Rechtbank Midden-Nederland, 17-05-2017 / 5479419


ECLI:NL:RBMNE:2017:3643

Inhoudsindicatie
nakoming, verrekening
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-17
Publicatiedatum
2017-08-02
Zaaknummer
5479419
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Civiel recht

kantonrechter


locatie Utrecht


zaaknummer: 5479419 AC EXPL 16-4539 SE/33133


Vonnis van 17 mei 2017


inzake


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (ZH),

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M. Snoek,


tegen:


[gedaagde] , handelend onder andere de naam " [handelsnaam] .nl",

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij.


1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[eiseres] heeft op basis van een overeenkomst met [gedaagde] goederen geleverd aan [gedaagde] . [eiseres] heeft in de periode van 13 oktober 2015 tot en met 16 april 2016 tien facturen, waarvan drie creditfacturen, aan [gedaagde] gezonden. Het saldo van deze facturen (de hoofdsom) bedroeg € 3.527,22.


2.2.

Na het verstrijken van de betalingstermijn zijn facturen van [eiseres] tot een bedrag van € 3.527,22 onbetaald gebleven, op grond waarvan [gedaagde] wettelijke handelsrente verschuldigd is.


2.3.

Omdat betaling uitbleef heeft [eiseres] sommaties aan [gedaagde] gezonden en nadien de incasso uit handen gegeven aan een gemachtigde. In verband met deze incassomaatregelen is [gedaagde] buitengerechtelijke kosten verschuldigd aan [eiseres] . Deze kosten bedragen € 477,72.


2.4.

[gedaagde] heeft vervolgens, in gedeelten, in totaal € 3.527,22 betaald aan [eiseres] .



3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] te betalen € 602,68, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 22 oktober 2016 tot de voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijf dagen na de betekening van het vonnis tot de voldoening. Aan deze vordering legt [eiseres] nakoming ten grondslag.


3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres] .

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Partijen hebben een koopovereenkomst gesloten. [eiseres] diende op basis van die overeenkomst goederen aan [gedaagde] te leveren, waarna [gedaagde] op haar beurt de koopsom aan [eiseres] diende te voldoen. Vaststaat dat [gedaagde] ter zake van de levering van goederen in totaal € 3.527,22 aan [eiseres] diende te betalen.

4.2.

Artikel 6:119a BW bepaalt dat, indien partijen bij een handelsovereenkomst geen betalingstermijn overeengekomen zijn, wettelijke handelsrente van rechtswege verschuldigd is vanaf 30 dagen na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen. De stelling van [eiseres] dat partijen geen betalingstermijn overeengekomen zijn, wordt niet betwist door [gedaagde] . Daaruit volgt dat op deze overeenkomst tussen professionele partijen de betalingstermijn van 30 dagen van toepassing was en dat na het verstrijken van die termijn wettelijke handelsrente verschuldigd was. [gedaagde] betwist niet dat betaling na het verstrijken van de betalingstermijn is uitgebleven en dat zij op die grond wettelijke handelsrechte aan [eiseres] verschuldigd was. [gedaagde] betwist slechts de hoogte van het bedrag (€ 124,72) dat zij volgens [eiseres] tot 22 oktober 2016 verschuldigd was. De kantonrechter acht deze betwisting onvoldoende onderbouwd omdat [gedaagde] in dit verband slechts heeft aangevoerd dat [eiseres] geen inzage heeft gegeven in de berekening van dit bedrag. Aangezien [gedaagde] , naar de kantonrechter aanneemt, beschikte over de betreffende facturen en vervaldata lag het op haar weg om haar betwisting nader te motiveren. De verschuldigdheid van de handelsrente vanaf 22 oktober 2016, waarvan de hoogte nog niet vaststaat, wordt niet betwist door [gedaagde] ; daarmee staat de verschuldigdheid van die post vast.


4.3.

[eiseres] heeft incassomaatregelen genomen om haar vordering voldaan te krijgen. Zij heeft daarom recht op buitengerechtelijke incassokosten. De verschuldigdheid en de hoogte van de buitengerechtelijke kosten worden niet betwist door [gedaagde] en staan daarmee vast.


4.4.

Vaststaat dat [gedaagde] in totaal € 3.527,22 heeft betaald aan [eiseres] . Ter zake van buitengerechtelijke incassokosten en handelsrente tot 22 oktober 2016 was [gedaagde] € 477,72 respectievelijk € 124,72 aan [eiseres] verschuldigd. Artikel 6:44 BW bepaalt dat een betaling die voortvloeit uit een overeenkomst eerst wordt geacht te zijn gedaan om kosten te betalen, daarna de op dat moment al verschuldigde rente en pas daarna de hoofdsom en de lopende rente. Hieruit vloeit voort dat [gedaagde] nog een restant van de hoofdsom ter grootte van € 602,68, te vermeerderen met wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 22 oktober 2016, aan [eiseres] dient te betalen.


4.5.

[gedaagde] stelt verder dat zij een vordering op [eiseres] heeft en beroept zich op verrekening. Aan haar vordering heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd dat zij, met een beroep op de door [eiseres] afgegeven garantie, ondeugdelijke goederen aan [eiseres] heeft geretourneerd. Dit betreft een bedrag van in totaal € 375 exclusief btw. [eiseres] betwist de tegenvordering van [gedaagde] . Volgens [eiseres] zijn partijen een garantietermijn van twee maanden overeengekomen en heeft [gedaagde] pas na het verstrijken van die termijn een beroep op de garantie gedaan. [gedaagde] bestrijdt niet dat de goederen na de genoemde twee maanden geretourneerd zijn, maar stelt dat partijen in de leveringsvoorwaarden geen garantietermijn overeengekomen zijn. Voorts stelt [gedaagde] dat zij er, op basis van handelen van [eiseres] in het verleden, op mocht vertrouwen dat haar beroep op de garantie ook nu zou worden gehonoreerd, en dat de vertegenwoordiger van [eiseres] haar heeft toegezegd dat haar beroep op de garantie zou worden gehonoreerd.

Het beroep op opgewekt vertrouwen slaagt niet omdat [gedaagde] daarover onvoldoende gesteld heeft. Partijen verschillen van mening over de duur van de garantietermijn. Om die reden is de tegenvordering van [gedaagde] niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Aangezien de vordering van [eiseres] op [gedaagde] wel vaststaat zal de kantonrechter, mede gelet op artikel 6:136 BW, het beroep op verrekening verwerpen. [gedaagde] kan haar tegenvordering desgewenst in een aparte procedure aanhangig maken.

4.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 77,75- griffierecht € 470,00- salaris gemachtigde € 200,00 (2 punten x tarief € 100,00)Totaal € 747,75


4.7.

[eiseres] vordert wettelijke rente over de proceskosten vanaf vijf dagen na de betekening van het vonnis. De kantonrechter ziet aanleiding om die periode te verlengen en zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen met inachtneming van de hierna te noemen termijn.


De beslissing


De kantonrechter:


veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 602,68, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 22 oktober 2016 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.315,75, waarin begrepen € 768,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.