake van een gemiddeld causaliteitsverband, wat voort lijkt te zijn gekomen uit een langdurig hoog en oplopend stressniveau vanuit zowel privé- als werkomstandigheden in combinatie met een fors tekortschietende emotieregulatie en (sociale) copingsvaardigheden die samenhangen met de ontwijkende, introverte en geremde persoonlijkheid. Het tenlastegelegde lijkt te zijn voortgekomen vanuit een krampachtige poging van verdachte om wat grip te verkrijgen door één van zijn problemen aan te willen pakken, namelijk de financiële, gezien de persoonlijkheidsproblematiek niet middels het ventileren van boosheid en onwelbevinden richting anderen maar middels een niet-communicatieve wijze , namelijk het dwangmatig noteren van kentekens.

De reden dat verdachte ondanks het wegvallen van de financiële beweegredenen door schuldhulp voor zijn vriendin toch door is gegaan, lijkt verklaard te kunnen worden vanuit zijn angst voor afwijzing, confrontaties en gezichtsverlies wanneer hij naar zijn baas of familie zou zijn gestapt. De gezonde kanten, zoals zijn goede gewetensontwikkeling en zachte aard, lijken er aan te hebben bijgedragen dat het uiteindelijk versturen van de brieven lang is tegengehouden. De psychologen adviseren verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.


De rechtbank is gelet op de conclusie van de deskundigen van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.


De rechtbank heeft eveneens rekening gehouden met het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 19 januari 2017, waarin is vermeld dat de reclassering het recidiverisico thans als laag inschat.


Voorts blijkt uit een brief van 13 juni 2017 van E. Spapens, als GZ-psycholoog verbonden aan De Waag dat verdachte zich vrijwillig bij De Waag heeft aangemeld en hij daar sinds 4 juli 2016 onder behandeling is. Volgens de behandelaar vinden er wekelijks gesprekken plaats en zet verdachte zich tijdens de behandeling goed in bij het werken aan zijn problemen.


Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een taakstraf en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, het grote aantal slachtoffers, en het feit dat verdachte werkzaam was als politieagent en vanuit die functie toegang had tot informatie. De rechtbank ziet echter in de persoon van verdachte, zoals hiervoor uitvoerig benoemd, aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf aanzienlijk te matigen. Hierbij neemt de rechtbank wel in aanmerking dat de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor deze verdachte, van welke duur dan ook, mede gezien het feit dat hij werkzaam is geweest als politieagent, extra zwaar zal wegen.


Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Hoewel zowel de psycholoog als de reclassering een gedwongen behandelkader niet geïndiceerd achten, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het van groot belang is dat de behandeling van verdachte bij De Waag niet enkel in een vrijwillig kader wordt voortgezet. Om die reden wordt een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd en worden hieraan als bijzondere voorwaarden verbonden reclasseringstoezicht en een behandeling bij De Waag.

9BENADEELDE PARTIJEN


[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en heeft een bedrag van € 550,-aan immateriële schade gevorderd die hij, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en de proceskosten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en heeft een bedrag van € 3.068,- gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 2.300,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit, en € 768,- aan proceskosten (2 punten van het liquidatietarief), alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel..



9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toe te wijzen en hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen het toekennen van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] verzochte vergoeding. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte bereid is schadevergoeding te betalen, maar dat het bij gebrek aan vergelijkbare zaken lastig is te bepalen welk bedrag een redelijke vergoeding vormt.


9.3

Het oordeel van de rechtbank


Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] :

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 550,- (zegge: vijfhonderdenvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 april 2015 tot de dag van volledige betaling.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 550,- (vijfhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 april 2015 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 11 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.


Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] :

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 2.300,- (zegge: tweeduizend driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 september 2014 tot de dag van volledige betaling.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.300,- (tweeduizend driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 september 2014 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 33 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op grond van het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent twee punten toe zodat de kosten worden begroot op € 768,- (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro).



10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 57, 138ab, 272 en 318 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.



11BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.


Verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.


Strafbaarheid

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.


Verklaart verdachte strafbaar.


Oplegging straf en maatregel

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.


Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in minder zal worden gebracht.


Bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.


Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.





Stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

  • - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  • - zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200, 3533 JE te Utrecht, dan wel een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • - zich onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;


Benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 550,- (zegge: vijfhonderdvijftig euro).


Veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2015 tot de dag van volledige betaling.


Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 550,- (zegge: vijfhonderdvijftig euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2015 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 11 dagen hechtenis.


Bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.


Veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 2.300,- (zegge: tweeduizend driehonderd euro).


Veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2014 tot de dag van volledige betaling.


Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 2.300,- (tweeduizend driehonderd euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2014 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 33 dagen hechtenis.



Bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.


Veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op € 768,- (zegge: zevenhonderdenachtenzestig euro).





Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. S.C.A. van Kuijeren en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Rigter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2017.





Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 april 2015 tot en met 30 april 2015 te Hilversum en/of Wijk bij Duurstede, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in ieder geval in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim

[benadeelde 3] (zaak 12) en/of

[benadeelde 4] (zaak 14) en/of

[benadeelde 5] (zaak 21) en/of

[benadeelde 1] (zaak 27),

te dwingen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 1] middels brief heeft gedreigd

- foto's (van activiteiten bij de parkeerplaats) openbaar te maken aan de familie en/of omgeving van die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 1] ,

tenzij die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 1] bitcoins ter waarde van 1000 euro zou(den) kopen via de door verdachte genoemde website ([website]) en/of (daarbij) het door verdachte genoemde bitcoinadres in te vullen, waardoor verdachte de beschikking zou krijgen over die bitcoins,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2014 tot en met 29 april 2015 te Hilversum en/of Wijk bij Duurstede, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in ieder geval in Nederland, (telkens) een of meerdere geheim(en), die hem uit hoofde van zijn ambt en/of beroep en/of wettelijk voorschrift als medewerker Basispolitiezorg A in de rang van hoofdagent bij de eenheid Midden-Nederland kenbaar was/waren en waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van

ambt, beroep of wettelijk voorschrift, verplicht was het/deze te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door (telkens)

- 80, althans een of meerdere kentekens te bevragen bij het RDW middels het politiesysteem BVI-IB en/of

- ( vervolgens) van 29, althans een of meerdere kentekens de bijbehorende naam, adres en woonplaatsgegeven(s) te gebruiken om (een) afdreigingsbrie(f)(ven) te versturen;


3.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2014 tot en met 10 september 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk, te weten de politieaccount van [benadeelde 2] , of in een deel daarvan, is binnengedrongen door het gebruik van een valse sleutel, te weten het wachtwoord van die [benadeelde 2] .


Ad informandum gevoegde strafbare feiten:


Parketnr. Feitgegevens (pleegperiode, -locatie, -plaats, -gemeente, omschr. feit)


707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 1)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 3)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 4)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 6)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 7)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 8)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 10)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 11)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 15)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 16)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 17)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 19)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 23)


707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 24)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 25)

707139-15 29 april 2015 tot en met 30 april 2015, Hilversum Gem. Hilversum

Poging afdreiging (zaak 26)


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 7 april 2016, genummerd PL0900/2016097221, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 001 tot en met 2073. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.