Rechtbank Midden-Nederland, 30-10-2017 / C/16/440537 / FA RK 17-3218


ECLI:NL:RBMNE:2017:5941

Inhoudsindicatie
afwijking van de aanbevelingen van de Expertgroep ten aanzien vd behoefte van het kind, gelet op de financiële situatie van partijen ten tijde van de geboorte van het kind (partijen hebben nimmer met elkaar samengewoond).
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-10-30
Publicatiedatum
2017-12-01
Zaaknummer
C/16/440537 / FA RK 17-3218
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht


locatie Utrecht


zaaknummer / rekestnummer: C/16/440537 / FA RK 17-3218

(vaststellen kinderalimentatie)


Beschikking van 30 oktober 2017


in de zaak van


[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.J. Boven,


tegen


[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Lont.



1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • - het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen ter griffie op 14 juni 2017;
  • - het verweerschrift van de zijde van man, van 9 augustus 2017;
  • - het F-formulier met productie 1 tot en met 4 van de zijde van de vrouw, van 19 september 2017;
  • - het F-formulier met productie 5 van de zijde van de vrouw, van 25 september 2017;
  • - het F-formulier met productie 6 van de zijde van de man, van 29 september 2017.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 2 oktober 2017. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting heeft mr. M. Lont producties overgelegd.


2Vaststaande feiten


2.1.

Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2011] .


2.2.

De man heeft [voornaam van minderjarige] erkend. De vrouw oefent van rechtswege alleen het gezag over [voornaam van minderjarige] uit.



3Beoordeling van het verzochte


3.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van 28 maart 2017 maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 250,-- aan de vrouw dient te voldoen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] .


3.2.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.


Behoefte

3.3.

Partijen hebben nimmer in gezinsverband met elkaar samengeleefd. Volgens de man dient daarom de behoefte van [voornaam van minderjarige] , conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de aanbevelingen), bepaald te worden door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van de inkomens van beide ouders (afzonderlijk). De man stelt dat zijn inkomen in 2011 € 13.517,-- bruto per jaar was. Hij overlegt daartoe een verklaring geregistreerd inkomen 2011. De man becijfert uitgaande van dit inkomen zijn netto besteedbaar inkomen op € 977,-- per maand. Uit de door de vrouw overgelegde verklaring van geregistreerd inkomen 2011 volgt dat het inkomen van de vrouw in 2011 € 8.454,-- bedroeg. De man becijfert uitgaande van dit inkomen het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2011 op € 633,-- per maand. De man heeft daarbij ter zitting opgemerkt geen rekening te hebben gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat deze heffingskorting er in 2011 nog niet was. Bij het netto besteedbaar inkomen van de man becijfert de man aan de hand van de tabellen ‘kosten kinderen’ van 2011 en vier punten voor de kinderbijslag de behoefte van [voornaam van minderjarige] in 2011 op € 121,-- per maand en bij het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 78,-- per maand. Het gemiddelde bedraagt dan € 100,-- per maand. Geïndexeerd naar 2017 bedraagt de behoefte van [voornaam van minderjarige] dan € 108,-- per maand, aldus de man.


3.4.

De vrouw betwist dat de behoefte € 108,-- per maand bedraagt. Zij stelt dat de feitelijke behoefte van [voornaam van minderjarige] hoger is. De vrouw stelt daartoe dat partijen nog erg jong waren toen [voornaam van minderjarige] geboren werd. Zij waren toen beide nog bezig met hun opleiding. De enige inkomsten die zij op dat moment hadden waren inkomsten uit stages. Daarnaast was de vrouw op dat moment 18 jaar, zodat zij nog het minimum jeugdloon verdiende. Volgens de vrouw is het niet redelijk om op deze inkomens van partijen de behoefte van [voornaam van minderjarige] te baseren. Volgens de vrouw bedraagt de behoefte van [voornaam van minderjarige] circa € 270,-- per maand. Ter zitting is door haar gesteld dat de bijdrage van de man in elk geval € 150,-- per maand dient te zijn.


3.5.

De rechtbank overweegt dat nu partijen nimmer in gezinsverband met elkaar geleefd hebben de behoefte van [voornaam van minderjarige] op grond van de aanbevelingen bepaald dient te worden op het gemiddelde van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. Daarbij dient ook rekening gehouden dient te worden met het kindgebonden budget waar partijen destijds aanspraak op hadden. De rechtbank is echter van oordeel dat in het onderhavige geval in redelijkheid niet uitgegaan kan worden van de inkomens van partijen in 2011. Door de man is immers niet betwist dat beide partijen toen nog een opleiding volgde en dat zij slechts een beperkt inkomen hadden uit (onder meer) stages, zoals door de vrouw gesteld. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om af te wijken van de aanbevelingen en zal daarom voor de behoefte van [voornaam van minderjarige] als uitgangspunt nemen de laatste kolom van de tabellen ‘kosten kinderen’ van 2011, te weten een netto inkomen tot € 1.250,-- per maand. De behoefte van [voornaam van minderjarige] in 2011 kan aldus in redelijkheid worden becijferd op € 155,-- per maand. Geïndexeerd naar 2017 bedraagt de behoefte dan € 168,-- per maand.


Draagkracht van de man

3.6.

De man becijfert zijn netto besteedbaar inkomen aan de hand van zijn inkomen van € 2.250,-- bruto per maand op € 1.894,-- per maand. Zijn draagkracht bedraagt dan € 294,-- per maand. Nu de vrouw deze draagkracht niet heeft betwist, zal de rechtbank hier van uitgaan.


Draagkracht van de vrouw

3.7.

De vrouw ontvangt op dit moment een WW-uitkering. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een minimale draagkracht heeft van € 25,-- per maand.


Draagkrachtvergelijking

3.8.

Zoals hiervoor is overwogen bedraagt de draagkracht van de man € 294,-- per maand en de draagkracht van de vrouw € 25,-- per maand. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dan ook € 319,-- per maand. Dit is voldoende om volledig in de behoefte van [voornaam van minderjarige] van € 168,-- per maand te voorzien. Na vergelijking van ieders draagkracht becijfert de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] op € 155,-- per maand en dat van de vrouw op € 13,-- per maand.


Zorgkorting

3.9.

Gelet op de huidige zorgregeling kan de man aanspraak maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte, zijnde € 25,-- per maand.


Conclusie

3.10.

Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] op een bedrag van € 130,-- per maand.


Ingangsdatum

3.11.

De vrouw verzoekt de bijdrage in te laten gaan per 28 maart 2017. Zij stelt daartoe dat zij op die datum de man heeft aangeschreven met een verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] .


3.12.

De man voert daartegen verweer. De man stelt dat nergens uit blijkt dat de man vanaf genoemde datum rekening moest houden met het betalen van een bijdrage aan de vrouw. De man verzoekt de vaststelling van de bijdrage niet eerder in te laten gaan dan op de datum van indiening van het verzoekschrift.


3.13.

De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op 28 maart 2017. De rechtbank overweegt daartoe dat de man weet dat hij onderhoudsplichtig is jegens [voornaam van minderjarige] en dat hij er derhalve rekening mee kon houden dat hij een bijdrage aan de vrouw dient te voldoen.



4Beslissing


De rechtbank:


4.1.

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw met ingang van 28 maart 2017 zal verstrekken tot bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] op € 130,-- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


4.3.

wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, (kinder)rechter, in aanwezigheid van de griffier mr. R. van der Vaart en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2017.