Rechtbank Midden-Nederland, 28-06-2017 / C/16/296429 JE RK10-2778


ECLI:NL:RBMNE:2017:3619

Inhoudsindicatie
ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing; wachtlijst.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-28
Publicatiedatum
2017-07-13
Zaaknummer
C/16/296429 JE RK10-2778
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht


Zittingsplaats: Utrecht


Zaakgegevens : C/16/296429 JE RK10-2778


Datum uitspraak: 28 juni 2017(ondertoezichtstelling) en 29 juni 2017 (machtiging uithuisplaatsing)


Beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, Midden-Nederland, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Utrecht.


betreffende


[minderjarige] , geboren [2001] te [geboorteplaats].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:


[vader], hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats], en
[moeder], hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats].


Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 1 juni 2017, ingekomen bij de griffie op 2 juni 2017;

- het faxbericht van 22 juni 2017 van mr. H.L.D. van Holland.


Op 28 juni 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige], die apart is gehoord,

- de ouders, bijgestaan door mr. H.L.D. van Holland,- de heer [A] namens de Raad,

- mevrouw [B] namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (verder: de GI).


De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door beide ouders.




[minderjarige] verblijft bij zijn moeder.

Het verzoek


De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden.

Tevens wordt de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verzocht, eveneens voor twaalf maanden.


Het standpunt van de verzoeker


De Raad heeft ter zitting verwezen naar het verzoek dat is ingediend. De Raad heeft voorts verklaard dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst, bij voorkeur bij Lijn 5. De uithuisplaatsing is noodzakelijk om [minderjarige] uit de invloedsfeer van criminele vrienden te halen en om hem de nodige structuur en begeleiding te bieden zodat hij zijn vervolgopleiding op een goede manier kan volgen.

Wanneer de ots en de uithuisplaatsing niet worden toegewezen is de kans groot dat [minderjarige] verder zal afglijden in het criminele circuit. Doordat hij licht verstandelijk beperkt is, is [minderjarige] gemakkelijk beïnvloedbaar en wordt hij door andere jongens ingezet bij het plegen van strafbare feiten. De ouders hebben onvoldoende zicht op wat [minderjarige] doet en bagatelliseren de politiecontacten.

Het standpunt van belanghebbenden


Door en namens de ouders is geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot een ondertoezichtstelling. Er is wel verweer gevoerd tegen het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige].

De ouders erkennen dat het een periode niet goed is gegaan met [minderjarige] maar zij hebben met de oudere kinderen in het gezin afgesproken dat iedereen goed op [minderjarige] gaat letten. Een uithuisplaatsing zou alleen maar averechts werken, aldus de ouders.

De beoordeling


Ten aanzien van de ondertoezichtstelling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

[minderjarige] heeft contacten met jongeren die zich bezighouden met criminele activiteiten. Het gevaar bestaat dat hij (verder) afglijdt in het criminele circuit. De ouders van [minderjarige] hebben onvoldoende besef van en inzicht in deze problematiek. Bovendien is de hoofdopvoeder van [minderjarige], de moeder, mede door haar eigen beperkingen, niet in staat het gedrag van haar zoon bij te sturen. [minderjarige] heeft veel van school verzuimd. Dat is zorgelijk, hoewel het daarnaast een kracht van [minderjarige] is dat hij desondanks zijn diploma heeft behaald. De ouders hebben hier niet dan wel onvoldoende op weten in te grijpen. Zij zijn niet in staat om de noodzakelijke structuur, controle en begrenzing te bieden.

Hulpverlening is niet van de grond gekomen, terwijl deze gelet op de ernst van de problematiek, dringend geboden is.


De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).




Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:



  • - De politiecontacten van [minderjarige] en zijn contacten met jongeren die zich bezighouden met criminele activiteiten;
  • - Het gebrek aan besef van en inzicht in de ernst van de problematiek bij de ouders en hun onvermogen om een en ander bij te sturen;


De rechtbank zal daarom [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Gelet op de ernst van de problematiek is de rechtbank van oordeel dat niet met een kortere termijn kan worden volstaan.


Ten aanzien van de uithuisplaatsing

Uit de overlegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat het dringend noodzakelijk is dat [minderjarige] in een andere omgeving wordt geplaatst, waar hem de nodige structuur, hulp en begeleiding worden geboden. Gelet op het gebrek aan probleembesef bij de ouders valt niet te verwachten dat hulp in het ambulante kader alsnog tot de gewenste gedragsverandering bij [minderjarige] zal leiden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Ten aanzien van de duur van de te verlenen machtiging overweegt de rechtbank het volgende. Ondanks dat er een onmiddellijke plaatsing nodig zou zijn is er voor de beoogde plaatsing een wachtlijst. Er zal voorts gewerkt moeten worden aan motivatie en acceptatie bij zowel [minderjarige] als de ouders. Ook is de verwachting dat, gelet op de ernst van de problematiek, met de beoogde gedragsverandering de nodige tijd gemoeid zal zijn. De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De beslissing


De kinderrechter:


stelt [minderjarige] onder toezicht van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 28 juni 2017 tot 28 juni 2018;


verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, met ingang van 29 juni 2017, voor de duur van de ondertoezichtstelling;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



Deze beschikking is gegeven door mr. P.J.G. van Osta, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dolieslager als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28, resp. 29 juni 2017.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden