Rechtbank Midden-Nederland, 05-12-2017 / UTR 16/5021


ECLI:NL:RBMNE:2017:6817

Inhoudsindicatie
Uitspraak in een beroep over een afgewezen Wmo-aanvraag. Verweerder heeft na een tussenuitspraak onderzoek gedaan naar de belastbaarheid, veerkracht en deskundigheid van eisers echtgenote. Verweerder concludeert dat de zorgtaken onder gebruikelijke hulp vallen en door de echtgenote uitgevoerd kunnen worden. Eiser betwijfelt of zijn echtgenote in staat is om de gebruikelijke hulp te verrichten en wil haar tegen haarzelf in bescherming nemen. De rechtbank oordeelt dat verweerder met het onderzoek en de aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld. Dit betekent dat eiser met gebruikelijke hulp van zijn echtgenote voldoende zelfredzaam wordt geacht en dat verweerder geen maatwerkvoorziening heeft hoeven te verstrekken. In het geval dat echtgenote van eiser overbelast dreigt te raken, kan eiser zich opnieuw wenden tot verweerder voor een aanvraag om ondersteuning.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-12-05
Publicatiedatum
2018-02-15
Zaaknummer
UTR 16/5021
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/5021


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder

(gemachtigde: mr. M. W. van der Wielen en J. Tittel).



Procesverloop


Bij tussenuitspraak van 4 juli 2017 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen 4 weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.


Verweerder heeft bij brief van 12 juli 2017 de rechtbank verzocht om de hersteltermijn te bepalen op 8 weken. Bij brief van 17 juli 2017 heeft de rechtbank het verzoek gehonoreerd de hersteltermijn verlengd tot 8 september 2017.


Verweerder heeft in zijn reactie op de tussenuitspraak het bestreden besluit aanvullend gemotiveerd.


Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.


De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.


Overwegingen


1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.


2. Verweerder heeft onderzoek verricht naar de belastbaarheid, veerkracht en deskundigheid van de echtgenote van eiser. In het kader van het onderzoek zijn er op 2 augustus 2017 en op 5 september 2017 huisbezoeken geweest, en eiser en zijn echtgenote zijn bevraagd over hun fysieke en mentale gesteldheid. De echtgenote van eiser is bevraagd over haar dagelijks leven en haar gezondheid in 2015 en op 2 augustus 2017 en zij heeft toegelicht dat zij lichamelijk in staat was en is om voor haar man te zorgen en in 2015 niet overbelast was. Tevens heeft de echtgenote verklaard dat zij met haar ervaring als verpleegkundige het zou merken als zij overbelast zou zijn. De periode rond mei 2017 heeft zij als zwaar ervaren vanwege het overlijden van haar moeder en de mantelzorg voor haar broers, maar dit heeft niet geleid tot overbelasting. Verder heeft de echtgenote toegelicht dat zij vanuit haar achtergrond als verpleegkundige ook over de deskundigheid beschikt om eiser te kunnen helpen. Eiser heeft verklaard dat zijn echtgenote hem helpt bij de transfer van zijn rolstoel naar zijn sporthandbike. Indien zijn echtgenote afwezig is vanwege een avonddienst wordt eiser geholpen door iemand van de handbike-vereniging. Voorts heeft eiser verklaard dat zijn echtgenote hem vergezelt op familiebezoek, dat hij om de twee weken kleding gaat passen met zijn echtgenote en dat zijn echtgenote de boodschappen wil blijven doen. Eiser heeft tevens toegelicht dat zijn echtgenote met hem mee gaat naar musea en theater en hem tijdens de bezoeken ondersteunt bij het bezoeken van het invalidentoilet.


3. Verweerder heeft op basis van het onderzoek geconcludeerd dat gelet op de belastbaarheid en deskundigheid van de echtgenote van eiser er bij de activiteiten 2. tot en met 5. (zoals die onder rechtsoverweging 2 zijn weergegeven in de tussenuitspraak), sprake is van gebruikelijke hulp. Tevens is verweerder van oordeel dat eiser gebruik kan maken van algemene voorzieningen zoals de boodschappendienst, het online kopen van kleding en vervoersvoorzieningen.


4. Eiser heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat hij betwijfelt of zijn echtgenote in staat is om gebruikelijke hulp te verrichten. Eiser wil zijn echtgenote tegen haarzelf in bescherming nemen, omdat hij ermee bekend is dat het langdurig leveren van (mantel)zorg een grote wissel trekt. Eiser ziet en merkt dat zijn echtgenote zich overschat en wil voorkomen dat zij ‘aan twee kanten tegelijk opbrandt’. Daaruit volgt dat in ieder geval de activiteiten die niet als gebruikelijke hulp in de zin van de wet kunnen worden beschouwd, op grond van Wmo 2015 indiceerbaar zijn.


5. Met verwijzing naar hetgeen in overweging 15. van de tussenuitspraak is overwogen, het onderzoek én de aanvullende motivering van verweerder zoals is weergegeven onder 2. en 3., is de rechtbank van oordeel dat het gebrek is hersteld. Gelet op de veerkracht, de belastbaarheid en de deskundigheid van eisers echtgenote mag van haar in redelijkheid worden verwacht dat zij eiser helpt bij zijn beperkingen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid. Dit betekent dat eiser met gebruikelijke hulp van zijn echtgenote voldoende zelfredzaam wordt geacht en dat verweerder geen maatwerkvoorziening heeft hoeven te verstrekken. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat eiser zijn echtgenote wil beschermen, is de enkele omstandigheid dat eiser ermee bekend is dat het langdurig leveren van zorg een grote wissel trekt op personen, onvoldoende om aan te nemen dat in het concrete geval van eisers echtgenote sprake is van dreigende overbelasting waardoor gebruikelijke hulp niet meer van haar kan worden gevergd. Er zijn ook geen medisch objectiveerbare stukken overgelegd waaruit een dreigende overbelasting van de echtgenote blijkt. In het geval dat echtgenote van eiser overbelast dreigt te raken, kan eiser zich opnieuw wenden tot verweerder voor een aanvraag om ondersteuning.


6. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.


7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit vanwege een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.470,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2017.





griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.