Rechtbank Midden-Nederland, 17-07-2017 / 16/659829-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:3682

Inhoudsindicatie
Een 65-jarige man uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar voor doodslag op zijn partner in Utrecht in 2016. De man heeft zijn partner op een zeer gewelddadige en weerzinwekkende wijze van het leven beroofd. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer zeventien keer met een vleesbijl is geslagen. Zij heeft nog geprobeerd zich te verdedigen, zo blijkt uit de snijwonden op haar armen en handen. De man heeft onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van de vrouw. Dit werd ook onderstreept door de indringende slachtofferverklaringen van de moeder, vader en broer op de zitting. Uit de rapportage van het Pieter Baancentrum blijkt dat er bij de man geen aanwijzingen zijn gevonden voor een stoornis. Wel is gebleken dat hij verstandelijk functioneert op het leeftijdsniveau van een acht- tot elfjarige. Bij kwetsingen neemt het risico op ernstig geweld toe. De rechtbank volgt de deskundigen in hun oordeel dat de man verminderd toerekeningsvatbaar is en wijkt daarom enigszins af van de eis van de officier van justitie.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-17
Publicatiedatum
2017-07-17
Zaaknummer
16/659829-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/659829-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 17 juli 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1952] te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring te Nieuwegein.

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht namens verdachte, alsmede hetgeen mr. R.J. Sturkenboom, namens de benadeelde partijen naar voren heeft gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 23 juni 2016 te Utrecht [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachte raad, opzettelijk van het leven heeft beroofd.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad, aangezien er een relatief korte tijd heeft gezeten tussen het besluit en de uitvoering van het misdrijf en er indicaties zijn die kunnen duiden op een plotselinge gemoedsopwelling.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft eveneens betoogd dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Voor de ten laste gelegde doodslag is volgens de raadsvrouw wel voldoende wettig en overtuigend bewijs.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Vrijspraak moord

Aan verdachte is (impliciet) primair ten laste gelegd dat hij [slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad kunnen worden vastgesteld dat verdachte zich heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij gelegenheid had over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.


Op basis van het dossier kan niet worden achterhaald wat de precieze aanleiding is geweest van het geweldsincident ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Ook de verklaringen van verdachte geven geen betrouwbare indicatie op welk moment hij heeft besloten [slachtoffer] met een vleesbijl te slaan. Uit de verklaring van verdachte en de verklaringen van buurtbewoners blijkt dat er relatief korte tijd voorafgaand aan het geweldsincident een ruzie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij door verdachte werd geschreeuwd. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat hij toen - in die korte periode - na kalm beraad en rustig overleg het plan heeft opgevat om [slachtoffer] van het leven te beroven.


Sommige getuigen hebben verklaard dat zij van anderen hebben gehoord dat verdachte eerder kenbaar heeft gemaakt [slachtoffer] van het leven te willen beroven, dan wel dat hij een kapmes had gekocht om [slachtoffer] om te brengen. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende concreet en verifieerbaar en worden evenmin ondersteund door ander (objectief) bewijs. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook buiten beschouwing laten.


Concluderend acht de rechtbank in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat sprake is van voorbedachte raad. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de (impliciet) primair ten laste gelegde moord.


Bewijsmiddelen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem ten laste gelegde doodslag heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen.


Op donderdag 23 juni 2016 te 22.38 uur komt verbalisant [verbalisant 1] , naar aanleiding van een melding, ter plaatse op de [adres] in [woonplaats] . [verbalisant 1] hoort de man in de woning mompelen: “Ik weet het…” en “Ik heb het gedaan…”. In de keuken van de woning wordt een bebloede vrouw aangetroffen. [verbalisant 1] ziet en hoort geen ademhaling meer bij de vrouw. De vrouw wordt hem later bekend als [slachtoffer] . De man in de woning wordt aangehouden op verdenking van moord/doodslag. Hij blijkt later te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [1952] . Om 22.50 uur is de ambulancedienst ter plaatse. [verbalisant 1] hoort de verpleegkundige zeggen dat het slachtoffer is overleden.


Verbalisant [verbalisant 2] , die samen met verbalisant [verbalisant 1] op 23 juni 2016 op de [adres] in [woonplaats] is, ziet in de keuken van de woning in de gootsteen een grote vleesbijl liggen. Op het lemmet van de vleesbijl ziet [verbalisant 2] rode vloeistof zitten.


Uit het voorlopig sectierapport met betrekking tot het lichaam van [slachtoffer] blijkt het volgende. Aan het hoofd, de hals, beide armen en handen waren 17 scherprandige, diepe klievingen van de huid. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door verwikkelingen als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch klievend, mogelijk in combinatie met snijdend geweld, aan de hals.


Verdachte heeft op 24 juni 2016 in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de dag ervoor samen met [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) in de woning was en ruzie met haar had. Verdachte heeft verklaard dat hij een kapmes heeft gepakt en haar heeft geslagen met het kapmes. Op haar armen, hoofd en “alles”.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


op 23 juni 2016 te Utrecht, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met kracht met een vleesbijl in/op/tegen de nek/hals en het hoofd en de rechterarm en de linkerarm en de handen te hakken en/of te snijden en/of te slaan, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

doodslag.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 13 jaren, met aftrek van het voorarrest.

De officier van justitie heeft betoogd dat het feit dat verdachte door de deskundigen als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd niet in strafmatigende zin dient te worden meegewogen. Mocht de rechtbank om voornoemde reden toch een strafmatiging toepassen dan verzoekt de officier van justitie daarbij, ter bescherming van de maatschappij, de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen.



8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoon van de verdachte en een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.



8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft op 23 juni 2016 [slachtoffer] , met wie hij samenleefde, op een zeer gewelddadige en weerzinwekkende wijze van het leven beroofd. Gelet op de afweerletsels aan haar armen en handen heeft [slachtoffer] geprobeerd zich te verdedigen tegen de aanval van verdachte met de vleesbijl, maar dit heeft niet mogen baten. Met zijn handelen heeft verdachte [slachtoffer] het kostbaarste goed, het leven, afgenomen. Daarmee heeft hij ook onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer] . Voor hen is het niet te bevatten dat verdachte hun dierbare van het leven heeft beroofd. Het leed dat door verdachte is toegebracht wordt onderstreept door de indringende verklaringen die de moeder, vader en broer van het slachtoffer ter terechtzitting hebben afgelegd in het kader van hun spreekrecht.


Bovendien veroorzaakt een dergelijk feit, waarbij iemand in haar eigen woning wordt gedood, gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.


Justitiële documentatie

De rechtbank heeft, met betrekking tot de persoon van de verdachte, gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 april 2017, waaruit onder meer blijkt dat verdachte in 2002 is veroordeeld voor een poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.


Rapportage Pieter Baancentrum

Uit de rapportage van het Pieter Baancentrum (PBC) van 7 juni 2017 blijkt dat er door de deskundigen geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychotische, angst- of stemmingsstoornis bij verdachte. Evenmin kan bij verdachte worden gesproken van een persoonlijkheidsstoornis. Wel is gebleken dat verdachte in cognitief opzicht functioneert op het leeftijdsniveau van een acht- tot elfjarige. Verder is sprake van een gebrek aan empathie en van een beperkte gewetensontwikkeling, en is het vermogen tot emotieregulatie beperkt. Verdachtes beperkte probleemoplossend vermogen, het beperkte overzicht op complexe situaties, zijn beperkte oplossingsvaardigheden alsook de faciliterende rol van het gebruik van alcohol hebben verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. Verdachtes agressieve gedrag lijkt vooral situatief bepaald en hangt samen met zijn gebrekkige overzicht op complexe situaties.


De deskundigen concluderen in het rapport dat verdachtes psychopathologie slechts een beperkte rol in het ten laste gelegde feit heeft gespeeld. Het recidiverisico is niet zozeer pathologisch bepaald. Wel heeft verdachte in algemene zin gedurende zijn gehele leven een langdurig patroon laten zien van situatief bepaald agressief gedrag binnen zijn relaties, waarin hij fysiek geweld jegens zijn (ex)partners toepast. Bij verlatingen of krenkingen neemt het risico op ernstig fysiek gewelddadig gedrag toe. Een intieme relatie en alcoholgebruik zijn de belangrijkste risicofactoren. Verdachte beschikt zelf over weinig beschermende factoren.


Vanwege het ontbreken van een significant psychopathologisch bepaald recidiverisico en de zeer beperkte leerbaarheid van verdachte wordt geadviseerd geen strafrechtelijke maatregel op te leggen. Uit zorgoogpunt wordt wel opgemerkt dat een langdurig toezicht op abstinentie dan wel matiging van het gebruik van alcohol zinvol kan zijn.


Strafmaatoverwegingen

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank allereerst gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, waarbij verdachte op een wrede wijze het leven van het slachtoffer heeft ontnomen. Alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur kan recht doen aan het onherstelbare leed dat door verdachte is aangericht.

Daarnaast betrekt de rechtbank in haar overweging dat verdachte in het verleden meerdere keren gewelddadig is geweest in zijn relaties. Daarbij is het geweld in 2001 dermate geëscaleerd dat verdachte zijn toenmalige partner met een vleesvork heeft bedreigd en vervolgens met een mes in haar hals heeft geraakt.


Zoals blijkt uit het PBC-rapport heeft verdachte moeite om te gaan met complexe situaties in relaties en is er met name in die context een verhoogd risico op (ernstig) gewelddadig gedrag. Gelet op deze constatering en het feit dat verdachte eerder gewelddadig is geweest in relaties, moet de maatschappij langdurig tegen verdachte worden beschermd.


De rechtbank betrekt in haar oordeel dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en zal dit enigszins strafmatigend meewegen. Met name is in dat kader van belang dat door verdachtes beperkte verstandelijke vermogens zijn gewetensontwikkeling, zijn vermogen tot emotieregulatie en zijn copingvaardigheden onvolledig zijn ontwikkeld, hetgeen zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed.


Anders dan officier van justitie subsidiair heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De deskundigen zijn eensluidend in hun advies om vanwege het ontbreken van een significant psychopathologisch bepaald recidiverisico geen maatregel op te leggen. Zij betrekken hierbij voorts dat verdachte wegens zijn forse intellectuele beperkingen als zeer beperkt leerbaar moet worden beschouwd.


Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van elf jaar, met aftrek van voorarrest.

9BENADEELDE PARTIJEN


Vordering [benadeelde 1]

, de moeder van het slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 973,64, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.


Vordering [benadeelde 2]

, de broer van het slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.179,20, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.


Vordering [benadeelde 3]

, de vader van het slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 829,51 te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.



9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd alle vorderingen geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen geen verweer gevoerd.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu de vorderingen door de verdediging niet zijn betwist, zal de rechtbank alle vorderingen geheel toewijzen.


Vordering [benadeelde 1]

Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 973,64 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 juni 2017, de datum waarop de vordering is ondertekend, tot de dag van volledige betaling.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 973,64. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 19 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.


Vordering [benadeelde 2]

Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.179,20 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 juni 2017, de datum waarop de vordering is ondertekend, tot de dag van volledige betaling.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.179,20. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 21 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.


Vordering [benadeelde 3]

Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 829,51 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 juni 2017, de datum waarop de vordering is ondertekend, tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 829,51. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 16 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Vrijspraak

Verklaart de (impliciet) primair ten laste gelegde moord niet bewezen en spreekt verdachte

daarvan vrij.


Bewezenverklaring

Verklaart het (impliciet) subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is

vermeld.


Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan

vrij.


Strafbaarheid

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

doodslag.


Verklaart verdachte strafbaar.


Oplegging straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 11 jaren.


Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.


Benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 973,64.


Veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling.


Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 973,64 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 19 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling.


Bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.


Benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 1.179,20.


Veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling.


Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 1.179,20 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 21 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling


Bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.


Benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 829,51.


Veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling;


Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 829,51 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 16 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2017 tot de dag van volledige betaling.


Bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.





Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. V. van Dam en mr. V.H. Hammerstein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juli 2017.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans

eenmaal, (met kracht) met een (hak)mes en/of vleesbijl, althans een hard en/of

breed en/of scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen de keel en/of de

nek/hals en/of het gezicht en/of het hoofd en/of de rechterarm en/of de

linkerarm en/of de hand(en), althans in/op/tegen het lichaam, te hakken en/of

te snijden en/of te slaan, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 29 september 2016 in het onderzoek 09Klip16, genummerd PL0900 2016193258, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 354 (algemeen dossier) en 1 tot en met 140 (forensisch dossier). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juni 2016, pagina 214 (algemeen dossier).
3 Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juni 2016, pagina 215 (algemeen dossier).
4 Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juni 2016, pagina 216 (algemeen dossier).
5 Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juni 2016, pagina 218 (algemeen dossier).
6 Een deskundigenrapport, te weten een voorlopig sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog, van 26 juni 2016, pagina 78 (forensisch dossier).
7 Een deskundigenrapport, te weten een voorlopig sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog, van 26 juni 2016, pagina 79 (forensisch dossier).
8 Een deskundigenrapport, te weten een voorlopig sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog, van 26 juni 2016, pagina 80 (forensisch dossier).
9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 24 juni 2016, pagina 95 (algemeen dossier).