Rechtbank Midden-Nederland, 26-06-2017 / C/16/439413 / KL ZA 17-200


ECLI:NL:RBMNE:2017:7017

Inhoudsindicatie
Straatverbod en contactverbod. Overlast in duur, ernst en frequentie onvoldoende om de gevraagde inbreuk te rechtvaardigen. Stelselmatig karakter ontbreekt vooralsnog.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-26
Publicatiedatum
2018-11-21
Zaaknummer
C/16/439413 / KL ZA 17-200
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad



zaaknummer / rolnummer: C/16/439413 / KL ZA 17-200


Vonnis in kort geding van 26 juni 2017


in de zaak van


[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.J.F. de Jager en mr. R.P. de Vries te Amsterdam,


tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem.



Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met daarbij producties 1 tot en met 34
  • - de brief van 7 juni 2017 met de door [eiseres] toegezonden producties 35 tot en met 41
  • - de brief van 7 juni 2017 met de door [gedaagde] toegezonden producties 1 tot en met 35
  • - de mondelinge behandeling op 12 juni 2017
  • - de pleitnota van [eiseres]
  • - de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben in 2013 een affectieve relatie met elkaar gekregen. [gedaagde] heeft gedurende deze relatie diensten van juridische aard aan [eiseres] verleend. Hij heeft haar van advies gediend en is daarnaast verschillende keren als haar gemachtigde opgetreden.


2.2.

De relatie tussen partijen is tussen 2013 en 2015 verschillende keren beëindigd geweest, waarna partijen de relatie weer hebben opgepakt.


2.3.

Op 5 april 2017 heeft [eiseres] aan [gedaagde] het volgende gemeld:

‘Jij bent niet in staat om nog te vertegenwoordigen. Dus bij deze wil ik ook niet meer dat dat doet op geen enkel vlak.’


2.4.

Op 20 juni 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan in het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] in de zaak C/16/440611 / KL ZA 17-231, waarvan de zitting op 20 juni 2017 heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] (onder meer) een contactverbod opgelegd tot het moment van wijzen van het onderhavige vonnis.


3Het geschil


3.1.

[eiseres] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


I. [gedaagde] te verbieden om zich gedurende 12 maanden na betekening van het vonnis in deze procedure te bevinden binnen een straal van 300 meter rondom het woonadres van [eiseres] , op dit moment [adres] ( [postcode] ) [woonplaats] ;

II. [gedaagde] te verbieden om zich gedurende 12 maanden na betekening van het vonnis in deze procedure te bevinden binnen een straal van 300 meter rondom het adres van de eenmanszaak [naam eenmanszaak] van [eiseres] , op dit moment [adres] ( [postcode] ) te [vestigingsplaats] ;

III. [gedaagde] te verbieden om gedurende 12 maanden na betekening van het vonnis in deze procedure op welke wijze dan ook - telefonisch, schriftelijk, via derden, social media of anderszins - in contact te treden met [eiseres] , met dien verstande dat dit verbod niet geldt voor contacten via een door [gedaagde] (eventueel) ingeschakelde of in te schakelen advocaat of voor contacten tijdens bijeenkomsten in aanwezigheid van die advocaat;

IV. [gedaagde] te verbieden om gedurende 12 maanden na betekening van het vonnis in deze procedure tegenover derden op welke wijze dan ook -telefonisch, schriftelijk, via social media of anderszins - uitlatingen over [eiseres] en/of haar eenmanszaak [naam eenmanszaak] , te doen zonder de door [eiseres] (eventueel) ingeschakelde of in te schakelen advocaat vooraf met inachtneming van een termijn van 24 uur, dan wel een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen redelijke termijn, in kennis te stellen van de inhoud van die uitlating en, indien sprake is van elektronische en/of schriftelijke berichtgeving, de door [eiseres] (eventueel) ingeschakelde of in te schakelen advocaat daarvan onverwijld na verzending een kopie te sturen;

V. [gedaagde] te verbieden om documenten en/of andere gegevensdragers afkomstig van of betrekking hebbende op [eiseres] en haat eenmanszaak [naam eenmanszaak] , waaronder maar niet beperkt tot:

- fiscale stukken,

- financiële stukken,

- juridische stukken,

aan derden te verstrekken op welke wijze dan ook, met dien verstande dat dit verbod niet geldt voor het verstrekken van documenten en/of andere gegevensdragers aan een door [eiseres] (eventueel) ingeschakelde of in te schakelen advocaat en/of publieke opsporingsinstanties;

VI. [gedaagde] te gebieden om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis in deze procedure aan [eiseres] opgave te doen van een overzicht van alle derden die in de periode 5 april 2017 tot de datum van dit kort geding door [gedaagde] zijn benaderd met informatie en/of mededelingen over [eiseres] ;

VII. [gedaagde] te verbieden om separate gerechtelijke procedures te starten ter zake van beweerdelijke vorderingen voor zover die in één procedure kunnen worden gevat;

VIII. één en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat

[gedaagde] te kort komt in de nakoming van een van de hiervoor sub 1 tot en met VII genoemde verboden en/of geboden, zulks met een maximum van

€ 50.000,00;

IX. met de bepaling van uitvoerbaarheid bij lijfsdwang voor de tijd van tien dagen, dan wel een ander door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, per keer dat [gedaagde] na verbeurte van € 50.000,00 aan dwangsommen tekort komt in de nakoming van een van de hiervoor sub I tot en met VII genoemde verboden en/of geboden;

X. een voorziening te treffen welke de voorzieningenrechter in deze meent te moeten behoren waardoor onevenredig nadeel aan de zijde van [eiseres] wordt weggenomen;

XI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.


3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] haarzelf en bekenden van haar voortdurend intimideert en lastigvalt. [gedaagde] stuurt haar grote aantallen e-mails en whats-appberichten. Onderdeel van de berichtenstroom zijn twee anonieme Engelstalige e-mails van 24 en 30 mei 2017 die stellen dat [eiseres] een verleden als ‘call-girl’ heeft en een snapchatbericht met onaangename inhoud dat [gedaagde] via het account van zijn dochter aan de dochter van [eiseres] gestuurd heeft. Voorts stuurt [gedaagde] aan [eiseres] spookfacturen en valt hij haar lastig met niet bestaande of vervallen pandrechten. [gedaagde] is allerlei procedures tegen [eiseres] gestart en heeft daarnaast de moeder van [eiseres] gedagvaard. Voorts heeft hij contact gezocht met voormalige bekenden van [eiseres] om kwaad van haar te spreken en nadelige informatie over haar te verwerven. Daarnaast intimideert [gedaagde] bekenden van [eiseres] en maakt hij [eiseres] zwart bij (overheids)instanties en door onder andere het doen van aangifte tegen [eiseres] wegens valsheid in geschrifte. [gedaagde] post zonder reden bij haar woning. Daarnaast heeft op 27 mei 2017 een incident plaatsgevonden waarbij [eiseres] bij de kapper zat en [gedaagde] haar buiten heeft opgewacht en een medewerkster van de kapsalon heeft bedreigd en uitgescholden, waarbij [eiseres] de noodzaak zag om zich te verstoppen. Op 11 juni 2017, de avond voorafgaand aan de zitting, heeft zich opnieuw een incident voorgedaan waarbij [gedaagde] ineens verscheen op de plaats waar [eiseres] aanwezig was om te gaan hardlopen, terwijl [gedaagde] wist dat [eiseres] daar regelmatig gaat hardlopen.


3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang zal daarop hierna nader worden ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is niet betwist en volgt uit de aard van de vordering.


4.2.

Een straatverbod en contactverbod vormen een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen en vrijelijk te communiceren. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel is vereist dat voorshands voldoende aannemelijk wordt dat [gedaagde] stelselmatig een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] en dat deze inbreuk dusdanig ernstig is dat die een inbreuk op het recht van [gedaagde] om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen en vrijelijk te communiceren rechtvaardigt.


4.3.

Tussen partijen bestaat een zeer gespannen verhouding. De berichten die tussen partijen in het verleden zijn gewisseld, laten het beeld zien van twee mensen die gewend zijn om zich in pittige bewoordingen uit te laten en schetsen daarnaast een grillige relatie met ups en downs die in de afgelopen jaren ook enkele keren onderbroken is geweest. De toon van de berichten is, in het algemeen, over en weer niet onvriendelijk tot februari 2017, waarna de berichten een grimmiger indruk maken. De voorzieningenrechter wijst, gelet op de door [eiseres] zelf in het geding gebrachte producties, voorshands 5 april 2017 aan als het moment waarop [gedaagde] duidelijk moest begrijpen dat [eiseres] niet meer van zijn inmenging in haar zaken gediend was.

4.3.1

In dit kort geding staat vast dat de afgelopen weken er geen schriftelijk contact tussen partijen is geweest nu onweersproken door [gedaagde] is gesteld dat hij sinds 8 mei 2017 geen schriftelijk contact meer heeft gezocht met [eiseres] . Voorts is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] zich in de afgelopen weken vaker dan de door [eiseres] gefilmde twee keren heeft bevonden bij de woning van [eiseres] . Daarnaast is, gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , niet vast komen te staan dat de door [eiseres] ontvangen anonieme e-mails omtrent haar vermeende verleden als ‘call-girl’ verzonden zijn door [gedaagde] of dat [gedaagde] de hand heeft gehad in de verzending van het snapchat-bericht aan de dochter van [eiseres] . Voorts is niet vast komen te staat dat door [gedaagde] een groot aantal procedures tegen [eiseres] is aangespannen, nu door [gedaagde] ter zitting onbetwist is gesteld dat er van zijn kant op dat moment niet meer dan drie juridische procedures aanhangig zijn (te weten: tussen [gedaagde] en [eiseres] over betalingen van huishoudgeld en een auto, tussen een aan [gedaagde] gelieerde besloten vennootschap en [eiseres] vanwege verleende diensten en tussen [gedaagde] en de moeder van [eiseres] vanwege de terugvordering van een bedrag van € 450,00). Aangaande de facturen die door [gedaagde] (of de besloten vennootschap waar hij aan gelieerd is) verzonden zijn, geldt dat de facturen in aantal beperkt zijn en dat in dit kort geding niet vastgesteld kan worden dat het om spookfacturen zou gaan. De aangifte bij de politie wegens valsheid in geschrifte is niet op voorhand als stalkingshandeling aan te merken, nu deze op een specifiek onderwerp is gericht. Onvoldoende is gebleken dat [gedaagde] [eiseres] heeft zwart gemaakt bij overheidsinstanties. Met betrekking tot het contact met de voormalige kennissen van [eiseres] heeft [gedaagde] erkend dat hij op zoek was naar informatie en getuigen in het kader van de onderbouwing van zijn vorderingen op [eiseres] maar, mede gelet op zijn betwistingen, staat niet vast dat hij zich daarbij over [eiseres] onheus heeft uitgelaten. Voorts is onvoldoende gesteld om voorshands aan te nemen dat [gedaagde] bekenden van [eiseres] heeft geïntimideerd.

4.3.2

Aldus komt een belangrijk deel van de door [eiseres] gestelde stalkingsincidenten in dit kort geding niet genoegzaam vast te staan.

4.3.3

Ten aanzien van het aan [gedaagde] verweten beroep op niet bestaande of reeds lang vervallen pandrechten heeft [eiseres] een separaat kort geding aanhangig gemaakt (met zaaknummer C/16/437922/KL ZA 17-16), dat tegelijk met de onderhavige kwestie ter zitting werd behandeld. [eiseres] heeft in die kwestie een specifiek op het inroepen van die pandrechten toegesneden verbod heeft gevraagd, dat bij uitspraak van heden door de voorzieningenrechter werd toegewezen. Gelet daarop is het niet opportuun om [gedaagde] in dit kort geding ten aanzien van dat verwijt nog andere, verdergaande, verboden op te leggen.

4.3.4.

Op 27 mei 2017 en 11 juni 2017 hebben er incidenten plaatsgevonden die door [eiseres] als bedreigend zijn ervaren, terwijl [gedaagde] zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat hij pertinent geen contact zoekt met [eiseres] en er sprake is geweest van toevallige ontmoetingen. Alhoewel de voorzieningenrechter deze weergave van [gedaagde] niet erg overtuigend voorkomt, gaat het daarmee nog slechts om enkele incidenten, zodat het stelselmatig karakter van de gedragingen vooralsnog onvoldoende vaststaat. Ook deze gebeurtenissen kunnen daarom niet tot de gevraagde inperking van [gedaagde(-s)] vrijheden leiden.

4.3.5

Hoewel duidelijk is dat [eiseres] elke confrontatie met [gedaagde] als hinderlijk volgen en lastigvallen ervaart en haar ook moet worden nagegeven dat [gedaagde] naar haar toe een houding aanneemt die aan een volwassen contact in de weg staat, is de slotsom dat de overlast in duur, frequentie en ernst vooralsnog onvoldoende is om de gevraagde verboden te rechtvaardigen. Dat dit in de toekomst anders kan zijn, valt bepaald niet uit te sluiten: de voorzieningenrechter acht het niet denkbeeldig dat de tot dusver (dat wil zeggen: tot aan de sluiting van het onderzoek ter zitting op 12 juni 2017) gebleken hinder, indien deze zou voortduren en een meer stelselmatig karakter zou krijgen, op enig moment wel tot het opleggen van een straat- en/of contactverbod zouden kunnen leiden.

4.3.6

De conclusie is dat hetgeen in dit geding aannemelijk is geworden de gevraagde verboden voorshands niet rechtvaardigt. Het onder I, II en III gevorderde zal daarom worden afgewezen.


4.4.

Het onder IV, V, VI en VII gevorderde is te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen en daarnaast zijn deze vorderingen onvoldoende onderbouwd. De vorderingen VIII, IX en X zullen gelet op het voorgaande worden afgewezen.


4.5.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2017.