Rechtbank Midden-Nederland, 18-12-2017 / C/16/444201 / FA RK 17-4405


ECLI:NL:RBMNE:2017:6689

Inhoudsindicatie
Rechtsverwerking en wijziging van omstandigheden onvoldoende onderbouwd.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-18
Publicatiedatum
2018-01-25
Zaaknummer
C/16/444201 / FA RK 17-4405
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht


Locatie Utrecht


zaaknummer: C/16/444201 / FA RK 17-4405


Wijziging partneralimentatie


Beschikking van 18 december 2017

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Lochem,

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. H.C.M.J. Karskens, te Amsterdam,


tegen


[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Valkenburg aan de Geul,

verweerder, hierna te noemen de man,

advocaat mr. I.F.H. Nelissen, te Valkenburg.


1 1. Verloop van de procedure


1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • - het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen ter griffie op 08 augustus 2017;
  • - het verweerschrift van de zijde van de man, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2017;
  • - de correspondentie, waaronder met name:

o de brief van 8 november 2017 van de zijde van de man met producties 1 tot en met 7.


1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 november 2017. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.


2 2. Vaststaande feiten


2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van [2011] . Deze beschikking is op [2011] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.


2.2.

Uit het – inmiddels ontbonden – huwelijk zijn geen nu nog minderjarige kinderen geboren.


2.3.

Partijen zijn in het echtscheidingsconvenant, dat onderdeel is van de beschikking van deze rechtbank van [2011] , onder meer overeengekomen dat de vrouw met een bedrag van € 587,-- per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de man.



3. Beoordeling van het verzochte


3.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met ingang van 1 juli 2014 is ontslagen van haar verplichting tot partneralimentatie. Tevens verzoekt zij wijziging van de beschikking van [2011] , alsmede het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant en de door haar te betalen bijdrage, in die zin dat de partneralimentatie met ingang van 1 juli 2014 op nihil wordt gesteld.


3.2.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in diens verzoek dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen.


Wijziging van omstandigheden

3.3.

De vrouw stelt dat de bijdrage door een wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Zij heeft daartoe gesteld dat de man sinds december 2014 in ieder geval een AOW-uitkering en wellicht ook pensioen ontvangt. Ook heeft de man gedurende een periode in Duitsland gewoond waar hij waarschijnlijk ook inkomsten heeft ontvangen. Verder heeft de vrouw gesteld dat de man de afgelopen periode niets van zich heeft laten horen. De vrouw neemt dan ook aan dat de man inkomsten heeft gehad. Zij stelt dat de man geen behoefte meer heeft gehad aan de bijdrage van de vrouw.


3.4.

De man betwist niet dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, maar wel dat deze wijziging er toe zou moeten leiden dat de bijdrage heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Daarnaast heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de bijdrage niet meer zou voldoen aan de wettelijke maatstaven. Zo heeft zij geen inkomensgegevens van haarzelf overgelegd. De man stelt voorts dat het bij de scheiding van partijen in 2011 te voorzien was dat hij vanaf eind 2014 een AOW-uitkering zou ontvangen. Dit heeft er echter niet toe geleid dat de partneralimentatie niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Verder heeft de man gesteld dat hij – voordat hij eind 2014 een AOW-uitkering ontving – onder het bestaansminimum heeft geleefd en geld heeft moeten lenen van zijn moeder en zus. Ook is zijn gezondheidstoestand de afgelopen periode verslechterd.


3.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het moet gaan om een relevante wijziging van omstandigheden en daarvan is sprake als zij leidt tot een verandering in de behoefte aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, dan wel tot een verandering in de draagkracht van de alimentatieplichtige.


3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, in die zin dat de man sinds eind 2014 een AOW-uitkering ontvangt. Zij verschillen echter wel van mening of deze wijziging er toe leidt dat de bijdrage niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. De rechtbank overweegt daartoe dat zij begrijpt dat de vrouw zich erop beroept dat de man – door deze wijziging – geen behoefte meer heeft gehad aan een bijdrage. Deze stelling wordt echter door de man betwist. De vrouw heeft haar stelling vervolgens niet nader onderbouwd, ook niet met stukken. De rechtbank overweegt dan ook dat niet is gebleken dat er sprake is van een dusdanige wijziging van omstandigheden die er toe leidt dat de bijdrage niet meer zou voldoen aan de wettelijke maatstaven.


Rechtsverwerking

3.7.

De vrouw heeft voorts gesteld dat er sprake is van rechtsverwerking. De man heeft zijn recht op alimentatie verwerkt. De vrouw mocht er op vertrouwen dat de man geen gebruik meer zou maken van het recht op partneralimentatie. De man ging er immers zelf vanuit dat de alimentatieverplichting van de vrouw eindigde in 2013 en de man heeft de betalingen die de vrouw daarna heeft verricht, als extra beschouwd. Ook heeft de man de vrouw laten weten dat zij zich over de betalingsverplichting geen zorgen hoefde te maken, omdat de man van zich zou laten horen als hij over eigen inkomsten zou beschikken. De vrouw heeft voorts gesteld dat het enkele stilzitten van de man onvoldoende is voor rechtsverwerking, maar dit is wel voldoende als zij daardoor onevenredig benadeeld wordt. Het stilzitten kan namelijk ook nalaten worden, in die zin dat de schuldeiser zich zodanig gedraagt dat de schuldenaar er van uit kan gaan dat de schuldeiser zijn recht opgeeft.


3.8.

De man voert verweer. Hij heeft nimmer afgezien van de partneralimentatie en heeft enkel de vrouw gevraagd inzichtelijk te maken wat zij aan hem verschuldigd was, om zodoende tot een afwikkeling te komen. De e-mail die door de vrouw wordt overgelegd, is door de man gestuurd op het moment dat de vrouw weinig inkomsten had en er ook nog andere – samen overeengekomen – betalingen moesten worden gedaan. Dat wil niet zeggen dat de man heeft afgezien van partneralimentatie, noch dat er sprake is van rechtsverwerking. Uit die e-mail blijkt immers niet dat de man afziet van partneralimentatie. Daarnaast is de vrouw – ook na die e-mail – de bijdrage blijven voldoen. Het is niet gebleken dat partijen hebben afgesproken dat de verplichting zou eindigen. Ook heeft de vrouw nooit aangekondigd of laten weten dat zij haar verplichting zou laten eindigen. Verder heeft de man gesteld dat het ‘stilzitten’ op zichzelf geen aan de vrouw gerichte verklaring is waaruit blijkt dat de wil van de man erop is gericht om afstand te doen van partneralimentatie. Het is vaste rechtspraak dat tijdsverloop geen grond oplevert voor rechtsverwerking en dat daaraan hoge eisen worden gesteld.


3.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan slechts sprake zijn van rechtsverwerking indien er sprake is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de onderhoudsplichtige het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer)geldend zou maken, hetzij de onderhoudsplichtige onredelijk in zijn positie zou worden benadeeld indien de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw haar beroep op rechtsverwerking onvoldoende onderbouwd. Het enkele stilzitten van de man dan wel het tijdsverloop is hiervoor onvoldoende, zoals ook blijkt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Daarnaast heeft de e-mail van de man uit 2011 naar het oordeel van de rechtbank niet het gerechtvaardigd vertrouwen bij de vrouw kunnen wekken dat de man zijn aanspraak niet meer geldend zou maken. Uit die e-mail blijkt immers niet onomstotelijk dat de man afstand heeft gedaan van zijn aanspraak op partneralimentatie. Verder is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat zij onredelijk in haar positie zou zijn benadeeld. De rechtbank zal dit beroep van de vrouw dan ook verwerpen.



Conclusie

3.10.

Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de bijdrage niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven dan wel rechtsverwerking, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.



4. Beslissing


De rechtbank:


wijst het verzoek van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J.G. van Osta, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Reinders, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2017.