Rechtbank Midden-Nederland, 05-07-2017 / C/16/439316 / KG ZA 17-359


ECLI:NL:RBMNE:2017:3300

Inhoudsindicatie
Toewijzing vordering tot teruglevering van een hond aan zijn eigenaar.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-05
Publicatiedatum
2017-12-28
Zaaknummer
C/16/439316 / KG ZA 17-359
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht


zaaknummer / rolnummer: C/16/439316 / KG ZA 17-359


Vonnis in kort geding van 5 juli 2017


in de zaak van


[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. E.R. Jonkman te Utrecht,


tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.



Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 31 mei 2017
  • - de producties van de zijde van [eiseres]
  • - de producties van de zijde van [gedaagde]
  • - de mondelinge behandeling van 22 juni 2017
  • - de pleitnota van [eiseres]
  • - de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[gedaagde] is eigenaar van de kennel [naam]. Zij is fokster van Welsh Springer Spaniels.


2.2.

[eiseres] heeft in juli 2013 met haar vriendin mevrouw [A] (hierna: [A]), met wie zij destijds samenwoonde, een hond gekocht van (dan wel door tussenkomst van) [gedaagde]. Deze hond wordt [B] genoemd.


2.3.

In december 2016 is de relatie tussen [A] en [eiseres] verbroken. [eiseres] heeft toen de gezamenlijke woning verlaten en heeft [B] met toestemming van [A] meegenomen. [eiseres] heeft vervolgens - in afwachting van passende woonruimte - tijdelijk een kamer in een studentenhuis betrokken. Het bleek echter niet goed mogelijk om [B] in deze kamer toe houden, onder meer omdat hij begon te blaffen als zij de kamer verliet.


2.4.

[eiseres] heeft op 12 februari 2017 een e-mail aan [gedaagde] geschreven. Zij heeft de situatie aan [gedaagde] uitgelegd en heeft haar gevraagd of er opties of mogelijkheden zijn dat [B] tijdelijk voor een aantal maanden naar een gezin zou kunnen totdat zij een eigen woning heeft.


2.5.

[gedaagde] heeft [eiseres] bij e-mail van dezelfde dag geschreven dat zij zal proberen haar te helpen. Hierna heeft tussen [gedaagde] en [eiseres] nog enige correspondentie plaatsgevonden.


2.6.

Bij e-mail van 14 februari 2017 om 14:57 uur schrijft [eiseres] aan [gedaagde] onder meer het volgende:

“Met pijn in mijn hart [gedaagde] wil ik dat je op zoek gaat naar een nieuw gezin voor [B] waar hij hopelijk opnieuw kan beginnen en niet meer hoeft te verhuizen. (...) Ik hoop dat we een fijne nieuwe plek, een warm nest voor [B] kunnen komen waar hij een toekomst op kan bouwen. (…) ik denk dat een gezin hem meer kan bieden dan ik in mijn eentje kan en voel mij te erg beperkt in mijn dagelijks leven, ik kan mijn huis niet meer uit.”


2.7.

Bij e-mail van 14 februari 2017 om 15:21 uur schrijft [gedaagde] aan [eiseres] onder meer:

“Eind van de week is vrijdag!

Dan hoor ik van je wat je wil.

Ondertussen heb ik wat mensen gebeld met de oppas vraag.

Die willen er ook even over nadenken.

Je zei voor twee maanden?”


2.8.

[eiseres] heeft [B] diezelfde avond bij [gedaagde] gebracht.


2.9.

Bij e-mail van 15 februari 2017 om 00:01 uur schrijft [eiseres] aan [gedaagde] onder meer:

“[gedaagde] ik bel je morgenochtend

In plaats van een permanent gezin

Wil ik dat [B] bij mij komt als ik een woning heb dus toch een tijdelijk gezin.

(…)

We hebben zo’n sterke band. We doen het zo goed samen. Hij is zo goed voor mij en ik voor hem, hij is het beste wat mij is overkomen en ik ben zijn baasje en blijf zijn baasje. Als ik een eigen woning heb wil ik hem terug.

Binnen zes maanden heb ik een eigen woning, als ik een eigen woning heb, wil ik [B] weer terug bij mij [gedaagde]. Uiteindelijk bij zijn eigen baasje het beste. (…)”


2.10.

Bij e-mail van 15 februari 2017 om 02:14 uur herhaalt [eiseres] dat zij graag een tijdelijk onderkomen wil voor [B].


2.11.

Bij e-mail van 15 februari 2017 om 8:30 uur schrijft [gedaagde] aan [eiseres] onder meer:

“We gaan eerst wandelen in het bos.

Daarna blijft [B] bij [C] hebben we afgesproken.

Daar is hij geboren daar is zijn moeder.

Het beste is dat hij daar een paar dagen blijft, tot hij kan logeren.

(…)

Het is nog steeds jouw hond.”


2.12.

Op 17 februari 2017 stuurt [gedaagde] [eiseres] een sms-bericht waarin zij onder meer schrijft:

“(…) we hebben vandaag de beslissing genomen dat [B] bij [D] in [woonplaats] gaat logeren. (…)”


2.13.

Bij e-mail van 20 maart 2017 schrijft [eiseres] aan [gedaagde] dat zij een nieuwe woning heeft gevonden en dat zij [B] graag in de week van 10 april 2017 weer terug zou willen.


2.14.

Na enige e-mails over en weer schrijft [gedaagde] bij e-mail van 29 maart 2017 aan [eiseres] onder meer:

“Na een week bij [C] en [E] en 2 weken in [woonplaats] is [B] nu geplaatst bij een gezin in Brabant met grote kinderen en een oudere Welsh. (…) Als alles goed blijft gaan mag hij daar blijven.”


2.15.

Nadat [eiseres] hierop een reactie mailt waaruit blijkt dat zij ervan uitgaat dat [B] later bij haar terug zal keren, schijft [gedaagde] bij e-mail van 29 maart 2017 aan [eiseres]:

“[B] komt beslist niet terug bij jou. Ik dacht dat je dat wel zou begrijpen. Er is voor ons geen enkele garantie dat het dan goed gaat met [B]. (…)”


2.16.

[eiseres] heeft hierna verschillende keren aan [gedaagde] geschreven dat zij [B] graag terug wil hebben en dat dit ook zo was afgesproken, maar [gedaagde] heeft geweigerd om [B] aan [eiseres] terug te geven.


3Het geschil


3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] te veroordelen tot teruglevering van [B] binnen zeven dagen na de datum van het vonnis dan wel op een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat niet wordt voldaan hieraan, met een maximum van € 50.000,--;

2. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.


3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover hier van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt aan haar vordering tot teruglevering van [B] ten grondslag dat zij eigenaar is van [B]. Hieruit vloeit voort dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, aangezien een eigenaar niet behoeft te dulden dat hem of haar de beschikking over het voorwerp van de eigendom wordt onthouden.


4.2.

[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij eigenaar is van [B], verklaard dat zij [B] in juli 2013 samen met [A] heeft gekocht en dat [B] na het verbreken van haar relatie met [A] op 8 december 2016 aan haar is toebedeeld. [eiseres] is toen vertrokken uit de gezamenlijke woning en heeft [B] met toestemming van [A] meegenomen. [eiseres] stelt dat zij met [gedaagde] op 15 februari 2017 en de vrijdag erna telefonisch had afgesproken dat [B] gedurende twee maanden bij een ander gezin zou logeren en dat het [gedaagde] duidelijk was dat zij geen afstand van haar hond had gedaan.


4.3.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiseres] niet de eigenaar is van [B], omdat [A] op - onder meer - het hondenpaspoort en het registratieformulier van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland (hierna: de Raad van Beheer) als hoofdeigenaar van [B] staat vermeld en [A] daarom op grond van de regels van de Raad van Beheer als eigenaar heeft te gelden. [gedaagde] stelt dat zij nooit aan [eiseres] heeft bevestigd dat er sprake zou zijn van tijdelijk verblijf van [B] bij een ander gezin en dat [eiseres] feitelijk afstand heeft gedaan van [B] door hem met al zijn spullen bij haar af te leveren. [gedaagde] wijst erop dat [A] inmiddels een afstandsverklaring heeft getekend en dat [B] nu op haar naam is geregistreerd.


4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de eigenaar is van [B]. Uit de door [eiseres] overgelegde mail van 7 juni 2013, die [A] voorafgaand aan de koop van [B] aan [gedaagde] heeft gestuurd, kan worden afgeleid dat het destijds de bedoeling van [eiseres] en [A] was om samen een hond te kopen. [eiseres] heeft voorts door overlegging van een bankafschrift, waarbij zij een bedrag van € 600,-- naar de rekening van [A] heeft overgeschreven met als omschrijving ‘kosten puppy’, aannemelijk gemaakt dat zij een deel van de koopprijs heeft betaald. Gelet hierop wordt aangenomen dat [A] en [gedaagde] aanvankelijk allebei eigenaar waren van [B]. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een gemeenschap van een of meer goederen als bedoeld in artikel 3:166 BW (waartoe zowel zaken als vermogensrechten worden gerekend) op grond van artikel 3:2a van het Burgerlijk Wetboek (BW) ook dieren kan omvatten, omdat ingevolge lid 2 van dat artikel bepalingen in het BW met betrekking tot zaken ook op dieren van toepassing zijn. Bovendien heeft [gedaagde] zelf ter zitting verklaard dat [A] destijds op het registratieformulier van de Raad van Beheer als eigenaar vermeld stond en [eiseres] als mede-eigenaar.


4.5.

[eiseres] heeft voorts aannemelijk gemaakt dat [B] na de verbreking van haar relatie met [A] in december 2016 in het kader van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen aan haar is toebedeeld. Dit kan worden afgeleid uit de door [eiseres] in het geding gebrachte mails van 24, 25 en 27 januari 2017 tussen haarzelf en [A] en uit de verklaring van [A] van 15 juni 2017, die [gedaagde] in het geding heeft gebracht. Voorts is aannemelijk geworden dat [A] haar aandeel in de eigendom van [B] aan [eiseres] heeft geleverd als bedoeld in de artikelen 3:186 en 3:90 BW doordat zij [eiseres] het bezit van [B] heeft verschaft. [eiseres] heeft na de breuk tussen hen de gezamenlijke woning immers verlaten en heeft [B] daarbij met toestemming van [A] meegenomen. Bovendien staat vast dat [eiseres] na haar vertrek uit de gezamenlijke woning de bezitter is geweest van [B] en wordt de bezitter van een goed op grond van artikel 3:119 BW vermoed rechthebbende te zijn. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat [eiseres] op dit moment de (enige) eigenaar van [B] is.


4.6.

Uit de e-mailcorrespondentie tussen [eiseres] en [gedaagde] van begin februari 2017 kan worden afgeleid dat het de bedoeling was dat [gedaagde] [B] op een tijdelijk logeeradres zou onderbrengen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de e-mail van [eiseres] aan [gedaagde] van 12 februari 2017, waarin zij [gedaagde] vraagt of er opties of mogelijkheden zijn dat [B] voor een aantal maanden naar een gezin zou kunnen totdat zij een eigen woning heeft. [eiseres] heeft hierna weliswaar in een mail van 14 februari 2017 aan [gedaagde] geschreven dat zij graag wil dat [gedaagde] op zoek gaat naar een nieuw gezin voor [B], en heeft [B] vervolgens die avond naar [gedaagde] gebracht, maar [eiseres] heeft vervolgens op 15 februari 2017 per e-mail aan [gedaagde] geschreven dat zij een tijdelijk gezin wil en dat zij [B] weer terug wil als zij een eigen woning heeft. Dat [gedaagde] dit ook zo heeft begrepen en geaccepteerd blijkt uit de mail van [gedaagde] aan [eiseres] van 15 februari 2017, waarin zij onder meer schrijft: “Daarna blijft [B] bij [C] hebben we afgesproken. Het beste is dat hij daar een paar dagen blijft, tot hij kan logeren. (…) Het is nog steeds jouw hond.” Ook in haar sms-bericht van 17 februari 2017 aan [eiseres] spreekt [gedaagde] over logeren. Gelet hierop kan [gedaagde] niet worden gevolgd in haar stelling dat [eiseres] afstand van [B] heeft gedaan doordat zij [B] op 14 februari 2017 bij haar heeft gebracht. Er is ook geen enkele aanwijzing dat [eiseres] haar eigendom van [B] aan [gedaagde] of aan een ander heeft overgedragen.


4.7.

De omstandigheid dat [A] bij brief van 3 april 2017 aan de Raad van Beheer heeft laten weten dat zij afstand heeft gedaan van [B] en eraan heeft meegewerkt dat [gedaagde] thans op het registratieformulier van de Raad van Beheer als eigenaar van [B] vermeld staat, maakt niet dat [gedaagde] daarmee ook eigenaar van [B] is geworden. [A] had immers niet de bevoegdheid om de eigendom van [B] aan [gedaagde] over te dragen, omdat zij sinds december 2016 als gevolg van de toedeling van [B] aan [eiseres] geen eigenaar van [B] meer was. Anders dan [gedaagde] stelt, maakt het feit dat [A] na het vertrek van [eiseres] en [B] nog steeds als hoofdeigenaar van [B] stond vermeld op - onder meer - het registratieformulier van de Raad van Beheer en het dierenpaspoort, niet dat [A] de eigenaar van [B] is gebleven. De eigendom van [B] wordt immers vastgesteld aan de hand van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Het dierenpaspoort en het registratieformulier kan bij onduidelijkheid over wie eigenaar is weliswaar een aanwijzing opleveren dat degene die hierin als eigenaar wordt vermeld ook daadwerkelijk de eigenaar is, maar zoals hierboven onder 4.5. is overwogen is in dit geval voldoende aannemelijk dat [eiseres] als eigenaar van [B] heeft te gelden.


4.8.

[gedaagde] heeft niet betwist dat zij de beschikking heeft over [B], in die zin dat zij het in haar macht heeft om [B] vanuit zijn logeeradres in Brabant naar [eiseres] te laten terugkeren. Omdat [eiseres] eigenaar is van [B], hoeft zij niet te dulden dat [gedaagde] [B] zonder rechtsgrond achterhoudt. Daarmee wordt immers een inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht. [gedaagde] stelt weliswaar dat het in het belang is van [B] dat [B] bij het gezin in Brabant blijft, omdat dit gezin beter in staat is om voor hem te zorgen dan [eiseres], maar omdat het in deze zaak gaat om een vordering tot teruggave van eigendom is er geen plaats voor een belangenafweging. Los daarvan heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij erg veel van [B] houdt en dat zij er alles aan wil doen om goed voor [B] te zorgen.


4.9.

Gezien het voorgaande zal de vordering van [eiseres] tot teruglevering van [B] worden toegewezen. De termijn waarbinnen [gedaagde] aan de veroordeling tot teruglevering dient te voldoen, wordt gesteld op zeven dagen na betekening van het vonnis. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen.


4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- griffierecht € 78,--

- salaris advocaat € 816,--

Totaal € 894,--

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.


4.11.

De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen.


5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot teruglevering van [B] aan [eiseres] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis;


5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt;


5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 894,--, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;


5.4.

veroordeelt [gedaagde], onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;


5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017.

1 type: MS (4185) coll: GB (4333)