Rechtbank Midden-Nederland, 21-07-2017 / 659327-17


ECLI:NL:RBMNE:2017:3931

Inhoudsindicatie
Inbraak in woning door twee personen. Verdachte bekent de ruit te hebben ingegooid en binnen gezocht te hebben naar goederen. De rechtbank bewijs medeplegen gelet op de camerabeelden.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-21
Publicatiedatum
2017-08-03
Zaaknummer
659327-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/659327-17 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [postcode] [woonplaats] [adres]uit andere hoofde gedetineerd in de [verblijfplaats] .

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M. Tromp en van hetgeen verdachte en diens raadsman mr. B.J. de Pree, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


Primair: op 13 januari 2017 te Weesp in vereniging een (zonne)bril van [slachtoffer] heeft weggenomen uit een woning aan de [adres] door middel van braak en/of verbreking;


Subsidiair: heeft gepoogd op 13 januari 2017 te Weesp in vereniging geld en/of goederen van [slachtoffer] weg te nemen uit die woning door middel van braak en/of verbreking.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.


4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Zij heeft daarvoor verwezen naar de uitwerking van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, naar de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. De verdachten zijn herkend op de camerabeelden. Ook het tijdsbestek waarbinnen personen zich aan de voorzijde van de woning bevinden, personen zich in de achtertuin van die woning bevinden en de inbraak gepleegd is, laat geen ruimte voor andere daders dan verdachten.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft bekend en heeft verklaard het feit alleen gepleegd te hebben. Het kan niet bewezen worden dat de zonnebril van aangeefster is weggenomen, nu verdachte na de inbraak niet in het bezit is gekomen van een zonnebril en een zonnebril een goed is dat vaak kwijt raakt. In eerste instantie had aangeefster gemeld dat er geen goederen waren weggenomen.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen

Aangeefster heeft verklaard dat zij op de [adres] te [woonplaats] woont. Zij heeft haar woning op 13 januari 2017 rond 14.00 uur verlaten en zag, toen zij rond 23.00 uur thuiskwam, dat haar huis helemaal overhoop was gehaald. In de keuken zag zij dat de volledige ruit van de achterdeur op de grond lag en dat er een grote tegel tussen het glas lag. Aangeefster heeft laten weten dat er een zonnebril van het merk JOOP was weggenomen.


Verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat hij naar de achterzijde van de woning in de [straatnaam] te [woonplaats] is gelopen en met een stoeptegel uit de tuin de ruit heeft ingegooid. Hij heeft vervolgens 15 minuten gewacht om te kijken of er iets gebeurde. Daarna heeft hij handschoenen aangedaan en is naar binnen gegaan. Hij is op zoek gegaan naar waardevolle spullen. Hij heeft alleen voor zichzelf willen verklaren en niet voor anderen.


Op camerabeelden van de [adres] te [woonplaats] is te zien dat op 13 januari 2017 rond 20.55 uur drie personen door de [straatnaam] lopen aan de voorkant van de woningen. De rechter persoon op de beelden wordt in het proces-verbaal aangemerkt als ‘persoon 1’, de middelste persoon als ‘persoon 2’ en de linker persoon als ‘persoon 3’. ‘Persoon 1’ en ‘persoon 2’ kijken woningen in.


Rond 20.56 uur worden drie personen aan de achterkant van de woning [adres] gezien, waarbij ‘persoon 2’ en ‘persoon 3’ zijn herkend als de personen die even daarvoor op de camerabeelden aan de voorkant te zien waren. Zij verlaten om 21.01 uur het beeld. ‘Persoon 2’ komt om 21.07 uur weer in beeld en heeft een lampje op zijn voorhoofd en zwarte handschoenen aan. Hij stapt ergens overheen, de achtertuin van nummer 9 in. ‘Persoon 3’ blijft staan en kijkt in de richting van de steeg waar zij vandaan zijn gekomen. Om 21.08 uur verlaat ‘persoon 3’ het beeld gevolgd door twee personen die vanuit de achtertuin wederom ergens overheen stappen en weglopen.


Om 21.44 uur komen weer drie personen in beeld. Twee personen lopen de achtertuin van nummer 9 in en één persoon, herkend als ‘persoon 3’, blijft staan en kijkt om zich heen. Om 22.02 uur lopen de andere twee personen samen de achtertuin uit richting ‘persoon 3’. Samen lopen zij uit beeld.


‘Persoon 2’ is door verschillende verbalisanten herkend als verdachte [medeverdachte] .


Op 23 maart 2017 worden de camerabeelden nogmaals bekeken en dan wordt ook gezien dat ‘persoon 1’ aan de achterzijde van de woning was. Gezien wordt dat ‘persoon 1’ rond 21.07 uur de achtertuin instapt gevolgd door ‘persoon 2’. Om 21.08 uur wordt gezien dat ‘persoon 3’ wegloopt en dat ‘persoon 1’ en ‘persoon 2’ achter elkaar aan komen en richting de steeg lopen waar zij vandaan kwamen. Zij stappen wederom ergens overheen aan de achterzijde van de woning.


‘Persoon 1’ is herkend als verdachte [verdachte] , hetgeen verdachte ter terechtzitting ook heeft bevestigd.


Bewijsoverweging

Aangeefster heeft verklaard dat haar zonnebril is weggenomen en dat de ruit van haar achterdeur kapot was en een tegel in het glas lag. Verdachte heeft bekend dat hij een tegel door de ruit heeft gegooid en dat hij in de woning is geweest op zoek naar waardevolle goederen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dacht niets mee te hebben genomen uit de woning, maar dat hij dat niet meer zeker weet.


De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een voltooide diefstal met braak, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het gegeven dat de zonnebril niet bij verdachte is aangetroffen doet hier niet aan af.


Ook het medeplegen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van verdachte dat hij het feit alleen heeft gepleegd vindt geen steun in het dossier. Op de camerabeelden is te zien dat drie personen bij de woning op de [adres] te [woonplaats] zijn geweest, waarbij twee personen de achtertuin in zijn gegaan en één persoon is blijven staan. Verdachte [medeverdachte] heeft hierbij een lampje op zijn hoofd en zwarte handschoenen aan. Zij zijn weggegaan en ongeveer 35 minuten later komen drie personen terug, onder wie ‘persoon 3’. Twee personen stappen wederom de tuin in en ‘persoon 3’ blijft staan. Pas 18 minuten later lopen de twee personen weer de tuin uit. Gelet op het tijdsverloop tussen de twee keer dat personen de tuin in zijn gegaan, het feit dat het telkens om drie personen gaat en het feit dat telkens ‘persoon 3’ hierbij aanwezig was, is de rechtbank van oordeel dat dit telkens dezelfde personen betreffen, onder wie verdachten [verdachte] en [medeverdachte] . Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm dat zij op dit tijdstip aan de voorkant bij de woningen naar binnen kijken, met twee personen de achtertuin van een woning binnengaan met een lamp op het hoofd en handschoenen aan en dat één persoon buiten het hek blijft staan en om zich heen kijkt, is de rechtbank van oordeel dat in het geval van verdachte sprake is van medeplegen van een woninginbraak.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


Primair:

op 13 januari 2017 te Weesp, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zonnebril toebehorende aan

[slachtoffer] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:


Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf gelijk aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met aftrek van het voorarrest;

- een gevangenisstraf voor de duur van één maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd ;

- een taakstraf van 150 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis.


De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de (telefonische) mededeling van de reclassering dat verdachte zijn leven wil verbeteren. De goede stappen die hij nu heeft gemaakt moeten niet doorkruist worden.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van de tijd dat hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand op te leggen. Hij heeft verzocht geen taakstraf op te leggen. Enerzijds omdat de raadsman tot een andere bewezenverklaring komt en anderzijds omdat verdachte, als hij vrij komt, zes dagen per week, tien uur per dag kan gaan werken. Hij heeft dan geen tijd om een taakstraf uit te voeren.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Hij heeft het eigendomsrecht van een ander geschonden en de bewoonster van de woning veel schade berokkend en overlast bezorgd. Hij is binnengedrongen in de persoonlijke levenssfeer van die bewoonster, hetgeen bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht heeft. Door woninginbraken ontstaat bovendien een gevoel van onveiligheid in de samenleving.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 28 april 2017, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor (bedrijfs)inbraken;

- een reclasseringsadvies ten behoeve van schorsing/raadkamer van 16 mei 2017, uitgebracht door [A] , reclasseringswerker van Reclassering Nederland.


De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor een woninginbraak uit van 3 maanden gevangenisstraf, dan wel, indien sprake is van recidive, 5 maanden gevangenisstraf. In dit geval is sprake van recidive, zodat een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden in beginsel passend is.


De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf er rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 6 maart 2017 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.


Uit het reclasseringsadvies van 16 mei 2017 blijkt dat er zorgen zijn met betrekking tot het sociale netwerk van verdachte, zijn middelengebruik en zijn financiën. Hij lijkt gemotiveerd te zijn om zijn leven anders in te richten. Het recidiverisico wordt door de reclassering als matig ingeschat. De reclassering heeft geadviseerd om (bij een schorsing) als voorwaarden op te leggen: een meldplicht, ambulante behandeling bij [naam instelling 1] , middelencontrole, meewerken aan zinvolle dagbesteding, contactverbod met de medeverdachten, een locatieverbod voor een deel van Weesp en een locatiegebod.


Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een stappenplan heeft gemaakt dat hij kan volgen als hij uit detentie komt. Hij heeft afstand genomen van zijn foute vrienden en gaat zich op zichzelf richten. Als hij uit detentie komt kan hij gaan werken.

Ter zitting heeft de officier van justitie meegedeeld dat de reclassering telefonisch heeft bevestigd dat zij denkt dat verdachte zijn leven wil beteren.


Gelet op het bewezenverklaarde feit en de oriëntatiepunten daaromtrent kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank wil echter de toekomstplannen van verdachte, die er blijk van geven dat hij zijn leven wil beteren, niet doorkruisen door het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met bijzondere voorwaarden, waarbij de rechtbank op dit moment geen meerwaarde ziet in het opleggen van een contactverbod en een locatiegebod en –verbod. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een taakstraf opleggen.


Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden zoals hierna vermeld passend en geboden is. Daarnaast zal aan verdachte een taakstraf voor de duur van 150 uren worden opgelegd.

9BENADEELDE PARTIJ


[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.000,- aan niet vergoede schade. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.


9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Zij acht een voorschot van € 500,- redelijk en verzoekt de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de immateriële schade mogelijk is vergroot door de eerdere inbraak. Hij heeft verzocht de vordering sterk te matigen.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

De immateriële schade komt voor vergoeding in aanmerking, nu de benadeelde partij door de inbraak in haar woning (op andere wijze) in haar persoon is aangetast. De gevraagde vergoeding van € 3.000,- acht de rechtbank, zonder nadere onderbouwing, echter niet billijk. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 500,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 januari 2017 tot de dag van volledige betaling.


De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.


Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 januari 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 10 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het onder primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren;


- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;


- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;


- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 1 maand, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland (De Meent 4, 8224 BR Lelystad) en zich daar blijft melden, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* een zinvolle, in ieder geval door de reclassering goed te keuren, dagbesteding zal hebben, bij voorkeur bestaande uit (toeleiding naar) werk en/of scholing;

* meewerkt aan controle op het gebruik van verdovende middelen en alcohol door [naam instelling 2] of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering;

* meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek bij de forensische polikliniek [naam instelling 1] , of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering.

* meewerkt aan eventuele uit dat onderzoek voortvloeiende behandelingen, waarbij hij zich houdt aan de aanwijzingen van instelling, waar hij behandeld wordt en van zijn behandelaar(s);


- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;


- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;


Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 500,- voor immateriële schade;


- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;


- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;


- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 500,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen hechtenis;


- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter, mrs. C.A. de Beaufort en R.C.J. Hamming, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2017.


Mr. C.A. de Beaufort en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


Primair:

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te Weesp, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (zonne)bril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen (zonne)bril onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;


Subsidiair:

hij op of omstreeks 13 januari 2017 te Weesp ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [adres] weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met zijn mededader(s), althans alleen, naar die/dat locatie is gegaan, alwaar hij en/of zijn mededader(s) een stoeptegel door een raam van de woning aan de [adres] heeft/hebben gegooid, waarna de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet werd voltooid.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 30 maart 2017 (5e nazending), genummerd PL0900-2017014615, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 247. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina’s 39 en 40.
3 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 70.
4 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 240 en 241.
5 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 48, 49 en 50.
6 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 218 en 219.
7 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 218 en 219.
8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 juli 2017.