Rechtbank Midden-Nederland, 06-12-2017 / 5556939 / MC EXPL 16-14004


ECLI:NL:RBMNE:2017:6021

Inhoudsindicatie
Eiser heeft in 2010 de levering van stadsverwarming door Nuon opgezegd. Nuon levert geen warmte meer, maar brengt ieder jaar het zogenaamde vastrecht in rekening voor de in de huurwoning bevindende installatie. Nuon beroept zich op haar algemene voorwaarden waarin is opgenomen dat gebruiker toestemming moet vragen aan de eigenaar van de woning om de installatie weg te laten halen. Dan zal geen vastrecht meer in rekening worden gebracht. Eiser legt de zaak voor aan de geschillencommissie Energie. De geschillencommissie stelt Nuon bij bindend advies in het gelijk. Partijen hebben zich verbonden dat het geschil aan de rechter kan worden voorgelegd binnen een termijn van twee maanden. Eiser legt de zaak aan de rechter voor nadat die termijn is verstreken. Eiser vraagt vernietiging op grond van artikel 7:904 BW dan wel nietig verklaring op grond van artikel 7:902 jo 3:40 BW. De kantonrechter oordeelt dat eiser ten aanzien van de vordering tot vernietiging van het bindend advies sprake is van niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de termijn op grond van artikel 3:55 lid 2 BW. In het verzoek tot nietigverklaring kan eiser wel worden ontvangen. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een onredelijk beding in de algemene voorwaarden. De geschillencommissie had dit ambtshalve moeten toetsen. Door dat niet te doen en geen toepassing te geven aan artikel 6:233 BW is de uitspraak van de geschillencommissie in strijd met de openbare orde en derhalve nietig.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-06
Publicatiedatum
2017-12-08
Zaaknummer
5556939 / MC EXPL 16-14004
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel rechtkantonrechter


locatie Almere



Vonnis van 6 december 2017


in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5556939 / MC EXPL 16-14004 van


[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,eiser, hierna ook te noemen: [eiser] ,gemachtigde mr. O.P. van der Linden,


tegen


de naamloze vennootschapN.V. NUON WARMTE,gevestigd te Amsterdam,gedaagde, hierna ook te noemen: Nuon,gemachtigde mr. F.H. Schraal.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 29 november 2016
  • - de conclusie van antwoord
  • - de conclusie van repliek tevens eiswijziging
  • - de conclusie van dupliek
  • - de akte uitlating producties van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Sinds 6 juni 1985 huurt [eiser] van (de rechtsvoorganger van) De Alliantie de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde).


2.2.

Het gehuurde is aangesloten op het warmtenet en de warmwatervoorziening van Nuon. Voor de stadsverwarming en het warme tapwater is vastrecht verschuldigd. In de huurovereenkomst is onder artikel 7 het volgende opgenomen:


“1 de kosten van verbruik van gas, water, electriciteit en energie, zowel voor kook- als verwarminsdoeleinden, met inbegrip van de meterhuur en eventueel vastrecht komen, voor zover niet geregeld in artikel 3 van deze verhuring, voor rekening van de huurder.

2 indien het gehuurde is aangesloten op het stadsverwarmingsnet, wordt verwezen naar de bepalingen in het in die gevallen bijgevoegde blad 5.”


2.3.

Op 21 maart 2010 heeft [eiser] via een verhuisformulier op de website van Nuon een afmelding voor stadswarmte doorgegeven tezamen met een meterstand van 12.222.


2.4.

Nuon heeft daarop op 22 maart 2010 telefonisch contact opgenomen met [eiser] . Nuon heeft daarbij laten weten dat afmelding voor het warmtecontract zonder dat er sprake is van een verhuizing alleen mogelijk is als de warmteaansluiting wordt verwijderd en dat daarvoor - krachtens de algemene voorwaarden - toestemming is vereist van de eigenaar van de woning.


2.5.

De “Algemene voorwaarden voor de levering van Warmte of Warmte en Warm tapwater aan huishoudelijke verbruikers 1 januari 2002” (hierna te noemen: de algemene voorwaarden 2002) van Nuon vermelden onder meer het volgende:


Artikel 6 Overeenkomst tot levering

(…)

5 Indien de verbruiker de overeenkomst niet tijdig heeft opgezegd, alsmede indien het bedrijf niet binnen de opzegtermijn in de gelegenheid is gesteld de voor de beëindiging van de overeenkomst noodzakelijke handelingen te verrichten, blijft de verbruiker gebonden aan hetgeen in of krachtens deze Algemene Voorwaarden is bepaald, totdat hij aan al zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.


Artikel 19 Andere verplichtingen

(…)

4 Indien de aanvrager of de verbruiker geen eigenaar is van het perceel, staat hij ervoor in dat de eigenaar akkoord gaat met het verrichten van alle handelingen die door het bedrijf voor het tot stand brengen, vervangen, verplaatsen, uitbreiden, wijzigen of wegnemen van een aansluiting of voor de levering noodzakelijk worden geacht, zowel ten behoeve van hemzelf als, ingevolge artikel 4 lid 1 van deze Algemene Voorwaarden, ten behoeve van derden. Het bedrijf kan verlangen dat de aanvrager of de verbruiker een schriftelijke verklaring van de eigenaar overlegt.


2.6.

De “Algemene Voorwaarden Warmte Voor verbruikers met een aansluiting tot en met 100 kW 1 januari 2014” (hierna te noemen: de algemene voorwaarden 2014) van Nuon vermelden onder meer het volgende:


Artikel 6 Overeenkomst tot transport en levering

(…)

7. Indien de verbruiker de overeenkomst niet binnen de in lid 6 bedoelde opzegtermijn heeft opgezegd, alsmede indien het bedrijf niet binnen de opzegtermijn in de gelegenheid is gesteld de voor de beëindiging van de overeenkomst noodzakelijke handelingen te verrichten, blijft de verbruiker gebonden aan hetgeen in of krachtens de overeenkomst en deze algemene voorwaarden is bepaald, totdat hij aan al zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.


Artikel 19 Andere verplichtingen

(…)

4. Indien de aanvrager of de verbruiker geen eigenaar is van het perceel, staat hij ervoor in dat de eigenaar akkoord gaat met het verrichten van alle handelingen die door het bedrijf voor het tot stand brengen, vervangen, verplaatsen, uitbreiden, wijzigen of wegnemen van een aansluiting of voor de levering noodzakelijk worden geacht, zowel ten behoeve van hemzelf als, ingevolge artikel 4 lid 1 van deze Algemene Voorwaarden, ten behoeve van derden. Het bedrijf kan verlangen dat de aanvrager of de verbruiker een schriftelijke verklaring van de eigenaar overlegt.”


2.7.

Nuon heeft op 21 maart 2012 een energieafrekening over de periode 4 februari 2011 tot 6 februari 2012 aan [eiser] gestuurd, waarbij een bedrag van € 281,32 aan vastrecht warmte in rekening is gebracht. Het verbruik van de warmte (stadverwarming) in die periode was 0,00 Gigajoule (GJ).


2.8.

Nuon heeft op 22 maart 2014 de energieafrekening over de periode 10 februari 2013 tot 13 maart 2014 aan [eiser] gestuurd, waarbij een bedrag van € 330,53 aan vastrecht warmte in rekening is gebracht. Het verbruik van de warmte (stadverwarming) in die periode was 0,00 GJ.


2.9.

Op 29 april 2014 heeft [eiser] nogmaals via het invullen een verhuisformulier op de website van Nuon een afmelding voor het warmteleveringscontract doorgegeven.


2.10.

Op 14 mei 2014 is er telefonisch contact geweest tussen [eiser] en Nuon.


2.11.

Nuon heeft op 14 mei 2014 een e-mail aan [eiser] gestuurd met onder meer de volgende inhoud:


Op 14 mei hebben wij elkaar telefonisch gesproken. In deze e-mail wil ik u de afspraken bevestigen.


Afmelding

Uw afmelding van de stadswarmte voor het adres [adres] te [woonplaats] , heb ik per morgen verwerkt. De meterstand van 12,222 is hiervoor gebruikt.

Bevestigingen

Binnen twee weken zal dit nog schriftelijk aan u bevestigd worden. Tevens zult u binnen drie weken de eindafrekening hiervan ontvangen.


2.12.

Nuon heeft op 3 juli 2014 de eindafrekening over de periode 14 maart 2014 tot 15 mei 2014 aan [eiser] gestuurd, waarbij een bedrag van € 53,79 aan vastrecht warmte in rekening is gebracht. Het verbruik van de warmte (stadverwarming) in die periode was 0,00 GJ.


2.13.

Bij brief van 17 juli 2014 heeft Nuon het volgende geschreven aan de bewoner(s)/eigenaar(s) van de [adres] te [woonplaats] :


“Uit onze administratie blijkt dat op dit adres warmte wordt afgenomen. Er is echter nog geen contract voor afgesloten. Wij hebben u gevraagd om binnen 5 werkdagen het registratieformulier ingevuld terug te sturen, om afsluiting te voorkomen. Tot op heden hebben wij nog geen reactie mogen ontvangen van u.”


2.14.

Op 21 juli 2014 heeft [eiser] onder meer het volgende aan Nuon gemaild:

“Uw administratie klopt niet ik gebruik geen verwarming en ben niet van plan dit in de toekomst te gaan doen.

Ik heb reeds op 22 maart 2010 opgezegd(zie bijlage)”.


2.15.

[eiser] heeft bij brief van 28 april 2015 bezwaar aangetekend tegen de jaarrekening van 14 maart 2014 tot 13 maart 2015.


2.16.

Op 11 mei 2015 heeft [eiser] aan De Alliantie een brief gestuurd. Hierin staat onder meer het volgende:

“Ik maak sedert 2008 geen gebruik meer van de warmte die geleverd wordt door Nuon. Desondanks moet ik ieder jaar de kosten van het vastrecht betalen ad € 315,35. Om hier vanaf te komen dient de warmte meter verwijderd te worden uit de meterkast. Omdat u de eigenaar bent van het object zou u het verzoek bij aansluitingen.nl moeten doen om de meter te laten verwijderen. Een ander optie zou zijn dat u de kosten van het vastrecht voor uw rekening neemt.

2.17.

De Alliantie heeft niet op deze brief gereageerd.


2.18.

[eiser] heeft zijn klacht tegen Nuon voorgelegd aan de Geschillencommissie Energie (hierna te noemen: de geschillencommissie).


2.19.

Nuon heeft op 23 november 2015 een schriftelijke voorstel aan [eiser] gedaan dat er kort samengevat op neerkomt dat Nuon, bij akkoord van de eigenaar/verhuurder:

de warmteaansluiting kosteloos zal verwijderen, onder voorwaarde dat de verhuurder/eigenaar instemt om de kosten te dragen voor het aanleggen van een nieuwe aansluiting, indien dit in de toekomst nodig zou zijn;

het sinds 2011 door [eiser] betaalde vastrecht warmte aan [eiser] zal restitueren;

het maandelijkse termijnbedrag van [eiser] met terugwerkende kracht zal aanpassen en de incassokosten kwijt zal schelden.


2.20.

[eiser] heeft niet gereageerd op dit voorstel van Nuon.


2.21.

Nuon heeft op 26 januari 2016 een verweerschrift aan de geschillencommissie verstuurd.


2.22.

[eiser] heeft op 7 februari 2016 een vragenformulier geschillencommissie ingevuld, ondertekend en verstuurd naar de geschillencommissie. Op het vragenformulier staat onder meer vermeld:


“Ondergetekende, vermeld onder 1 (ktr: [eiser] ), verklaart zich te onderwerpen aan de bepalingen van het reglement van de Geschillencommissie Energie en de uitspraak van de Geschillencommissie als bindend te aanvaarden (…).”


2.23.

[eiser] is bij brief uitgenodigd voor de hoorzitting van 23 maart 2016. In deze uitnodigingsbrief was onder meer opgenomen:


De uitspraak van de Geschillencommissie is bindend voor beide partijen. Vindt u of de andere partij de uitspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Dan kunt u of de andere partij de rechter vragen hier naar te kijken. Dit moet binnen twee maanden na de verzenddatum van de uitspraak gebeuren. U moet de andere partij dan dagvaarden. (…) Voor meer Commissie specifieke informatie verwijzen wij u naar het bij de commissie behorende reglement, brochure en onze website www. degeschillencommissie .nl.


2.24.

Artikel 31 lid 1 van het Reglement Geschillencommissie Energie per 7 juli 2015 (hierna te noemen: het reglement) luidt als volgt:


Vernietiging van het bindend advies van de commissie kan uitsluitend plaatsvinden door het ter toetsing voor te leggen aan de gewone rechter binnen twee maanden na de verzending van de uitspraak aan partijen. De rechter zal het bindend advies vernietigen, indien de uitspraak in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Door niet binnen voornoemde termijn de uitspraak aan de gewone rechter ter toetsing voor te leggen, wordt de uitspraak onaantastbaar.


2.25.

De geschillencommissie heeft bij bindend advies gedateerd 23 maart 2016, verzonden op 19 april 2016, geoordeeld dat de klacht van [eiser] ongegrond is. Hiertoe is onder meer overwogen:


Beoordeling van het geschil

(…)

Voor wat betreft de inhoudelijke klacht van de consument kan de commissie zich verenigen met het door de ondernemer uitvoerig weergegeven standpunt in zijn schriftelijk verweer van 26 januari 2016. De consument wenst geen vastrecht meer te betalen en vordert terugbetaling van het door hem betaalde vastrecht vanaf 2010 omdat hij geen gebruik maakt van de stadsverwarming en hij wenst dat tot verwijdering van de verwarmingsaansluiting uit zijn woning zal worden overgegaan. Terecht verwijst de ondernemer naar de toepasselijke algemene voorwaarden en meer in het bijzonder naar artikel 19 lid 4 waarin is bepaald dat indien de aanvrager of verbruiker geen eigenaar is van het perceel (hetgeen in casu het geval is) hij ervoor dient in te staan dat de eigenaar akkoord gaat met het verrichten van alle handelingen die door het bedrijf voor het tot stand brengen, vervangen, verplaatsen, uitbreiden, wijzigen of wegnemen van een aansluiting of voor het transport en de levering noodzakelijk worden geacht, zowel ten behoeve van hemzelf als ingevolge artikel 4 lid 1 van de algemene voorwaarden, ten behoeve van derden. Het bedrijf (in casu de ondernemer) kan verlangen dat de aanvrager of verbruiker een schriftelijke verklaring van de eigenaar overlegt. Kortom, voor de verwijdering van de aansluiting heeft de consument als huurder dus een toestemming-/akkoordverklaring van de verhuurder/eigenaar nodig, derhalve woningbouwvereniging De Alliantie. De consument miskent dat deze toestemming (contractueel) vereist is en ook nodig is, gelet op eventuele aansprakelijkheidskwesties en uiteraard de kosten die een hernieuwde aansluiting met zich meebrengen. Uit het dossier blijkt ook dat de consument op 11 mei 2015 een verzoek daartoe heeft gericht aan zijn woningbouwvereniging, doch een antwoord daarop is de commissie niet bekend en heeft de consument ook niet verder aangegeven. Bij gebreke van die toezegging/akkoordverklaring van de woningbouwvereniging kan en mag de ondernemer dan ook niet gehouden worden om uitsluitend in opdracht van de consument tot verwijdering van de aansluiting over te gaan. Hoewel geen sprake meer lijkt te zijn van warmteverbruik door de consument heeft hij nog wel steeds een aansluiting (en het daarbij behorende leidingwerk) in zijn woning zodat hij nog immer gehouden is om het vastrecht warmte te voldoen en ook geen aanspraak kan maken op terugbetaling van het door hem eerder betaalde vastrecht. Aldus wordt de klacht van de consument inhoudelijk ongegrond bevonden.


2.26.

Op 29 november 2016 is de dagvaarding van [eiser] aan Nuon betekend.


3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na vermeerdering van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

Het bindend advies gewezen door de geschillencommissie van 19 april 2016 met dossiernummer [nummer] te vernietigen;

Te verklaren voor recht dat [eiser] op 21 maart 2010 althans 14 mei 2014 althans een in goede justitie te bepalen datum de overeenkomst met Nuon ter zake de stadsverwarming rechtsgeldig heeft opgezegd;

Nuon tegen behoorlijk bewijs van kwijting te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 1.969,68;

Nuon tegen behoorlijk bewijs van kwijting te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over het onder 3 gevorderde bedrag vanaf 11 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

1. Te verklaren voor recht dat [eiser] op 11 juli 2016 de overeenkomst met Nuon ter zake de stadsverwarming rechtsgeldig heeft opgezegd;

Meer subsidiair:

1. AV-2002 en AV-2014 in het geheel te vernietigen althans te vernietigen voor zover het de beperking van de mogelijkheid tot opzegging van de leveringsovereenkomst voor stadverwarming door [eiser] betreft.


3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het bindend advies fundamenteel onjuist is en dat er overduidelijke en basale fouten zijn gemaakt. Gebondenheid van [eiser] aan het bindend advies is in verband met de inhoud daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 7:904 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Volgens [eiser] is het bindend advies kort gezegd in strijd met de fundamenten van het verbintenissenrecht. De geschillencommissie heeft klakkeloos aangenomen dat de algemene voorwaarden - op basis waarvan Nuon stelt dat [eiser] de leveringsovereenkomst niet mag opzeggen zonder toestemming van de verhuurder - van toepassing zijn. Daarnaast is, zo stelt [eiser] , het bindend advies ontoereikend gemotiveerd. [eiser] dient ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen. De onherroepelijkheid van een bindend advies (wegens het niet tijdig instellen van (hoger) beroep) laat de mogelijkheid om de gewone rechter te adiëren met een verzoek op grond van artikel 7:902 en/of 7:904 lid BW onverlet. Het bindend advies is in strijd met dwingend recht.

[eiser] is sinds 1985 de wederpartij van Nuon en de afnemer van stadsverwarming en heeft geen nieuwe leveringsovereenkomst met Nuon gesloten, ook niet tijdens een telefoongesprek op 2 november 2009. Op de niet-schriftelijke leveringsovereenkomst van 1985 zijn geen algemene voorwaarden van toepassing. Als er al in november 2009 een nieuwe leveringsovereenkomst zou zijn gesloten, dan zijn daar de algemene voorwaarden 2002 en 2014 niet op van toepassing. En als de algemene voorwaarden 2002 wel van toepassing zouden zijn, dan was onvoorwaardelijke opzegging mogelijk, aldus [eiser] .

[eiser] heeft geconcludeerd dat hij vanaf 2010 niet gehouden was vastrecht voor warmte te betalen.


3.3.

Nuon heeft verweer gevoerd. Nuon heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij het bindend advies niet binnen de (krachtens artikel 31 lid 1 van het reglement geldende) termijn van twee maanden (na verzending) ter toetsing heeft voorgelegd aan de gewone rechter. Het bindend advies is conform artikel 3:55 lid 2 BW onaantastbaar geworden en kan niet meer ter beoordeling aan de rechter worden voorgelegd.

Subsidiair stelt Nuon dat aan het bindend advies geen ernstige gebreken kleven waaruit - na marginale toetsing - vernietiging zou moeten volgen. Volgens Nuon heeft [eiser] zich op 2 november 2009 telefonisch aangemeld bij Nuon voor de levering van warmte en warm tapwater. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van toepassing. De mogelijkheid tot ontheffing van betaling van het vastrecht is verbonden aan de verwijdering van de warmte-aansluiting en voor die verwijdering is - krachtens de algemene voorwaarden - toestemming nodig van de eigenaar van de woning, in dit geval De Alliantie (zie artikel 6 lid 5 en artikel 19 lid 4 AV-2002). [eiser] heeft de overeenkomst met Nuon ter zake de stadverwarming niet rechtsgeldig opgezegd, aldus Nuon.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil ziet op de vraag in hoeverre [eiser] gehouden is aan Nuon het vastrecht warmte te voldoen, nu [eiser] de overeenkomst tot levering van warmte op 21 maart 2010 heeft opgezegd. De kantonrechter stelt vast dat naar aanleiding van bedoelde opzegging de levering van warmte is gestaakt, maar dat door Nuon daarna wel steeds het vastrecht in rekening is gebracht.


4.2.

Gelet op het primaire verweer van Nuon dient allereerst de vraag te worden beantwoord of [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering.


Vernietiging uitspraak geschillencommissie (artikel 7:904 jo. 3:55 lid 2 BW) 4.3. De kantonrechter oordeelt als volgt. In het betreffende formulier - overgelegd als productie 15 bij dagvaarding en een ondertekend exemplaar als productie 5 bij conclusie van antwoord - waarmee [eiser] het geschil heeft voorgelegd aan de geschillencommissie, heeft hij verklaard zich te onderwerpen aan de bepalingen van het reglement en de uitspraak van de geschillencommissie als bindend te aanvaarden. Daarmee maakt het reglement deel uit van hetgeen partijen in het kader van de geschillenbeslechting door de geschillencommissie zijn overeengekomen.


4.4.

Bij bindend advies van 23 maart 2016, dat aan partijen is verzonden op 19 april 2016, heeft de geschillencommissie de klachten van [eiser] ongegrond verklaard. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 31 lid 1 van het reglement stond aan [eiser] een termijn van twee maanden na verzending van het bindend advies ter beschikking om het bindend advies ter toetsing aan de rechter voor te leggen, zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:904 BW nu de uitspraak van de geschillencommissie een beslissing is van een derde als in laatstgenoemd artikel bedoeld. Dit betekent dat [eiser] uiterlijk op 18 juni 2016 de onderhavige procedure aanhangig had dienen te maken door aan Nuon de dagvaarding te doen betekenen. Betekening van de dagvaarding vond evenwel eerst plaats op 29 november 2016 en derhalve ruimschoots na afloop van de door artikel 31 van het reglement voorgeschreven en tussen partijen overeengekomen termijn.


4.5.

[eiser] heeft niet weersproken dat er sprake is van overschrijding van de termijn binnen welke hij de zaak (conform artikel 31 lid 1 van het reglement) aan de kantonrechter had dienen voor te leggen - en dat het bindend advies in beginsel onherroepelijk is geworden - maar heeft zich op het standpunt gesteld dat het onherroepelijk worden van een bindend advies wegens het niet (tijdig) instellen van (hoger) beroep de mogelijkheid om de gewone rechter te adiëren met een beroep op grond van artikel 7:904 lid 1 BW onverlet laat. Dit standpunt van [eiser] zal worden verworpen. In het reglement is - ter bekorting van de procesduur - de periode waarin het bindend advies van de geschillencommissie aan de rechter ter vernietiging kan worden voorgelegd beperkt tot een periode van twee maanden. Deze termijn dient ertoe om te bewerkstellen dat het bindend advies - met het verlopen van deze termijn - wordt bevestigd (artikel 3:55 lid 2). Met deze tijdsbegrenzing om vernietiging van het bindend advies te vorderen, wordt de rechtszekerheid en definitieve geschillenbeslechting gediend. Nu [eiser] niet binnen de termijn het bindend advies ter toetsing aan de rechter heeft voorgelegd en [eiser] bovendien geen enkel inzicht gegeven heeft in de reden waarom hij de termijn heeft laten verstrijken, is het bindend advies in beginsel bevestigd. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan de vraag of de uitspraak van de geschillencommissie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het bindend advies is immers onaantastbaar geworden, zodat [eiser] in zijn vordering tot vernietiging van het bindend advies niet-ontvankelijk zal worden verklaard.


Nietigheid uitspraak geschillencommissie (artikel 7:902 jo. 3:40 lid 1 BW)

4.6.

Hetgeen hiervoor is overwogen laat echter de mogelijkheid van een beroep op de onverbindendheid van het bindend advies onverlet indien er sprake zou zijn van een bindend advies dat naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde als bedoeld in artikel 7:902 BW, zoals ook door [eiser] betoogd. Een vaststelling die naar inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde is op grond van artikel 3:40 lid 1 BW nietig.


4.7.

[eiser] betwist allereerst de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat de geschillencommissie ten onrechte klakkeloos heeft aangenomen dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, maar Nuon heeft onweersproken gesteld dat [eiser] tijdens de procedure bij de geschillencommissie de ontvangst en de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden niet heeft bestreden. Aangezien [eiser] hier niet op gereageerd heeft, kan niet worden geconcludeerd dat de geschillencommissie daarmee een apert onjuiste beslissing in strijd met dwingend recht heeft genomen door te oordelen dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. [eiser] beroept zich er verder op dat voor zover de algemene voorwaarden wel van toepassing zouden zijn die voorwaarden de opzeggingsbevoegdheid van [eiser] beperken in strijd met artikel 6:233 sub a BW. [eiser] stelt verder dat op grond van artikel 6:236 sub j BW een overeenkomst tussen een gebruiker en wederpartij, als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt indien een in de algemene voorwaarden voorkomend beding, dat in geval van een overeenkomst tot het geregeld afleveren van zaken, electriciteit, warmte en koude daaronder begrepen, leidt tot een stilzwijgende voortzetting in een overeenkomst voor onbepaalde duur zonder dat de wederpartij de bevoegdheid heeft om de voortgezette overeenkomst te alle tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand. Ingevolge artikel 6:246 BW kan daar volgens [eiser] niet ten nadele van de consument van worden afgeweken.


4.8.

Nuon betwist evenwel dat door [eiser] rechtsgeldig is opgezegd. Nuon beroept zich binnen dit kader op het bepaalde in de artikelen 6 lid 5 en 19 lid 4 AV, kort gezegd en voor zover van belang inhoudende dat de overeenkomst voortduurt, zolang de verbruiker Nuon niet in de gelegenheid heeft gesteld de voor beëindiging noodzakelijke handelingen te verrichten, respectievelijk dat de verbruiker ervoor instaat dat de eigenaar akkoord gaat met het wegnemen van de aansluiting.


4.9.

De kantonrechter oordeelt verder als volgt. Indien het standpunt van Nuon zou worden overgenomen, zou het gevolg daarvan zijn dat [eiser] de leveringsovereenkomst niet zou kunnen opzeggen, nu toestemming van de verhuurder/eigenaar De Alliantie ontbreekt. Uit Nuon’s betoog blijkt niet dat [eiser] jegens De Alliantie verplicht is om de leveringsovereenkomst in stand te houden, althans daarover is onvoldoende gesteld. Het huurcontract van 6 juni 1985 biedt daarvoor geen basis nu niet is gebleken van een verplichting om warmte af te blijven nemen noch van een (blijvende) verplichting om aan Nuon vastrecht te betalen. Hieruit blijkt dat Nuon voor het bestaan van de door haar bedoelde verplichting om toestemming van De Alliantie tot beëindiging van de leveringsovereenkomst geen grondslag in de huurovereenkomst tussen [eiser] en De Alliantie heeft aangedragen. Welk belang De Alliantie heeft bij de instandhouding van de leveringsovereenkomst, heeft Nuon ook al onvoldoende gesteld. Onder deze omstandigheden zou het handhaven van de volgens Nuon in artikel 19 lid 4 van de algemene voorwaarden gestelde eis, dat voor deze opzegging de toestemming van de eigenaar van het perceel nodig is, het desbetreffende beding in de algemene voorwaarden mede vanuit een oogpunt van consumentenbescherming onredelijk bezwarend maken omdat het effect daarvan zou zijn dat [eiser] de leveringsovereenkomst, die in beginsel opzegbaar is, niet kan opzeggen (artikel 6:236 aanhef en onder j. BW). Het beding met de door Nuon gestelde inhoud zou dan (in zoverre) vernietigbaar zijn.


4.10.

De vraag die voorligt is welke gevolgen bovenstaande overwegingen hebben voor het door de geschillencommissie uitgesproken bindend advies. De kantonrechter zoekt aansluiting bij de Richtlijn 93/13 EEG (oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten). Gelet op de rechtspraak van het HvJ EU is de nationale rechter gehouden ambtshalve na te gaan of een contractueel beding valt onder Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en, zo ja, te onderzoeken of dit oneerlijk is, indien hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Volgens de rechtspraak van het HvJ EU gaat het hier om een onderzoek met betrekking tot recht dat gelijkwaardig is aan de nationale regels van openbare orde. Voor het Nederlandse recht brengt deze rechtspraak mee dat de rechter is gehouden ambtshalve na te gaan of een beding uit het oogpunt van de in Richtlijn 93/13 EEG gegeven criteria oneerlijk is, ook indien hij daarbij buiten het door partijen gestelde ontsloten gebied moet treden. Volgens het Nederlands procesrecht behoort de rechter immers recht van openbare orde in beginsel ook toe te passen buiten het door het door partijen gestelde ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen dient te respecteren. Richtlijn 93/13 EEG is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van art. 6:233 BW gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek ambtshalve te verrichten en het beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13 EEG (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691). De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het bovenstaande de geschillencommissie, rechtsprekend, naar analogie eveneens gehouden was ambtshalve te toetsen of hier sprake is van een oneerlijk beding en vervolgens toepassing te geven aan artikel 6:233 BW. Door dat niet te hebben gedaan is de uitspraak van de geschillencommissie van 19 april 2016 in strijd met de openbare orde en aldus nietig.


Conclusie

4.11.

De vordering tot vernietiging van het bindend advies door de geschillencommissie energie van 19 april 2016 kan gelet op het bepaalde onder overweging 4.2 tot en met 4.5 niet worden toegewezen. [eiser] zal in zijn vordering op dit punt niet ontvankelijk worden verklaard. De overige primaire vorderingen kunnen wel worden toegewezen, nu vast is komen te staan dat de uitspraak van de geschillencommissie nietig is op grond van artikel 3:40 lid 1 BW. Dit betekent dat [eiser] op 21 maart 2010 de overeenkomst met Nuon ter zake de stadsverwarming rechtsgeldig heeft opgezegd en dat het door [eiser] betaalde vastrecht van € 1.969,68 als onverschuldigd dient te worden terugbetaald. De gevorderde wettelijke rente komt eveneens voor toewijzing in aanmerking.


4.12.

Aan de beoordeling van de subsidiaire en meer-subsidiaire vordering komt de kantonrechter niet toe.


4.13.

Nuon zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 5. De beslissing

De kantonrechter:


verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vordering primair onder 1.


verklaart voor recht dat [eiser] op 21 maart 2010 de overeenkomst met Nuon ter zake de stadsverwarming rechtsgeldig heeft opgezegd;


veroordeelt Nuon om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.969,68 met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2016 tot de voldoening;


veroordeelt Nuon tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 675,57, waarin begrepen € 500,00 aan salaris gemachtigde;


verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2017.