Rechtbank Midden-Nederland, 28-07-2017 / 16/659128-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:3911

Inhoudsindicatie
Een 28-jarige Fransman is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van het medeplegen van doodslag en een dubbele poging tot doodslag in Zeist in 2015. Na de mislukte ripdeal heeft hij zich schuldig gemaakt aan carjacking en vuurwapenbezit en krijgt daar een celstraf van 3 jaar voor opgelegd. De hoofdverdachte die het vuur opende op drie Colombianen werd in april van dit jaar tot 12 jaar cel veroordeeld. De 39-jarige Fransman die de drugsdeal voorbereidde is vandaag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar. Het staat vast dat de in de april veroordeelde hoofdverdachte de schutter was. De verdenking tegen de 28-jarige medeverdachte was dat hij zo nauw en bewust samenwerkte met de hoofdverdachte dat ook hij verantwoordelijk is voor het schieten op de Colombianen. De enige aanwijzing in het dossier voor dit scenario is een verklaring van de hoofdverdachte dat het wapen van de medeverdachte zou zijn. Die zou geschreeuwd hebben dat de hoofdverdachte het wapen uit de tas moest pakken. Naast het feit dat hij deze verklaring op zitting introk vindt de rechtbank dit scenario ongeloofwaardig. Het wapen zat in een tas met geld en kleding. De hoofdverdachte zou dit - voor hem onbekende wapen - dan in een fractie van een seconde hebben gevonden, geladen en daarmee gericht geschoten op de drie Colombianen. De 39-jarige man leerde in de Franse gevangenis een Colombiaan kennen. Die vroeg hem om iemand te zoeken voor zijn ‘koopwaar’. Het ging om 20 kilo cocaïne. De 39-jarige man heeft de hoofdverdachte in contact gebracht met de Colombianen. Ook is hij als contactpersoon/bemiddelaar meerdere keren bij de ontmoetingen in Zeist geweest.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-28
Publicatiedatum
2017-07-28
Zaaknummer
16/659128-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/659128-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juli 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te [woonplaats] [adres] .

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 7 april 2016, 16 juni 2016, 15 september 2016, 8 december 2016, 16 februari 2017, 28 maart 2017, 19 juni 2017, 13 juli 2017 en 14 juli 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. Z. Trokic en van hetgeen verdachte en mr. L.E. Toet, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is op de zitting van 7 april 2016 gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt kort en feitelijk weergegeven, op het volgende neer:


feit 1 primair

medeplegen van een poging tot uitvoer van ongeveer 20 kilogram cocaïne in de periode 1 mei 2015 tot en met 2 juni 2015 te Zeist;


feit 1 subsidiair

medeplichtigheid aan een poging tot uitvoer van ongeveer 20 kilogram cocaïne in de periode 1 mei 2015 tot en met 2 juni 2015 te Zeist;


feit 1 meer subsidiair

medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van ongeveer 20 kilogram cocaïne in de periode van 1 mei 2015 tot en met 2 juni 2015 te Zeist;


feit 2

medeplegen van het op 2 juni 2015 te Zeist voorhanden hebben van een pistool, een machinepistool en munitie.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 meer subsidiair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat het verdachte is geweest die heeft afgesproken met de Colombianen. Verdachte heeft [medeverdachte 1] benaderd voor de handel in harddrugs en is samen met [medeverdachte 1] naar Nederland afgereisd om met de Colombianen af te spreken en cocaïne te testen. Daarna is verdachte op 2 juni 2015 opnieuw met twee auto’s en tassen samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Zeist gekomen, heeft hij daar met de Colombianen gesproken en is hij in of bij de auto op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijven wachten. De officier van justitie heeft uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen in onderling verband en samenhang bezien, afgeleid dat verdachte samen met zijn medeverdachten voorbereidingshandeling heeft verricht voor het bezit, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs. Dat het uiteindelijk om nepdrugs bleek te gaan, doet niets af aan het opzet van verdachte op de voorbereidingshandelingen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat in een van de auto’s waarmee verdachte en zijn mededaders op 2 juni 2015 naar Nederland was gekomen, een zwart handvuurwapen is aangetroffen en dat op de grond, buiten de auto een automatisch vuurwapen is gevonden. Uit de nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de voorbereidingshandelingen, leidt de officier van justitie af dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens. Hij heeft gezamenlijk met zijn mededaders de beschikking gehad over die wapens en die munitie in de auto. Verdachte heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan die bewustheid afwezig moet worden geacht. Er is, volgens de officier van justitie, aldus sprake van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens en munitie.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair, het medeplegen dan wel het medeplichtig zijn aan een poging tot uitvoer van een hoeveelheid cocaïne heeft zij het volgende naar voren gebracht. Uit het dossier volgt dat de cocaïne die werd gepoogd uit te voeren, helemaal geen cocaïne was, maar coffeïne en boorzuur, stoffen die niet op de lijst met verboden middelen behorende bij de Opiumwet staan. Dit betekent dat het middel, het object waar het in de poging tot uitvoer om gaat, de ‘cocaïne’ absoluut ondeugdelijk is. De uitvoer van cocaïne had immers nooit tot een voltooid strafbaar feit kunnen leiden. Verdachte dient dan ook van feit 1 primair en feit 1 subsidiair te worden vrijgesproken.


Feit 1 meer subsidiair betreft het medeplegen van voorbereidingshandelingen. De raadsvrouw heeft allereerst opgemerkt dat de voorbereidingshandelingen heel ruim zijn beschreven en dat ook niet alle feitelijke handelingen als voorbereidingshandelingen kunnen worden betiteld. Het pijnpunt zit echter in het tenlastegelegde medeplegen. Uit de jurisprudentie volgt dat er voor medeplegen niet alleen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking, maar ook moet de intellectuele of materiële bijdrage van verdachte van voldoende gewicht zijn. Verdachte heeft slechts het eerste contact gelegd tussen [A] , een van de Colombianen, en [medeverdachte 1] en is vervolgens slechts lijfelijk en bovendien op afstand aanwezig geweest bij een aantal afspraken tussen hen. Uit de feiten blijkt dat de aanwezigheid van verdachte helemaal niet van essentieel belang is geweest. Immers, verdachte is niet meegegaan naar de hotelkamer waar de overdracht van de cocaïne zou plaatsvinden. Het leggen van het eerste contact is een typische handeling die past binnen medeplichtigheid en zeker geen intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen. Het feit dat verdachte bij de afspraken slechts lijfelijk en op afstand aanwezig is geweest, is überhaupt niet te kwalificeren als een deelnemingshandeling. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.


De raadsvrouw heeft betoogd dat ook voor feit 2, vrijspraak dient te volgen nu het medeplegen, gelet op hetgeen hierover bij feit 1 meer subsidiair al naar voren is gebracht, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarnaast is voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben nodig dat verdachte de beschikking had over die wapens en munitie en enige macht daarover kon uitoefenen. Daarbij dient te worden vastgesteld dat verdachte zich op zijn minst bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van die wapens. De enige personen die over de aanwezigheid van wapens en munitie in de auto kunnen verklaren, zijn verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachte heeft meerdere keren nadrukkelijk verklaard dat hij nooit wapens bij de medeverdachten of in de auto’s heeft gezien en ook dat hier nooit over gesproken is. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte de wapens nooit heeft gezien en dat er ook niet over gesproken is. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat er niet is gesproken over wapens en dat ook hij geen wapens heeft gezien. Nu van enige bewustheid bij verdachte van de aanwezigheid van de wapens en munitie niet blijkt, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1

Feit 1


Bewijsmiddelen


Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij in de gevangenis zat in Lille, [A] , een Colombiaan heeft leren kennen. De Colombiaan belde hem en zei: vind iemand voor mij, ik heb koopwaar. Verdachte ontmoette toevallig [medeverdachte 1] . Hij zei tegen [medeverdachte 1] dat er een Colombiaan was die cocaïne had en vroeg [medeverdachte 1] of hij daar interesse in had. Het ging om 20 kilo. Verdachte heeft voor de ontmoeting tussen hen gezorgd. De Colombiaan heeft tegen [medeverdachte 1] gezegd dat als verdachte niet zou komen er geen handel zou zijn, want de Colombiaan kende [medeverdachte 1] niet. Verdachte is in totaal drie keer in Zeist geweest. De eerste keer was samen met [medeverdachte 1] om de koopwaar te zien. Ze kwamen om 20:00 uur aan en de Colombiaanse bemiddelaar zei dat zij de koopwaar nu niet konden zien, omdat ze laat waren en dat er dus een nieuwe afspraak moest worden gemaakt. Verdachte heeft toen gezegd dat ze maar contact moesten opnemen met [medeverdachte 1] . De bemiddelaar zei dat als verdachte niet zou komen, zij ook niet zouden komen. Een week later hadden zij weer een afspraak gemaakt. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn naar Zeist gegaan. De baas heeft toen 2 blokjes tevoorschijn gehaald. [medeverdachte 1] nam een stukje en zei dat het goed was. Een week later zouden ze weer afspreken. [medeverdachte 1] heeft verdachte, op de dag van de zaken, opgehaald in Lille met een zwarte Mercedes. Verdachte vroeg aan [medeverdachte 1] of hij geld had meegenomen om zaken te doen. [medeverdachte 1] zei toen tegen verdachte: “Nee, geen zorgen, die zit in de BMW achter ons.”

De Colombiaan zei tegen verdachte dat hij naar het café moest gaan en dat over 30 minuten de operatie achter de rug zou zijn. Verdachte is in de auto gebleven. Toen de 30 minuten voorbij waren, is verdachte naar het restaurant Tapa Tapa gegaan. Vervolgens is hij weer terug naar de auto gegaan en heeft hij zijn vriend gebeld, maar de telefoon ging niet over. Hij heeft geprobeerd met de Colombianen te bellen, maar ook die ging niet over. Verdachte is in de auto gebleven en is daarna weer naar Tapa Tapa gegaan.


[medeverdachte 1] heeft, toen hij als verdachte door de politie werd verhoord, verklaard dat een vriend (zijnde verdachte) uit Lille in de gevangenis zat met een Colombiaan. Die vriend was uit de gevangenis gekomen en [medeverdachte 1] en die vriend hebben elkaar ontmoet. De vriend heeft toen gezegd dat hij een Colombiaan kende die cocaïne had. [medeverdachte 1] en die vriend zijn twee keer naar Zeist gegaan. De eerste keer waren ze daar een beetje laat, dus de Colombianen zeiden dat het onmogelijk was om de coke te zien. De tweede keer hadden de Colombianen [medeverdachte 1] en zijn vriend naar een hotel gebracht om de cocaïne te zien. [medeverdachte 1] is toen weg gegaan met een monster. Er is toen nog niets gekocht. Ongeveer een week later kwamen ze terug voor de deal in Zeist. Ze waren met zijn drieën, [medeverdachte 1] , de vriend en een kennis. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met zijn vriend in de voorste auto, de Mercedes zat, en dat de kennis achter hem reed in de BMW. In de BMW lagen twee tassen waar door de kennis van [medeverdachte 1] geld in werd gestopt. De vriend heeft de Colombianen gebeld met een telefoon. [medeverdachte 1] is met de kennis meegegaan met de Colombianen. Ze kwamen bij een kamer en daar werden ze binnen gelaten. [medeverdachte 1] heeft over de kamer verklaard dat hij de laatste keer voor de deal ook in die kamer was geweest.


Ter terechtzitting van 13 juli 2017 heeft verdachte verklaard dat het de bedoeling was dat de cocaïne mee terug zou gaan naar Frankrijk.


Bewijsoverweging


Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 primair en subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Tenlastegelegd is het medeplegen dan wel de medeplichtigheid aan de uitvoer van cocaïne, een middel vermeld op lijst I horende bij de Opiumwet. Door de politie zijn in de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] meegenomen koffer twintig pakketjes met een witte, poederachtige substantie aangetroffen. Door het NFI is vastgesteld dat de inhoud van de pakketjes coffeïne en boorzuur bevatten. De rechtbank is, met de raadsvrouw en de officier van justitie, van oordeel dat nu gebleken is dat het om nep cocaïne ging, er sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging. Aangezien de uitvoer van een strafbare substantie (in dit geval cocaïne) nooit kon worden voltooid, moet verdachte worden vrijgesproken van betrokkenheid bij de tenlastegelegde poging.


Feit 1 meer subsidiair

De rechtbank dient ten aanzien van feit 1 meer subsidiair te beoordelen of de handelingen die door verdachte zijn verricht met betrekking tot de voorgenomen drugsdeal te kwalificeren zijn als voorbereidingshandelingen.


Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij degene was die over informatie beschikte dat er een grote partij cocaïne werd aangeboden door Colombianen. Verdachte heeft hier vervolgens een geïnteresseerde voor gevonden en het contact tussen hen tot stand gebracht. Vervolgens is hij als contactpersoon blijven optreden, omdat volgens hem de Colombianen zonder zijn aanwezigheid geen deal wilden sluiten. Op de dag van de deal heeft hij de Colombianen gebeld en is vervolgens bij de auto blijven wachten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door niet alleen inlichtingen over de drugs te verstrekken, maar ook als bemiddelaar en/of contactpersoon bij de totstandkoming van de drugsdeal te blijven fungeren, voorbereidingshandelingen voor de beoogde uitvoer van de cocaïne heeft verricht. Verdachte heeft deze handelingen bovendien in nauwe samenwerking met [medeverdachte 1] verricht. Immers, verdachte heeft hem benaderd en is met hem meerdere keren naar Zeist afgereisd ter voorbereiding en uitvoering van de drugsdeal. Aldus is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat sprake is van het medeplegen, bestaande uit een gezamenlijke uitvoering van deze voorbereidingshandelingen.


Daarmee acht de rechtbank feit 1 meer subsidiair wettig en overtuigend bewezen.


4.3.2

Feit 2

De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan. Tenlastegelegd is het medeplegen van het bezit van wapens en munitie. Uit het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie en dat hij daarover heeft kunnen beschikken.

Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


Feit 1, meer subsidiair

in de periode van 1 mei 2015 tot en met 2 juni 2015 te Zeist tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden


zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,


als volgt heeft gehandeld,


immers heeft/hebben/zijn/is hij en/of zijn mededaders opzettelijk


- een afspraak gemaakt met een of meer Colombianen (waaronder [A] ;

- vervolgens opnieuw naar Nederland gekomen en aldaar van die Colombianen een monster cocaïne in ontvangst genomen;

- vervolgens opnieuw, op 2 juni 2015 met een voertuig naar Nederland gekomen in bezit van een tas en geld en een meeting in een hotelkamer gehouden (om een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een materiaal bevattende stof van lijst I, in ontvangst te nemen)

- toen de medeverdachten in de hotelkamer waren in/bij het voertuig op hen gewacht.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:


Feit 1, meer subsidiair

medeplegen van: een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest.



8.2

Het standpunt van de verdediging

Hoewel de raadsvrouw voor alle feiten vrijspraak heeft bepleit, heeft zij ten aanzien van de strafmaat – mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen – het volgende aangevoerd.

In de eerste plaats dient er rekening mee te worden gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een feit dat gerelateerd kan worden aan drugs of wapens. Verdachte dient dan ook als first offender te worden beschouwd. Daarnaast moet ten voordele van verdachte rekening worden gehouden met de kleine rol die hij in het geheel heeft gespeeld.

Verdachte heeft al lange tijd vastgezeten. Het thuisfront van verdachte is door de detentie ontwricht geraakt. De 12-jarige zoon van verdachte is hierdoor van school gestuurd en de kans bestaat dat hij, als verdachte opnieuw een (lange) gevangenisstraf zal moeten uitzitten, opnieuw zal afglijden. De vrouw van verdachte heeft medische problemen en moet maandelijks naar het ziekenhuis. Wanneer verdachte opnieuw naar de gevangenis moet, is het voor haar erg zwaar dat zij alleen voor alle drie de kinderen moet zorgen. De aanwezigheid van verdachte thuis is dan ook van groot belang.

Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de duur van het strafproces eveneens in straf verminderende zin dient de worden meegewogen.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de uitvoer van een grote partij cocaïne. Verdachte was degene die de informatie hierover kreeg en het contact tot stand heeft gebracht tussen [medeverdachte 1] en de Colombianen. Vervolgens is hij ook meerdere keren met [medeverdachte 1] naar Zeist gekomen waarbij tijdens de laatste ontmoeting een deal zou worden gesloten. Hij is als contactpersoon en/of bemiddelaar blijven optreden. Verdachte is bewust met anderen vanuit Frankrijk naar Nederland gekomen voor het kopen van cocaïne. Daarbij is verdachte degene geweest die het initiatief hiertoe heeft genomen, zonder hem zou deze deal immers nooit tot stand zijn gekomen. Dit rekent de rechtbank verdachte dan ook aan.


Door aldus te handelen, heeft verdachte meegewerkt aan het tot stand brengen van handel in drugs. Drugsgebruik schaadt de volksgezondheid en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.


Om te bevorderen dat landelijk door gerechten in gelijke gevallen gelijke straffen worden opgelegd heeft het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) oriëntatiepunten voor straftoemeting opgesteld. Bij de uitvoer van harddrugs van een hoeveelheid van 10 tot 20 kilogram wordt als oriëntatiepunt 48 tot 60 maanden gevangenisstraf gehanteerd. De rechtbank zal dit oriëntatiepunt bij de bepaling van de straf als uitgangspunt nemen, waarbij zij er rekening mee houdt dat het hier om voorbereidingshandelingen gaat.


Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van zijn justitiële

voorgeschiedenis. Verdachte heeft in Nederland een blanco strafblad maar hij is in Frankrijk

wel eerder veroordeeld, blijkens een uittreksel uit het European Criminal Records

Information System van 5 juli 2017. Verdachte is meerdere keren tot een gevangenisstraf veroordeeld wegens vermogensdelicten, ook in combinatie met geweld.


De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 3 jaar geëist en heeft, anders dan de rechtbank, ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen geacht. Ondanks dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, ziet zij, gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS, de rol van verdachte en zijn strafblad, geen aanleiding om van deze eis af te wijken.

9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen

  • - 27 en 47 van het Wetboek van Strafrecht en
  • - 10 en 10a van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10BESLISSING


De rechtbank:


Vrijspraak

- verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;


- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.







Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. J.A. Spee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juli 2017.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

Primair


hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2015 tot en met

2 juni 2015 te Zeist, althans in Nederland


ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om


tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid

5 van de Opiumwet, ongeveer 20 kilo, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij die wet behorende lijst I, immers heeft/hebben is/zijn

verdachte en / of zijn mededader(s) opzettelijk

- een afspraak gemaakt met een of meer Colombianen (waaronder [A]

) in Nederland;

- en/of (vervolgens opnieuw) naar Nederland gekomen en aldaar van die

Colombianen een monster cocaine in ontvangst genomen;

- en/of (vervolgens opnieuw, op 2 juni 2015) naar Nederland gekomen en/of een

meeting in een hotelkamer gehouden (om aldaar 20 kilo, in elk geval een

materiaal bevattende cocaïne, in ontvangst te nemen)

- en/of toen de medeverdachten in de hotelkamer waren op hen gewacht;

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet


Subsidiair


[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op een of meer tijdstippen gelegen in de periode

van 1 mei 2015 tot en met 2 juni 2015 te Zeist, althans in Nederland


ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om


tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid

5 van de Opiumwet, ongeveer 20 kilo, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij die wet behorende lijst I,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot plegen van welk misdrijf verdachte, opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

een afspraak te maken met een of meer Colombianen (waaronder [A]

) in Nederland en/of (vervolgens opnieuw) naar Nederland te

gaan en aldaar van die Colombianen een monster cocaïne in ontvangst te nemen

en/of (vervolgens opnieuw, op 2 juni 2015) naar Nederland ta gaan en/of toen

de medeverdachten in de hotelkamer waren vanwege een meeting (om aldaar 20

kilo, in elk geval een materiaal bevattende cocaïne, in ontvangst te nemen) op

hen gewacht

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet


Meer subsidiair


Dat hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2015 tot en met 2 juni 2015 te Zeist, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen


zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht/trachten te verschaffen, en/of


voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen, voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;


als volgt heeft gehandeld,


immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders opzettelijk


- een afspraak gemaakt met een of meer Colombianen (waaronder [A] ) in Nederland;

- en/of (vervolgens opnieuw) naar Nederland is gekomen en aldaar van die Colombianen een monster cocaïne in ontvangst genomen;

- en/of (vervolgens opnieuw, op 2 juni 2015)(met een voertuig) naar Nederland is gekomen in bezit van een tas en/of geld en/of wapens e/of meeting in een hotelkamer gehouden (om een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een materiaal bevattende stof van lijst I, in ontvangst te nemen)

- en/of toen de medeverdachten in de hotelkamer waren in/bij het voertuig op heb gewacht.


2.


hij op of omstreeks 02 juni 2015 te Zeist, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, merk BBM Bruni

model 92, en/of

een of meer wapens van categorie II, te weten een machinepistool, Zastava,

model M84, en/of

munitie van categorie III, te weten 5 patronen kaliber 9 mm en/of 28 patronen

kaliber 7,65 mm en/of een patroonhouder van categorie III, voorhanden

heeft/hebben gehad;


De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal. nr. 2015 169100 (onderzoek 09Jager), bevinden, bestaande uit: - D-verbaal: p. 1 tot en met 2050: - E t/m H-verbaal: p. 1 tot en met 252; - FO dossier: p. 1 tot en met 502; - aanvullend FO dossier: p. 1 tot en met 29. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] van 22 februari 2016, G-verbaal, pagina 208.
3 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] van 22 februari 2016, G-verbaal, pagina 210.
4 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] van 22 februari 2016, G-verbaal, pagina 211.
5 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] van 22 februari 2016, G-verbaal, pagina 213.
6 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] van 22 februari 2016, G-verbaal, pagina 210.
7 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 17 juli 2015, D-verbaal, pagina 566.
8 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 17 juli 2015, D-verbaal, pagina 567.
9 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 17 juli 2015, D-verbaal, pagina 570.
10 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 17 juli 2015, D-verbaal, pagina 571.
11 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 17 juli 2015, D-verbaal, pagina 567.
12 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 17 juli 2015, D-verbaal, pagina 568.
13 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 13 juli 2017.