Rechtbank Midden-Nederland, 20-07-2017 / 16/660176-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:3770

Inhoudsindicatie
Een 31-jarige man uit Nieuwegein is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een werkstraf van 240 uur. De man veroorzaakte in 2016 op de Houtenseweg in Nieuwegein een verkeersongeval waarbij twee mensen om het leven kwamen. De man stond voor het ongeluk op de linkerbaan voor het rode licht. Na een bocht naar links moet het linksrijdende verkeer rechts invoegen en worden de twee banen samengevoegd tot één rijbaan. De man probeerde vlak voor een verdrijvingsvlak een auto in te halen, terwijl hij al tegemoetkomend verkeer zag. Hij gaf hij extra gas en stuurde vervolgens naar rechts, waardoor de andere auto moest uitwijken. De bestuurder van de andere auto verloor de macht over het stuur en belandde op de andere weghelft, waar hij op een tegenligger botste. Beide bestuurders kwamen om het leven. De officier van justitie vindt dat het gedrag van de man juridisch gekwalificeerd moet worden als ‘zeer onvoorzichtig’ rijgedrag. De rechtbank oordeelt op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte dat er sprake is van ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ rijgedrag. Dit is een lichtere vorm van schuld. Doordat de man de binnenbocht had, dacht hij door snel op te trekken vóór het andere verkeer in te kunnen voegen. Toen hij na de bocht in wilde voegen, was daar nog maar een kort stuk voor. Hij zag op dat moment de andere auto schuin achter zich en heeft in een split second de beslissing genomen toch te proberen voor die auto in te voegen, terwijl hij ervoor had moeten kiezen om achter die auto in te voegen. Hoewel hij onaanvaardbare risico’s heeft genomen oordeelt de rechtbank dat deze omstandigheden maken dat er sprake is van een lichtere vorm van schuld. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie vanwege de lichtere vorm van schuld. De man is niet eerder vervolgd voor een verkeersdelict. De landelijke oriëntatiepunten adviseren om in een dergelijk geval een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van een jaar op te leggen. De rechtbank vindt de risico’s die de man heeft genomen onaanvaardbaar en legt daarom naast de taakstraf ook een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 6 maanden. Ook legt de rechtbank legt een voorwaardelijke rijontzegging op van een jaar, omdat de man zonder zijn rijbewijs zijn baan zou verliezen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-20
Publicatiedatum
2017-07-20
Zaaknummer
16/660176-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/660176-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 20 juli 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. N.M. van Collenburg en van hetgeen verdachte en mr. A. van der Biezen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


primair: op 14 maart 2016 te Nieuwegein als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) werden gedood, dan wel


subsidiair: op 14 maart 2016 te Nieuwegein als bestuurder van een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.


4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Door de schuld van verdachte zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven gekomen. Er was geen sprake van een enkel moment van onoplettendheid, maar van een opeenvolging van verkeerde keuzes. Verdachte heeft gas gegeven toen hij zag dat hij niet kon invoegen, terwijl hij had moeten remmen. Vervolgens is hij over het verdrijvingsvlak gereden, waarna hij op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen. Uiteindelijk moest hij naar rechts uitwijken, over de doorgetrokken streep. Verdachte heeft hiermee volgens de officier van justitie, zo begrijpt althans de rechtbank haar betoog, ‘zeer onvoorzichtig’ gehandeld.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat verdachte zich aan de regels heeft gehouden. Verdachte reed niet te hard. Het is juist aan [slachtoffer 1] te wijten dat het ongeval is ontstaan. Verdachte kon niet anders dan gas geven, omdat [slachtoffer 1] hem geen ruimte gaf om in te voegen en hij nergens anders heen kon. Verdachte moest door toedoen van [slachtoffer 1] naar rechts uitwijken, zodat sprake was van een noodsituatie. In het uiterste geval was slechts sprake van een verkeersfout, omdat verdachte verkeerd heeft geritst.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1

Bewijsmiddelen


Op 14 maart 2016 omstreeks 13:55 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1] een melding dat er een verkeersongeval had plaatsgevonden op de Houtenseweg te Nieuwegein. Hij zag een Opel Omega en een Opel Astra op de weg staan. Hij zag dat bij beide personenauto’s de gehele voorzijde beschadigd was. De bestuurder van de Opel Omega was genaamd [slachtoffer 2] .


Verbalisant [verbalisant 2] is ter plaatse gegaan en hoorde dat de bestuurder van de Opel Astra [slachtoffer 1] genaamd was.


[getuige] was getuige van het ongeval en heeft op 14 maart 2016 een verklaring afgelegd ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] . Zij zag dat er voor haar twee auto’s de Houtenseweg te Nieuwegein opreden. Ze zag dat de inhalende auto over het verdrijvingsvlak reed en op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer ging rijden. Ze zag dat de inhalende auto naar rechts ging en dat de auto op haar rijstrook hierdoor naar rechts moest uitwijken. Zij gaf aan dat de Opel Astra het voertuig was dat voor haar op dezelfde rijstrook reed en dat naar rechts moest uitwijken.


De provinciale weg N409 is plaatselijk bekend als de Houtenseweg. Ter plaatse van het ongeval bestaat de weg uit één rijbaan die is onderverdeeld in vier rijstroken. De middelste twee rijstroken zijn bestemd voor gemotoriseerd verkeer in beide richtingen. Deze zijn middels een doorgetrokken streep van elkaar onderscheiden. De buitenste twee rijstroken zijn lijnbusstroken. Op de lijnbusstrook aan de rechterzijde lag grind. Op de lijnbusstroken zijn bandensporen aangetroffen die vrijwel zeker van de door [slachtoffer 1] bestuurde Opel Astra waren. Uit de bandensporen bleek dat [slachtoffer 1] zijn voertuig naar links stuurde. Gelet op het sporenbeeld deed [slachtoffer 1] dit waarschijnlijk met een abrupte beweging. Door het grind was er een lagere hechtingswaarde met het wegdek. De lagere hechtingswaarde, in combinatie met de noodgreep van [slachtoffer 1] , hebben er vrijwel zeker aan bijgedragen dat het door [slachtoffer 1] bestuurde voertuig uitbrak en hij de controle verloor. Vervolgens botste [slachtoffer 1] , onder een hoek van ongeveer 90 graden, met de rechter voorzijde tegen de linker voorzijde van de Opel Omega.


Op 14 maart 2016 om 17.45 uur werd door de lijkschouwer [lijkschouwer 1] een lijkschouw verricht op [slachtoffer 1] . Uit het onderzoek blijkt dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van een ongeval.


Op 12 april 2016 om 12.25 uur werd door de lijkschouwer [lijkschouwer 2] een lijkschouw verricht op [slachtoffer 2] . Uit het onderzoek blijkt dat [slachtoffer 2] is overleden aan de hoogenergetische letsels die zijn opgelopen tijdens een verkeersongeval.


Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 14 maart 2016 op de Houtenseweg reed, dat hij wilde invoegen op de rechterrijstrook, maar dat dat niet kon omdat er een auto rechts van hem reed. Hij was op dat moment al bijna bij het verdrijvingsvlak. Hij gaf toen gas bij in een poging om nog voor de Opel Astra naast hem in te voegen, waarbij hij zich realiseerde dat hij het verdrijvingsvlak zou moeten oprijden. Op dat moment zag hij op de andere weghelft tegemoetkomend verkeer naderen. Hij is vervolgens het verdrijvingsvlak opgereden en bleef gas bijgeven om de auto naast hem in te kunnen halen. Vervolgens is hij, nadat hij over het verdrijvingsvlak was gereden, op de middenstreep terechtgekomen, deels op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer en deels op de eigen weghelft. Hij heeft voorzichtig naar rechts gestuurd, om de auto naast hem de tijd en ruimte te geven om naar rechts – op de daar liggende busbaan – te sturen. Tot slot is hij op de rechterrijstrook gaan rijden, aldus steeds verdachte.


4.3.2

Bewijsoverweging


Om tot een veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, is vereist dat verdachte schuld heeft aan de aanrijding, in die zin dat hij – zoals is ten laste gelegd – zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen.


Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet kan reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.


Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte schuld aan het ongeval op de Houtenseweg op 14 maart 2016. In dat kader zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


Verdachte heeft, in een poging om [slachtoffer 1] in te halen en rechts in te kunnen voegen, vlak voor het verdrijvingsvlak gas bij gegeven. Verdachte is bekend met de situatie ter plaatse. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij wist dat hij, door op dat moment gas te geven, op het verdrijvingsvlak terecht zou komen, terwijl hij op dat moment al tegemoetkomend verkeer zag naderen. Verdachte had er onder deze omstandigheden voor moeten kiezen om vaart te minderen, zodat hij achter [slachtoffer 1] kon invoegen.

Dat geldt te meer gelet op de positie waar verdachte zich met zijn auto bevond ten opzichte van de auto van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft hierover tijdens zijn eerste verhoor op 14 maart 2016 verklaard dat het bestuurderscompartiment van zijn auto nog voor de auto rechts naast hem was op het moment dat hij wilde invoegen. Ter zitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat [slachtoffer 1] op dat moment ter hoogte van de achterbumper van verdachte zijn auto reed, maar omdat verdachte vlak na het ongeval zo specifiek heeft verklaard over de positie van de auto van [slachtoffer 1] , gaat de rechtbank uit van de juistheid van die eerste verklaring. Die verklaring strookt ook met wat verschillende getuigen verklaren, namelijk dat de auto’s van verdachte en [slachtoffer 1] naast elkaar reden.

Dat de auto van [slachtoffer 1] zich min of meer halverwege de auto van verdachte bevond, had verdachte nog meer aanleiding moeten geven om te remmen en vervolgens achter [slachtoffer 1] in te voegen. Niet is gebleken dat daartoe geen mogelijkheid bestond. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij denkt dat dat niet mogelijk was, maar dit niet meer zeker weet. Bovendien blijkt uit verklaringen van getuigen dat verdachte en [slachtoffer 1] bij het snelle optrekken met hun auto’s een groot gat sloegen met de auto’s achter hen, zodat het aannemelijk is dat er op de rechter rijstrook voldoende ruimte was om achter [slachtoffer 1] in te voegen.


Verdachte is vervolgens ook niet op zijn keuze teruggekomen, maar is gas blijven geven. Uiteindelijk moest verdachte naar rechts sturen, om het tegemoetkomende verkeer te ontwijken. Dit was dus geen noodsituatie, zoals de verdediging heeft betoogd, maar het gevolg van de daaraan voorafgaande keuze van verdachte om te proberen vóór [slachtoffer 1] in te voegen. Doordat [slachtoffer 1] moest uitwijken is hij op de busbaan terecht gekomen, is de achterkant van zijn auto uitgebroken en is hij frontaal gebotst op de auto van [slachtoffer 2] , die op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer reed. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn beiden overleden als gevolg van het ongeval.


Naar het oordeel van de rechtbank moet het gedrag van verdachte aangemerkt worden als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag en niet, zoals de officier van justitie heeft betoogd, als zeer onvoorzichtig. Daarbij is het volgende van belang.

Uit het dossier volgt dat verdachte voorafgaand aan het ongeval vooraan in de rij stond voor een rood verkeerslicht, in de linker rijbaan. Nadat de weg een bocht naar links heeft gemaakt moet het links rijdende verkeer rechts invoegen, waarna de twee rijbanen worden samengevoegd tot één rijbaan. Verdachte heeft verklaard dat hij snel heeft opgetrokken, in de veronderstelling dat hij vóór het andere verkeer zou kunnen invoegen op de rechter rijbaan. Nu verdachte de binnenbocht had, is begrijpelijk dat hij verwachtte als eerste te kunnen invoegen.

Op het moment dat verdachte wilde invoegen bleek echter dat [slachtoffer 1] naast hem reed. Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens in een “split second” een beslissing moest nemen. De rechtbank acht dit aannemelijk, omdat uit het dossier volgt dat er na de bocht naar links nog maar een kort stuk is waarop het links rijdende verkeer kan invoegen.

Hoewel verdachte toen de verkeerde keuze heeft gemaakt en daarbij onaanvaardbare risico’s heeft genomen, maakt de omstandigheid dat verdachte in een fractie van een seconde heeft moeten beslissen over hoe te handelen om nog in te kunnen voegen, dat het rijgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is en niet zeer onvoorzichtig.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


op 14 maart 2016 te Nieuwegein als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Houtenseweg (N409), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (te weten een personenauto)

- daar waar twee rijbanen worden samengevoegd naar één rijbaan niet in te voegen op de daarvoor bestemde invoegstrook/rijbaan en (op dat moment) gas te blijven bijgeven en

- vervolgens op een verdrijvingsvlak te gaan rijden en te blijven rijden en (op dat moment) gas te blijven bijgeven en

- vervolgens op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terecht te zijn

gekomen en

- vervolgens naar rechts te hebben gestuurd en over een doorgetrokken streep de rechterrijstrook op te zijn gereden, waarbij hij een op die rechterrijstrook rijdend motorrijtuig heeft afgesneden en/of niet voor heeft laten gaan, terwijl verdachte had moeten remmen en/of stoppen en/of voorrang had moeten verlenen aan het op de rechterrijstrook rijdende motorrijtuig


ten gevolge waarvan

- een op die rechterrijstrook rijdend motorrijtuig (een personenauto met

daarin bestuurder [slachtoffer 1] ) heeft moeten uitwijken, waardoor de auto van die [slachtoffer 1] is uitgebroken en op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen,

- waardoor een tegemoetkomend rijdend motorrijtuig (een personenauto met

daarin bestuurder [slachtoffer 2] ) frontaal op de auto van die [slachtoffer 1] is

gebotst,


waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden

gedood.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.


6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:


overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vele momenten waarop verdachte verkeerde keuzes heeft gemaakt, waardoor sprake is van ernstige schuld zoals bedoeld in de oriëntatiepunten die de rechtbank hanteert om de strafmaat te bepalen (de zogeheten oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht).


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf, gelet op het gedrag van verdachte, niet passend is en heeft de rechtbank verzocht om verdachte bij bewezenverklaring een werkstraf of een boete op te leggen.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft op 14 maart 2016, als bestuurder van een auto, onaanvaardbaar grote risico’s genomen. Hij heeft op een cruciaal moment de verkeerde keuze gemaakt, door vlak voor een verdrijvingsvlak gas te geven en de auto die zich gedeeltelijk naast hem bevond proberen in te halen terwijl hij al tegemoetkomend verkeer zag. Hij is vervolgens niet teruggekomen op zijn keuze, wat uiteindelijk heeft geleid tot een ernstig verkeersongeval met fatale gevolgen voor de slachtoffers. Het leven van hun nabestaanden is door het ongeval dramatisch en onomkeerbaar veranderd. Dat blijkt ook uit de verschillende (schriftelijke) verklaringen waarin de nabestaanden op indringende wijze hebben beschreven hoe zeer zij hun geliefden missen en hoe zwaar het is om zonder hen verder te moeten leven.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 28 april 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is vervolgd voor een verkeersdelict en in zoverre dus een first offender is.

Verder heeft de rechtbank gekeken naar een reclasseringsadvies van 17 februari 2017, uitgebracht door H. Luites namens Reclassering Nederland. De situatie heeft een grote impact op het leven van verdachte. Geadviseerd wordt een werkstraf op te leggen.


Omdat de officier van justitie bij haar strafeis er van is uitgegaan dat verdachte zeer onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond, terwijl de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag (een lichtere vorm van schuld) bewezen acht, ziet de rechtbank aanleiding om van de eis van de officier van justitie af te wijken. De hiervoor genoemde oriëntatiepunten adviseren in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood als gevolg en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een taakstraf op te leggen van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van twaalf maanden. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verdachte de hiervoor beschreven onaanvaardbare risico’s heeft genomen aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken en verdachte een hogere straf op te leggen. De rechtbank acht in dit geval een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend. Ook acht de rechtbank het aangewezen dat verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden ontzegd voor de duur van 12 maanden. Nu ter zitting is gebleken dat verdachte voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs en aannemelijk is dat hij zijn baan zal verliezen als hij hiervan niet meer gebruik kan maken, zal de rechtbank deze ontzegging geheel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaar.


8.3.1

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen


  • - 14a, 14b, 14c, van het Wetboek van Strafrecht en
  • - 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring


- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid


- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;


- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren;


- beveelt dat voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren heeft verricht de taakstraf wordt vervangen voor 120 dagen hechtenis;


- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;


- bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;


- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende voorwaarde niet is nagekomen:


 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.



Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Moed, voorzitter, mrs. C.A.M. van Straalen en K.J. Veenstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.W.H.M. Verheijen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juli 2017.


Mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


Primair

hij op 14 maart 2016 te Nieuwegein, althans in hetarrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Houtenseweg (N409), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,


met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (te weten een personenauto)


- met een zeer hoge, althans (te) hoge snelheid te hebben gereden en/of

- daar waar twee rijbanen worden samengevoegd naar één rijbaan niet in te voegen op de daarvoor bestemde invoegstrook/rijbaan en/of (op dat moment) gas te blijven (bij)geven en/of

- (vervolgens) op een verdrijvingsvlak te gaan rijden en/of te blijven rijden en/of (op dat moment) gas te blijven (bij)geven en/of

- (vervolgens) op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terecht te zijn

gekomen en/of

- (vervolgens) naar rechts te hebben gestuurd en (over een doorgetrokken

streep) de rechterrijstrook op te zijn gereden, waarbij hij een of meer op die

rechterrijstrook rijdend(e) motorrijtuig(en) heeft afgesneden en/of niet voor

heeft laten gaan,


terwijl verdachte (steeds) had moeten remmen en/of stoppen en/of voorrang had moeten verlenen aan de op de rechterrijstrook rijdende motorrijtuig(en)


ten gevolge waarvan

- een op die rechterrijstrook rijdend motorrijtuig (een personenauto met daarin bestuurder [slachtoffer 1] ) heeft moeten uitwijken, waardoor de auto van die [slachtoffer 1] is uitgebroken, althans waardoor die [slachtoffer 1] de macht over het stuur is verloren, en op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen,

- waardoor een tegemoetkomend rijdend motorrijtuig (een personenauto met

daarin bestuurder [slachtoffer 2] ) frontaal op de auto van die [slachtoffer 1] is

gebotst,


waardoor (een) ander (voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) werd(en)

gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994


Subsidiair


hij, op of omstreeks 14 maart 2016, te Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Houtenseweg (N409),


met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig


- met een zeer hoge, althans (te) hoge snelheid heeft gereden en/of

- daar waar twee rijbanen worden samengevoegd naar één rijbaan niet heeft/is ingevoegd op de daarvoor bestemde invoegstrook/rijbaan en/of (op dat moment) gas is blijven (bij)geven en/of

- (vervolgens) op een verdrijvingsvlak is gaan rijden en/of blijven rijden en/of (op dat moment) gas is blijven (bij)geven en/of

- (vervolgens) op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen

en/of

- vervolgens) naar rechts heeft gestuurd en (over een doorgetrokken streep)

de rechterrijstrook is opgereden, waarbij hij een of meer op die rechterrijstrook rijdend(e) motorrijtuig(en) heeft afgesneden en/of niet voor heeft laten gaan, ten gevolge waarvan dat/die motorrijtuig(en) heeft/hebben moeten uitwijken,

terwijl verdachte (steeds) had moeten remmen en/of stoppen en/of voorrang had moeten verlenen aan de op de rechterrijstrook rijdende motorrijtuig(en),


door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 31 augustus 2016, genummerd PL0900-2016078392, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 231. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 14 maart 2016, p. 145.
3 een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 14 maart 2016, pagina 144.
4 een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 14 maart 2016, p.146.
5 Verkeersongevalanalyse van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 7 juli 2016, p. 16.
6 Verkeersongevalanalyse van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 7 juli 2016, p. 17.
7 Verkeersongevalanalyse van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 7 juli 2016, p. 36.
8 een proces-verbaal van lijkschouw overledene van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] van 23 maart 2016, p. 151.
9 een proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw van verbalisant [verbalisant 5] van 17 mei 2016, p. 163
10 het proces-verbaal van de zitting van 6 juli 2017.