Rechtbank Midden-Nederland, 14-12-2017 / 16/659560-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:6191

Inhoudsindicatie
Vier mannen zijn veroordeeld voor openlijke geweldpleging en bedreiging in 2016 in de De Eem in Lelystad. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de verdachten tot een gevangenisstraf van 200 dagen. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat het niet passend is dat de mannen terug de gevangenis in moeten en legt voorwaardelijke celstraffen op variërend van 155 tot 162 dagen. De vier mannen zijn familie van elkaar en waren het niet eens met de relatie van een vrouwelijk familielid met een 32-jarige man. De vrouw verklaart dat zij en de man met de dood bedreigd werden en dat de familie vuurwapens had. Op 23 april 2016 bestormden zij op klaarlichte dag met een auto het huis van de man. De auto ramde een motor en een stenen schuur. Daarnaast werden er stokken en stenen naar het huis gegooid. De man heeft toen uit de woning op leden van de familie geschoten. Twee van hen raakten gewond. Tijdens het schietincident was er nog een 30-jarige man in de woning. Hij is vrijgesproken van medeplichtigheid. De rechtbank stelt vast dat er een serieuze dreiging was en vindt de verklaring van de man dat hij meende dat er op hem werd geschoten aannemelijk. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van noodweer en verklaart hem niet strafbaar voor het schieten. Hij heeft zich wel schuldig gemaakt aan wapenbezit. Enkele dagen na het incident werd de man voorgeleid bij de rechter-commissaris. Hij belandde in een cel met één van de vier mannen. Die heeft hij toen mishandeld. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat het niet passend is hij terug de gevangenis in moet en veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van 200 dagen, waarvan 133 dagen voorwaardelijk.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-14
Publicatiedatum
2017-12-14
Zaaknummer
16/659560-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummers: 16/659560-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1985] te Curaçao (Nederlandse Antillen)

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [woonplaats] , [adres]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 juni 2016, 5 oktober 2016, 12 oktober 2016 en 30 november 2017.


De terechtzitting op 30 november 2017 heeft plaatsgevonden in het Justitieel Complex Schiphol te Badhoevedorp.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. Z. Trokic en van hetgeen verdachte en mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te 's-Hertogenbosch naar voren hebben gebracht, alsmede de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

2 TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


Feit 1:

op 23 april 2016 te Lelystad, samen met een ander, heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven door, samen met een ander, met opzet meermalen met een vuurwapen te schieten in de richting van deze personen waarbij [slachtoffer 1] in zijn buik en [slachtoffer 2] in zijn bil zijn geraakt;

en/of

op 23 april 2016 te Lelystad, samen met een ander, aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een of meer schotwonden in buik en/of bil door, samen met een ander, met opzet meermalen met een vuurwapen in de richting van deze personen te schieten;

en/of

op 23 april 2016 te Lelystad, samen met een ander, heeft geprobeerd aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe brengen door, samen met een ander, met opzet meermalen met een vuurwapen te schieten in de richting van deze personen, waarbij [slachtoffer 1] in zijn buik en [slachtoffer 2] in zijn bil zijn geraakt;


Feit 2:

op 23 april 2016 te Lelystad, een vuurwapen en/of munitie voorhanden heeft gehad;


Feit 3:

op 26 april 2016 te Lelystad [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde met betrekking tot de poging tot doodslag vrijspraak bepleit, met betrekking tot de zware mishandeling heeft de raadsman bepleit dat dit alleen geldt voor [slachtoffer 1] en met betrekking tot de poging tot zware mishandeling dat dit alleen geldt voor [slachtoffer 2] .


De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde.


Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer en verzocht verdachte daarom vrij te spreken. Verdachte werd bij [slachtoffer 2] in een cel geplaatst en kon geen kant op toen deze hem aanviel. Gelet op de gebeurtenissen van 23 april 2016 mocht verdachte vrezen voor geweld door [slachtoffer 2] .



4.3 Het oordeel van de rechtbank


Feit 1:

Bewijsmiddelen[1]

Op 23 april 2016 zijn [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), [slachtoffer 4] en enkele andere personen naar de woning van verdachte, aan de [adres] te [woonplaats] , gereden.[2]


[slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij samen met zijn zoon [slachtoffer 3] in de Audi naar de woning van verdachte is gereden.[3]


[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij met [slachtoffer 2] naar de voordeur van de woning is gegaan. Toen hij bij de voordeur kwam, zag hij verdachte staan met een pistool in zijn hand en zag dat hij op hen richtte. Nog voordat [slachtoffer 1] kon wegrennen hoorde hij zo’n 4 à 5 schoten en zag dat er van binnen naar buiten werd geschoten door het raam. [slachtoffer 1] voelde dat hij in zijn buik werd geraakt.[4]


[slachtoffer 2] heeft verklaard dat eerst [A] en [slachtoffer 3] naar de woning zijn gegaan. Daarna is hij samen met [slachtoffer 1] naar de deur van de woning gelopen. Op dat moment werd er door het raam geschoten. Bij het eerste geluid van het schot werd [slachtoffer 1] in zijn buik geraakt. Nadat zij wegrenden werd [slachtoffer 2] in zijn bil geraakt.[5]


Verdachte heeft verklaard dat hij vanuit het keukenraam [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] richting de deur zag lopen en dat hij tweemaal vanuit het keukenraam van de woning heeft geschoten en daarbij op [slachtoffer 1] heeft gericht.[6]


In het door het NFI uitgevoerde schotrestenonderzoek is een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de stubs van de onderzoeksset schiethanden waarmee de handen van verdachte [verdachte] zijn bemonsterd en een schietproces.[7]


Uit de letselbeschrijving van GGD Flevoland van 19 mei 2016 volgt dat [slachtoffer 2] een zichtbare schotwond had in zijn bil, ter hoogte van de overgang naar het bovenbeen aan de buitenzijde. Deze wond was ongeveer 5 mm groot en er waren geen aanwijzingen voor zenuw- of vaatletsel. Ook werden er geen botbreuken geconstateerd. De kogel is blijven zitten, de wond is verbonden en [slachtoffer 2] heeft uitgebreide pijnstilling gehad. Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.[8]


Uit de letselbeschrijving van GGD Flevoland van 12 juli 2016 volgt dat bij [slachtoffer 1] op 23 april 2016 een schotwond aan de linkerzijde van zijn buik is geconstateerd. Op verdenking van meerdere darmperforaties is een spoedoperatie uitgevoerd waarbij de kogel is aangetroffen en verwijderd en waarbij een stuk dunne darm is verwijderd. Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de opgegeven toedracht.[9]


Bewijsoverweging

Anders dan de raadsman heeft bepleit is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte heeft door in de richting van deze personen te schieten vanuit zijn woning, de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] buiten de woning dodelijk geraakt zouden kunnen worden. De aanmerkelijke kans dat er iemand geraakt kon worden is ook bewaarheid geworden doordat [slachtoffer 1] in zijn buik en [slachtoffer 2] in zijn bil zijn geraakt.


De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 1] kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel nu de kogel was doorgedrongen tot zijn dunne darm en een deel van zijn darm operatief verwijderd moest worden.


Het letsel van [slachtoffer 2] kan niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel nu de kogel geen zenuw- of vaatletsel heeft veroorzaakt, de kogel zonder gevaren voor zijn gezondheid in zijn bil kon blijven zitten en hij niet geopereerd hoefde te worden. De rechtbank heeft de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] bewezen verklaard, daarom kan de alternatief cumulatief ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen worden.


Verder is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de poging tot doodslag en de zware mishandeling niet bewezen kan worden. Uit het dossier is gebleken dat er meer dan twee keer, mogelijk met gebruikmaking van verschillende munitiesoorten, is geschoten. Bij het schotrestenonderzoek naar de schiethanden van de medeverdachte [medeverdachte 1] is naar voren gekomen dat een vrijwel zekere relatie is aangetoond tussen de stubs van de onderzoeksset schiethanden waarmee de handen van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn bemonsterd en een schietproces. Desalniettemin kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] , welke samenwerking gericht was op het toebrengen van dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel.[10] De rechtbank spreekt verdachte daarom van dat deel van het onder feit 1 ten laste gelegde vrij.


Feit 2:

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat daarom met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.


De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

  • de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 november 2017;
  • een proces-verbaal sporenonderzoek;[11]
  • een proces-verbaal van bevindingen.[12]

Feit 3:

Bewijsmiddelen

Op 27 april 2016 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van mishandeling op 26 april 2016 in de ophoudkamer van de rechtbank te Lelystad.[13]


Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte bij hem in de ophoudkamer werd geplaatst en dat op het moment dat de deur werd afgesloten verdachte hem gelijk aanviel en hem meerdere malen met de vuisten in zijn gezicht raakte. Ook heeft verdachte hem op zijn neus en op zijn bovenlichaam geslagen.[14]


Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk brigadier en agent van politie Eenheid Midden-Nederland, hebben als volgt geverbaliseerd. Zij zagen dat op 26 april 2016 verdachte werd binnengebracht bij de rechtbank in Lelystad en dat hij werd ingesloten ter afwachting van de voorgeleiding voor de rechter-commissaris. Omstreeks 14.36 uur hoorden verbalisanten geschreeuw komen vanuit de ruimte met ophoudkamers. Tevens hoorden de verbalisanten dat de intercom van de ophoudkamer 4 afging, waarna zij hetzelfde geschreeuw hoorden. Verbalisant [verbalisant 1] spoedde zich naar ophoudkamer 4, opende de deur en zag verdachte midden in de ophoudkamer staan en zag en hoorde dat [slachtoffer 2] hevig schreeuwde en met zijn handen op zijn hoofd en voor zijn gezicht heen en weer bewoog omdat hij kennelijk pijn had. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde verdachte zeggen: ‘hij viel man, de muren zijn hard’. Verdachte had bloed aan de binnenzijde van zijn rechterhand en het vel van het kootje van zijn wijsvinger van zijn rechterhand lag er af. Verbalisant [verbalisant 1] zag bij [slachtoffer 2] een wond boven zijn rechteroog en een bloedneus.[15]


Het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wordt ondersteund door foto’s van het letsel van [slachtoffer 2] op zijn gezicht en foto’s van de handen van verdachte.[16]


Uit de letselbeschrijving van GGD Flevoland van 19 mei 2016 volgt dat [slachtoffer 2] op zijn voorhoofd een rode streep had lopen van 40 mm. De verkleuring was passend bij inwerking van mechanische druk of stompgeweld. Bij zijn rechter neusvleugel was een blauwe verkleuring zichtbaar met een doorsnede van 30 mm. Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.[17]


Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 2] hem aanviel en dat hij zichzelf verdedigde en daarbij sneller was dan [slachtoffer 2] .[18]


Bewijsoverweging

De rechtbank ziet zich in verband met de wederrechtelijkheid voor de vraag gesteld of verdachte heeft gehandeld uit noodweer, zoals door zijn raadsman bepleit.


De rechtbank overweegt dat het een buitengewoon ongelukkige fout is geweest dat verdachte en [slachtoffer 2] in dezelfde ophoudkamer zijn geplaatst, temeer daar zij beide in volledige beperkingen zaten. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte door [slachtoffer 2] is aangevallen en dat hij zich heeft verdedigd en dat hij daarbij sneller was dan [slachtoffer 2] . Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft ontkend dat hij kort na de mishandeling zou hebben gezegd dat de muren hard zijn, blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat verdachte dit tot tweemaal toe heeft gezegd. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van dat proces-verbaal te twijfelen en acht het daarom aannemelijk dat verdachte deze bewoordingen heeft gebruikt.


De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat, gelet op de voorgeschiedenis, beide mannen elkaar in de ophoudkamer zijn aangevlogen, maar of er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte kan de rechtbank niet vaststellen. De door verdachte gemaakte opmerking over de harde muren lijkt eerder in tegengestelde richting te wijzen. De rechtbank acht de door verdachte geschetste feitelijke toedracht niet aannemelijk. Het verweer wordt verworpen.


Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft gestompt en geslagen.

5 BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


Feit 1:

hij op of omstreeks 23 april 2016 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] [slachtoffer 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet (meermalen) met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en/of een of meer andere personen en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] in de buik, althans in het lichaam, heeft geschoten en/of die [slachtoffer 2] in de bil, althans in het lichaam, heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


en/of


hij op of omstreeks 23 april 2016 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer schotwonden in buik en/of bil, althans in het lichaam, heeft toegebracht, door met dat opzet (meermalen) met een vuurwapen te schieten in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] in de buik, althans in het lichaam, te schieten en/of die [slachtoffer 2] in de bil, althans in het lichaam, te schieten;


en/of


hij op of omstreeks 23 april 2016 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen althans alleen, aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en/of een of meer andere personen en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] in de buik, althans in het lichaam, heeft geschoten en/of die [slachtoffer 2] in de bil, althans in het lichaam, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


Feit 2:

hij op of omstreeks 23 april 2016 te Lelystad, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk CZ, model 70, kaliber 7.65 mm.), en/of munitie van categorie III, te weten 5 scherpe patronen (kaliber 9 mm Luger), voorhanden heeft gehad;


Feit 3:

hij op of omstreeks 26 april 2016 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (meermalen) in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt, althans geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


6.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte in de door hem gegeven omstandigheden een beroep op noodweer toekomt en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.


6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich eveneens ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte in de door hem gegeven omstandigheden een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.


6.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de voorwaarden voor de aanvaarding voor het beroep op noodweer zijn vervuld. Daartoe is vereist dat een feit wordt begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.


Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. Deze aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijk aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.


Voorgeschiedenis

De rechtbank overweegt dat uit de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen bij de behandeling ter terechtzitting naar voren is gebracht, is gebleken dat de familie [familie] had ontdekt dat verdachte een relatie had met hun dochter en zus [B] . [B] heeft verklaard dat haar familie dreigementen heeft geuit naar verdachte. Zij heeft verdachte daarom gesmeekt weg te gaan omdat eerwraak in haar familie heel serieus genomen moet worden. [B] heeft ook verklaard door haar vader te zijn bedreigd met een luchtdrukwapen en een vuurwapen. Zij is daarom zelf ook weggelopen van huis.[19] In de week voor de schietpartij heeft de familie [familie] contact gezocht met verdachte en is er een ontmoeting geweest in het café het Amsterdammertje. De familie vermoedde dat verdachte [B] had ontvoerd en hielden hem verantwoordelijk voor haar vermissing. Daarbij heeft [slachtoffer 4] verdachte bedreigd door te zeggen dat als [B] binnen drie dagen niet terug zou zijn, heel Europa zou weten wat hij zou gaan doen en dat hij wapens had gekocht en verdachte zou executeren als een hond.[20] Het dossier bevat eveneens twee meldingen van de vriendin van verdachte, [medeverdachte 2] . Op 21 april 2016 zouden er rond 22.05 uur twee mannen aan de schuttingdeuren van de woning aan de [adres] hebben gevoeld. Op 22 april 2016 had zij om 23.47 uur een man in haar achtertuin gezien die een pistool op haar richtte. Zij hoorde vervolgens een knal. Na onderzoek bij de woning bleek nergens een (kogel)inslag te vinden aan de woning.[21]


Incident 23 april 2016

Uit het dossier blijkt verder dat verdachte en [medeverdachte 1] in de middag van 23 april 2016 in het centrum van Lelystad bij de Magic Apple een aanvaring hebben gehad met [slachtoffer 1] .[22] Na deze aanvaring zijn verdachte en [medeverdachte 1] , naar de woning van verdachte gereden waar op dat moment de vriendin van verdachte en zijn zus aanwezig waren. Na de aanvaring bij de Magic Apple heeft de familie [familie] zich verzameld en is met drie auto’s naar het huis van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] gereden. Daar aangekomen zijn er stenen en stokken uit de kofferbakken van de auto’s gepakt.[23] Verdachte heeft verklaard dat hij naar aanleiding van de gebeurtenissen eerder op die dag en in die week een aanval verwachtte en stond daarom op de uitkijk bij zijn keukenraam waar hij zicht had op de straat. Hij zag op een gegeven moment [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] richting de deur lopen. [slachtoffer 2] liep voorop met een schroevendraaier in zijn handen en maakte hiermee stotende bewegingen tegen het keukenraam. Hij tikte met de schroevendraaier tegen het afgeplakte deel van het glas. [slachtoffer 1] liep een paar meter achter [slachtoffer 2] . Verdachte zag dat [slachtoffer 1] naar zijn broeksband greep en een wapen op hem richtte. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op dat moment het wapen al in zijn handen had. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op dat moment zijn wapen uit de keukenla heeft gepakt. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij zijn vuurwapen op de benen van [slachtoffer 1] heeft gericht. [slachtoffer 1] bleef echter naar voren lopen. Toen verdachte een knal hoorde dacht hij dat er op dat moment op hem werd geschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij toen twee keer heeft geschoten.


Onduidelijkheden

De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak nog veel onduidelijkheden bestaan, deels omdat verdachte hier niet over heeft willen verklaren. Zo blijft het onduidelijk hoe het komt dat er vijf kogelgaten zijn geconstateerd in het keukenraam, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij tweemaal heeft geschoten. De rechtbank heeft ook kennis genomen van het NFI-rapport waarin de schiethanden van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn onderzocht en waaruit blijkt dat er een vrijwel zekere relatie is tussen de stubs van zijn handen en een schietproces, maar ook dat de elementsamenstelling van zijn schiethanden afwijkt van die van verdachte. Ook is er afwijkende munitie aangetroffen. Verdachte is bij zijn verklaring gebleven dat hij als enige twee keer vanuit de woning heeft geschoten. Verder heeft verdachte uitgebreid verklaard, maar heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen met betrekking tot de vragen over het wapen, de munitie en de hulzen.


Aannemelijkheid verklaring verdachte

Ondanks de door de rechtbank geconstateerde onopgeloste vragen in deze zaak, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de bedreigingen aan zijn adres van de familie [familie] terecht als een serieuze dreiging heeft opgevat. Zoals uit de verklaring van [B] is gebleken beschikte de familie [familie] over een of meer wapens.[24] Er zijn meerdere getuigen die bij zeker één van de belagers van het huis aan de [adres] te [woonplaats] een wapen hebben gezien.[25] Deze verklaringen worden bevestigd door de camerabeelden waarop is te zien dat [slachtoffer 3] iets in zijn rechterhand houdt wat op een (alarm)pistool lijkt.[26] Uit het voorgaande blijkt dat wapenbezit bij de familie [familie] niet onaannemelijk is en de rechtbank acht daarom de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] een wapen op hem richtte aannemelijk. Verdachte heeft tweemaal geschoten op het moment dat [slachtoffer 1] hem naderde en er ook schoten te horen waren.


Ernst bedreigingen

De ernst van de bedreigingen is gebleken uit de heftigheid van de aanval op de woning van verdachte en is naderhand ook gebleken op 7 februari 2017. Nadat [B] die dag haar verklaring als getuige in de onderhavige zaak had afgelegd bij de rechter-commissaris en met verdachte de rechtbank te Lelystad verliet, zijn zij aangevallen door [slachtoffer 1] en heeft [B] daarbij bijna het leven gelaten. Hoewel leden van de familie [familie] bij alle verhoren hebben verklaard dat [B] en verdachte geen gevaar (meer) van hen hoeven te vrezen, is dit alles behalve aannemelijk. Dat voortdurende dreiging in een zaak als deze zeer waarschijnlijk is, blijkt ook uit hetgeen de deskundige op het gebied van eergerelateerd geweld, prof. dr. M.M. van Bruinessen, naar voren heeft gebracht. Een relatie tussen een Yezidi-meisje en iemand buiten de Yezidi-gemeenschap kan een basis zijn voor eergerelateerd geweld. Bij eergerelateerd geweld is geen sprake van verjaring. De deskundige acht de kans op herhaling daardoor nog steeds aanwezig.[27] Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] de dreigingen vóór 23 april 2016 terecht zeer serieus heeft genomen


Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande het aannemelijk is dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waarbij verdachte mocht vrezen voor een aanranding van lijf en goed van hemzelf en van de op dat moment in de woning aanwezige overige personen. Verdediging daartegen was noodzakelijk en geboden.


Voor een geslaagd beroep op noodweer dient er voorts te worden voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Anders gezegd: was de gekozen verdediging in verhouding tot de aanranding en was er geen alternatief voorhanden?


Nu de rechtbank de verklaring van verdachte aannemelijk acht dat hij werd bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en dat hij meende dat er op hem werd geschoten, staat de gekozen verdediging, het schieten met een vuurwapen, in verhouding tot de aanranding. Dat de gevolgen van het schieten voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zeer ernstig zijn, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.


Voorts kon naar het oordeel van de rechtbank van verdachte niet worden verwacht dat hij anders zou handelen dan hij heeft gedaan, zodat daarmee ook is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Verdachte was in zijn eigen woning. Indien hij was weggegaan bij het keukenraam, was het gevaar van buitenaf nog niet geweken.


Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Daarmee acht de rechtbank het onder feit 1 bewezen verklaarde niet strafbaar.


De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van dit feit ontslaan van alle rechtsvervolging.


Ten aanzien van feit 2 en feit 3:

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


Feit 2:

Ten aanzien van het vuurwapen:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;


Ten aanzien van de munitie:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;


Feit 3:

mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF


8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.


8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de uitvoering van een gevangenisstraf of een taakstraf complicaties met zich meebrengen.


8.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Een vuurwapen is zeer gevaarlijk in handen van een onbevoegde zoals verdachte. Vuurwapens worden steeds vaker gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten en vormen een groot gevaar voor en een aanzienlijke bedreiging van een veilige samenleving. Daarom staan er hoge straffen op het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens. De rechtbank rekent de verdachte het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie dan ook zwaar aan. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] in een ophoudkamer van de rechtbank. Hoewel het buiten de macht van verdachte lag dat hij bij [slachtoffer 2] in de ophoudkamer werd geplaatst, rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij de confrontatie met [slachtoffer 2] heeft opgezocht en niet volstaan heeft met het vragen van de aandacht van de parketpolitie om een einde te maken aan de situatie.


Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 oktober 2017, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en overtreding van de Wet wapens en munitie.


Ook heeft de rechtbank gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting over zijn huidige persoonlijke omstandigheden en zal daar rekening mee houden.


Alles overwegende is rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat het niet passend is om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest op te leggen. De rechtbank acht het daarom passend en geboden dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

9 BENADEELDE PARTIJEN


[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.907,50. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit en € 907,50 proceskosten.


[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 6.207,50. Dit bedrag bestaat uit € 5.300,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit en € 907,50 proceskosten.


Verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering van elk € 5.000,00 immateriële schade. De benadeelde partijen kunnen de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


De behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] , voor het deel met betrekking tot het onder feit 3 ten laste gelegde, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering van € 300,00 immateriële schade, slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De gevorderde immateriële schade is niet eenvoudig van aard, gelet op de context van de gehele zaak.


Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen

  • 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 91 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van dat feit;

- verklaart het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 200 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 67 dagen, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 133 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


Benadeelde partijen

verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partijen en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Voorlopige hechtenis

  • heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en

W.S. Ludwig, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.G.T. Jansen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 december 2017.


Mrs. Kranenbroek en Ludwig zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


Feit 1:

hij op of omstreeks 23 april 2016 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet (meermalen) met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en/of een of meer andere personen en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] in de buik, althans in het lichaam, heeft geschoten en/of die [slachtoffer 2] in de bil, althans in het lichaam, heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


en/of


hij op of omstreeks 23 april 2016 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer schotwonden in buik en/of bil, althans in het lichaam, heeft toegebracht, door met dat opzet (meermalen) met een vuurwapen te schieten in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] in de buik, althans in het lichaam, te schieten en/of die [slachtoffer 2] in de bil, althans in het lichaam, te schieten;


en/of


hij op of omstreeks 23 april 2016 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen althans alleen, aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en/of een of meer andere personen en/of (daarbij)

die [slachtoffer 1] in de buik, althans in het lichaam, heeft geschoten en/of die [slachtoffer 2] in de bil, althans in het lichaam, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


Feit 2:

hij op of omstreeks 23 april 2016 te Lelystad, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk CZ, model 70, kaliber 7.65 mm.), en/of munitie van categorie III, te weten 5 scherpe patronen (kaliber 9 mm Luger), voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie


Feit 3:

hij op of omstreeks 26 april 2016 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (meermalen) in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt, althans geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht




[1] Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 september 2016, genummerd 2016124392, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 841. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

[2] Pagina 36, 60, 61,

[3] Pagina 102.

[4] Pagina 36.

[5] Pagina 83, 84 en 597

[6] De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 november 2017.

[7] Pagina 709.

[8] Pagina 601 en 603.

[9] Pagina 759A.

[10] Pagina 709.

[11] Pagina 791.

[12] Pagina 733 en 734.

[13] Pagina 441.

[14] Pagina 441.

[15] Pagina 427.

[16] Pagina 430 tot en met 439.

[17] Pagina 603.

[18] De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 november 2017.

[19] De verklaring van [B] afgelegd bij de rechter-commissaris op 7 februari 2017.

[20] Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer 2016124392-2016042814256985, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk inspecteur en brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, en gesloten op 28 april 2016, houdende de verklaring van verdachte.

[21] Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 201610060803.5516-84, opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, en gesloten op 11 oktober 2016, houdende de voorgeschiedenis voorafgaand aan het schietincident op 23 april 2016.

[22] Pagina 522 e.v.

[23] Pagina 511.

[24] De verklaring van [B] afgelegd bij de rechter-commissaris op 7 februari 2017.

[25] Pagina’s 244 en 637.

[26] Pagina’s 314 en 332.

[27] De verklaring van prof. dr. M.M. van Bruinessen afgelegd bij de gedelegeerd rechter-commissaris op 14 november 2017.