Rechtbank Midden-Nederland, 22-02-2017 / 5349787 UC EXPL 16-12866


ECLI:NL:RBMNE:2017:730

Inhoudsindicatie
Door het Kifid in het gelijk gestelde klagers ontvankelijk in hun vordering tot vergoeding van advocaatkosten, verband houdend met interne klachtprocedure bij bank en (daarna) de procedure bij het Kifid. Eerstgenoemde kosten volledig toewijsbaar. Advocaatkosten voor de Kifidprocedure op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid slechts toewijsbaar tot een bedrag dat overeenstemt met het voor rechtbanken toepasselijke liquidatietarief.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-02-22
Publicatiedatum
2017-03-10
Zaaknummer
5349787 UC EXPL 16-12866
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Utrecht


zaaknummer: 5349787 UC EXPL 16-12866 NM/31469


Vonnis van 22 februari 2017


inzake


1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder afzonderlijk te noemen [eiser sub 1] ,

en

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

verder afzonderlijk te noemen [eiser sub 2] ,

eisende partijen,

verder ook gezamenlijk te noemen [eiser sub 1] c.s.,

gemachtigde: mr. E. Schots,


tegen:


de coöperatie

Coöperatieve Rabobank U.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

verder ook te noemen Rabobank,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M-G.P.F.K.V.N. van der Veen.


1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis

- de conclusie van dupliek


1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten


2.1.

[eiser sub 1] is de vader van [eiser sub 2] .


2.2.

[eiser sub 1] is (indirect) bestuurder bij [bedrijf] B.V.


2.3.

[bedrijf] B.V. en [eiser sub 1] zijn betrokken geweest in een strafrechtelijk onderzoek van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) naar bouwfraude in relatie tot een aantal bouwprojecten. [eiser sub 2] is in dit onderzoek (ook) als verdachte aangemerkt. [eiser sub 1] c.s. hebben een schikking getroffen met het OM.


2.4.

Op 18 november 2014 hebben [eiser sub 1] c.s. en Rabo Vastgoed Holding N.V. een schikking getroffen die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst van 18 november 2014).


2.5.

Bij brief van 12 mei 2015 heeft de afdeling […] van Rabobank, voor zover relevant, [eiser sub 1] c.s. bericht:


“Geachte heer [eiser sub 1] ,


Rabobank Nederland heeft uw gegevens opgenomen in haar Intern Verwijzingsregister. Reden van opname is het feit dat u Rabo Vastgroep Holding N.V. (onderdeel van de Rabobank Groep) in ernstige mate heeft benadeeld. (…) De registratie is voor de duur van maximaal 8 jaar.”


2.6.

Bij brieven van 3 en 4 juni 2015 heeft [eiser sub 1] c.s. een klacht ingediend bij Rabobank en bezwaar gemaakt tegen de registratie in haar Intern Verwijzingsregister (hierna: IVR). In deze interne klachtprocedure heeft [eiser sub 1] c.s. zich door een advocaat laten bijstaan.


2.7.

Rabobank heeft de klacht afgewezen. Bij brieven van 1 juli en 30 juli 2015 heeft Rabobank, voor zover relevant, bericht:


“De registratie in het IVR van de Rabobank is in beginsel voor de duur van acht jaar. In het geval van uw cliënt is besloten de duur van de registratie te verkorten naar vier jaar. (…) De registratie blijft gehandhaafd.”


2.8.

[eiser sub 1] c.s. heeft naar aanleiding van de afwijzing van de klacht door Rabobank een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: Kifid) en gevorderd Rabobank te gelasten zijn persoonsgegevens te verwijderen uit haar IVR. In deze procedure, waarin [eiser sub 1] c.s. zich ook door een advocaat heeft laten bijstaan, heeft [eiser sub 1] c.s. geen aanspraak gemaakt op vergoeding van zijn advocaatkosten, betrekking hebbend op de interne klachtprocedure bij Rabobank en op de procedure bij het Kifid.


2.9.

Bij uitspraak van het Kifid van 8 april 2016 (hierna: de uitspraak van het Kifid) is de klacht van [eiser sub 1] c.s. gegrond verklaard en de vordering toegewezen. In de uitspraak van het Kifid staat het volgende:


‘I. Procesverloop

[…]

De Commissie stelt vast dat partijen haar advies als bindend advies zullen aanvaarden.

[…]

2. Feiten

[…]

Op 7 januari 2011 heeft RV [kantonrechter: Rabo Vastgoed Holding N.V.] Consument [kantonrechter: [eiser sub 1] c.s.] in rechte betrokken. Ten einde gerechtelijke procedures te voorkomen en te beëindigen zijn onder andere RV en Consument op 18 november 2014 een vaststellingsovereenkomst aangegaan. […] In de preambule bij de vaststellingsovereenkomst is onder meer opgenomen:

OVERWEGENDE:

[…] Tussen partijen is een geschil ontstaan over diverse transacties verband houdende met de vastgoedprojecten bekend onder de namen […] (hierna de Transacties) naar aanleiding waarvan RV en PPF menen vorderingen te hebben op [eiser sub 1] c.s. en naar aanleiding waarvan RV (tezamen met MAB Development Nederland BV [kantonrechter: een vennootschap van Rabo Vastgoed Holding N.V.]) tegen [eiser sub 1] c.s. een bodemprocedure is begonnen bij de rechtbank Amsterdam […]. [eiser sub 1] c.s. betwisten de vorderingen van RV en PPF (het Geschil).

[…]

Ter voorkoming en/of beëindiging van gerechtelijke procedures en ter voorkoming van verdere beslagen ter zake van al hetgeen verband houdt met het Geschil en alle feiten die onderdeel zijn van het Geschil, de Transacties en de rol van [eiser sub 1] c.s. bij de Transacties, hebben partijen een minnelijke regeling getroffen.

[…]

Kwijting en afstand

[…]

Na ontvangst door RV en PPF van het onder artikel 1.1 bedoelde deel van het schikkingsbedrag en vestiging van het zekerheidsrecht als bedoeld in artikel 2.1, verlenen RV en PPF, mede namens alle aan hen gelieerde (rechts)personen, [eiser sub 1] c.s. finale kwijting voor al hetgeen [eiser sub 1] c.s. uit welke hoofde dan ook aan RV, PPF en deze gelieerde (rechts)personen verschuldigd zijn ter zake van de transacties. RV en PPF doen alsdan afstand van al hun vorderingsrechten ten opzichte van [eiser sub 1] c.s. uit hoofde van de transacties en het geschil met uitzondering van de vorderingsrechten uit hoofde van de onderhavige vaststellingsovereenkomst en alle daaruit voortvloeiende overeenkomsten. RV enerzijds en [eiser sub 1] c.s. anderzijds zullen de rechtbank Amsterdam alsdan eenstemmig berichten dat de bodemprocedure kan worden geroyeerd en dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt ingetrokken althans dat [eiser sub 1] c.s. geen getuigen meer wenst te horen en waarbij ieder de eigen proceskosten draagt. RV zal voorts alle beslagen gelegd te laste van [eiser sub 1] c.s., voor zover nog niet opgeheven, binnen drie weken (laten) opheffen.

[…]

4.1

De Commissie stelt vast dat uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeit dat het de bedoeling van partijen is geweest om het geschil tussen partijen definitief te beëindigen. Zo is in de preambule de overweging opgenomen: “Ter voorkoming en/of beëindiging van gerechtelijke procedures en ter voorkoming van verdere beslagen van al hetgeen verband houdt met het Geschil en alle feiten die onderdeel zijn van het Geschil, de transacties en de rol van [eiser sub 1] c.s. (…) hebben partijen een minnelijke regeling getroffen.”

[…]

4.3

Los van de vraag of de Bank het met een beroep op de Wft vrij staat de persoonsgegevens van Consument in het IVR op te nemen, heeft de Bank met de hiervoor onder 2.8 aangehaalde motivering het geschil dat was beëindigd weer doen herleven. Immers, de feiten zoals die door de Bank worden gesteld, zijn onderdeel geweest van de bij de rechtbank aanhangige procedure die partijen tegen finale kwijting hebben geschikt.

4.4

Zoals uit de onder hiervoor onder 2.4 aangehaalde preambule blijkt, is niet vastgelegd dat Consument de door de Bank gestelde feiten heeft erkend. Met andere woorden, de feiten waarvoor de Bank persoonsgegevens in het IVR heeft opgenomen staan niet vast en met het aangaan van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen op de koop toegenomen dat die feiten ook nooit vast zullen komen te staan.

4.5

Met het opnemen van de persoonsgegevens doet de Bank, het geschil over de daaraan ten grondslag liggende feiten herleven hetgeen in strijd is met de letter en de geest van de vaststellingsovereenkomst.

4.6

Tot slot gaat het beroep van de bank op de uit de Wft voortvloeiende regels de tussen partijen gemaakte afspraken niet op. Bij de invulling van de verplichtingen die de Wft de bank oplegt, dient de Bank immers een afweging te maken waarbij de Bank een discretionaire bevoegdheid heeft. De uitkomst daarvan staat niet van tevoren vast. De Bank heeft onvoldoende gemotiveerd dat die afweging de Vaststellingsovereenkomst opzij kan zetten.

4.7

De klacht van de Consument is derhalve gegrond.’


2.10.

Op 14 april 2016 heeft Rabobank [eiser sub 1] c.s. schriftelijk bericht dat zij de persoonsgegevens van [voornaam van eiser sub 1] en [eiser sub 2] uit haar IVR heeft verwijderd.

2.11.

Artikel 44.11 van het Reglement Ombudsman en Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (hierna: het Kifid-reglement) luidt, voor zover relevant in deze procedure:


‘Wanneer de Commissie Consument geheel of gedeeltelijk in het gelijk stelt, of wanneer zij voor een kostenveroordeling ten gunste van Consument anderszins gronden aanwezig acht, bepaalt zij in de uitspraak dat Aangeslotene aan Consument de door deze in verband met het aanhangig maken en de behandeling van de Klacht gemaakte kosten zal vergoeden, tot een door de Commissie te bepalen bedrag. Hierbij kan een door Kifid vast te stellen en te publiceren liquidatietarief worden toegepast of – bij gebreke daarvan – het liquidatietarief zoals dit wordt gehanteerd door de rechtbanken. In alle gevallen geldt een maximum van € 5.000.’


2.12.

Op 25 april 2016 heeft [eiser sub 1] c.s. Rabobank gesommeerd om uiterlijk 9 mei 2016 de door hem gemaakte advocaatkosten, verband houdend met de klachtprocedure bij Rabobank en de procedure bij het Kifid, ter hoogte van € 9.073,60 te vergoeden.


2.13.

Per brief van 9 mei 2016 heeft Rabobank de volledige vergoeding van de gemaakte advocaatkosten afgewezen en [voornaam van eiser sub 1] en [eiser sub 2] elk € 904 aangeboden. [eiser sub 1] c.s. heeft Rabobank op 20 mei 2016 bericht niet akkoord te gaan met het door haar gedane aanbod.


3Het geschil


3.1.

[eiser sub 1] c.s. vordert – na wijziging van eis – (samengevat) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


1. Primair:

Rabobank te veroordelen om tegen kwijting aan [eiser sub 1] c.s. een bedrag te betalen van € 9.073,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (1 september 2016) tot aan de dag van algehele voldoening;


Subsidiair:

indien de kantonrechter aansluiting zoekt bij artikel 44.11 van het Reglement:


a. Rabobank te veroordelen [eiser sub 1] c.s. de maximale (advocaat)kosten gerelateerd aan de Kifid-procedure van € 5.000 te vergoeden;

b. Rabobank te veroordelen [eiser sub 1] c.s. de kosten voorafgaand aan de Kifid-procedure van € 2.588,40 te vergoeden;


2. Rabobank te veroordelen om tegen kwijting aan [eiser sub 1] c.s. ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten € 828,68 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;


3. Rabobank te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2016, althans vanaf de dag van het vonnis, tot aan de dag van algehele voldoening.


3.2.

Als grondslag voor die vorderingen stelt [eiser sub 1] c.s. dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld door de persoonsgegevens van [voornaam van eiser sub 1] en [eiser sub 2] in strijd met de in de vaststellingsovereenkomst van 18 november 2014 opgenomen finale kwijting in haar IVR op te nemen. De ontstane schade bestaat uit advocaatkosten die noodzakelijkerwijs zijn gemaakt om de registratie van [eiser sub 1] c.s. uit het IVR verwijderd te krijgen. Deze advocaatkosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW. De uitspraak van het Kifid is als bindend oordeel aanvaard door partijen en heeft tot doel gehad om de civielrechtelijke aansprakelijkheid van Rabobank vast te stellen, zodat Rabobank deze kosten moet vergoeden op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. De kosten van in totaal

€ 9.073,60 bestaan uit € 2.588,40 (voor de klachtprocedure bij Rabobank), en € 6.485,20 (voor de procedure bij het Kifid).


3.3.

Rabobank voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser sub 1] c.s., althans tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser sub 1] c.s. in de proceskosten, daaronder mede begrepen de nakosten. Rabobank voert in verband hiermee primair het volgende aan. [eiser sub 1] c.s. had de keuze om naar de civiele rechter te gaan of naar het Kifid. Hij heeft gekozen voor een procedure bij het Kifid en daar heeft hij geen vergoeding voor advocaatkosten gevorderd. Als [eiser sub 1] c.s. aanspraak had willen maken op vergoeding van de advocaatkosten, dan had hij dat in de procedure bij het Kifid moeten vorderen. Nu [eiser sub 1] c.s. heeft gekozen voor een procedure bij het Kifid is de rechtsgang naar de civiele rechter afgesneden. Subsidiair betoogt Rabobank dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld. De registratie in het IVR moest worden verwijderd op grond van de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst, niet omdat de registratie op zichzelf onrechtmatig was. Meer subsidiair betoogt Rabobank dat [eiser sub 1] c.s. elk recht hebben op

€ 904. Als het Kifid een kostenveroordeling had uitgesproken zou zij op grond van artikel 44.11 van het Kifid-reglement aansluiting hebben gezocht bij het liquidatietarief zoals dat door rechtbanken wordt toegepast. Toepassing van dat liquidatietarief leidt tot de conclusie dat het Kifid [eiser sub 1] c.s. elk hoogstens € 904 zou hebben toegekend (twee punten van Tarief II). De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden afgewezen omdat deze kosten ‘van kleur zijn verschoten’ en proceskosten zijn geworden.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling


[eiser sub 1] c.s. ontvankelijk


4.1.

Rabobank neemt in de eerste plaats het standpunt in dat de gang naar de civiele rechter voor [eiser sub 1] c.s. is afgesneden omdat hij bij het Kifid heeft geprocedeerd. Gelet op haar conclusie (zie 3.3, eerste zin) beschouwt de kantonrechter dit standpunt van Rabobank als een beroep op niet-ontvankelijkheid (al dan niet op grond van rechtsverwerking). Dit verweer slaagt niet, zoals hieronder wordt toegelicht.


4.2.

Bij aanvang van de procedure bij het Kifid is overeengekomen dat het geschil rond de IVR-vermelding en al hetgeen waarover in verband met die kwestie een oordeel aan het Kifid werd gevraagd, onder de reikwijdte van de bindend-adviesafspraak valt. Daarnaast kan onder die reikwijdte vallen een nevenkwestie waarvan niet expliciet tussen partijen is afgesproken dat daarover het oordeel van het Kifid zou worden gevraagd, maar waarvan partijen ook desondanks hebben moeten begrijpen dat de reikwijdte van de afspraak zich ook daarover uitstrekte. Het is aan Rabobank, als de partij die zich hier op de rechtgevolgen van haar stellingen beroept, om daartoe voldoende feiten en omstandigheden aan te dragen en bij betwisting te bewijzen. Dat in het Kifid-reglement de onder 2.11 vermelde tekst is vermeld, is daartoe echter van onvoldoende betekenis. Ook overigens is niets gesteld dat de slotsom rechtvaardigt dat Rabobank er op mocht vertrouwen (en [eiser sub 1] c.s. heeft moeten begrijpen) dat [eiser sub 1] c.s. - ook als hij, zoals in dit geval, bij het Kifid niet om veroordeling van Rabobank tot vergoeding van zijn advocaatkosten zou vragen - zijn recht heeft verspeeld om dat ten overstaan van de burgerlijke rechter alsnog te doen.


Inhoudelijke beoordeling


4.3.

De vaststellingsovereenkomst van 18 november 2014, gesloten tussen [eiser sub 1] c.s. en Rabo Vastgoed Holding N.V., is mede namens alle aan laatstgenoemde vennootschap gelieerde rechtspersonen gesloten. Rabobank (gedaagde in deze procedure) is gelieerd aan Rabo Vastgoed Holding N.V. en is dus ook aan die vaststellingsovereenkomst gebonden. Het verweer van Rabobank dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld, en daarom niet gehouden is de advocaatkosten te vergoeden, slaagt niet. Het - tussen partijen vaststaande - oordeel van het Kifid dat Rabobank de persoonsgegevens van [eiser sub 1] c.s. niet in haar IVR had mogen opnemen, dat met name blijkt uit 4.5 van de Kifidbeslissing (zie 2.9), geeft weer wat juridisch geldt tussen [eiser sub 1] c.s. en Rabobank. Daaruit volgt dat Rabobank onrechtmatig ten opzichte van [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld.


4.4.

De advocaatkosten van [eiser sub 1] c.s. die te maken hebben met de interne klachtprocedure bij Rabobank kunnen worden beschouwd als kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (artikel 6:96 lid 2 onder c BW). Niet gesteld of gebleken is dat het onredelijk is dat [eiser sub 1] c.s. zich in de interne klachtprocedure bij Rabobank heeft laten bijstaan door een advocaat en dat de door die advocaat verrichte werkzaamheden niet noodzakelijk zijn geweest. Ook is niet gesteld of gebleken dat de hoogte van de kosten die de advocaat aan [eiser sub 1] c.s. voor die werkzaamheden in rekening heeft gebracht (€ 2.588,40), onredelijk is. Hieruit volgt dat de vordering van [eiser sub 1] c.s. ter hoogte van dit bedrag toewijsbaar is.


4.5.

De advocaatkosten van [eiser sub 1] c.s. die verband houden met de procedure bij het Kifid zijn kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 onder b BW), en zijn daarom in beginsel toewijsbaar. Toch zal de vordering van [eiser sub 1] c.s., voor zover deze verband houdt met die kosten (€ 6.485,20) niet volledig worden toegewezen. Als het Kifid een proceskostenveroordeling had uitgesproken, zou zij die hebben bepaald aan de hand van het voor gerechten in eerste aanleg gebruikelijke liquidatietarief. In dat geval zouden [voornaam van eiser sub 1] en [eiser sub 2] elk aanspraak hebben kunnen maken op hoogstens € 904: Tarief II voor onbepaalde zaken; € 452 per punt; met toekenning van twee punten (voor het klaagschrift en de repliek). Dat bedrag zou ook zijn toegewezen als [eiser sub 1] c.s., in plaats van het starten van een procedure bij het Kifid, bij de rechtbank had gevorderd Rabobank te bevelen zijn persoonsgegevens uit het IVR te verwijderen. In dat geval zou de zaak zijn behandeld door de handelskamer van de rechtbank en zouden ook twee punten zijn toegekend (voor de dagvaarding en de comparitie na antwoord). Gelet hierop brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat het recht van [voornaam van eiser sub 1] en [eiser sub 2] op vergoeding van hun advocaatkosten voor de Kifidprocedure beperkt is tot elk € 904 (in totaal dus € 1.808).


4.6.

De conclusie luidt dat Rabobank zal worden veroordeeld tot betaling aan [eiser sub 1] c.s. van € 4.396,40 (€ 2.588,40 + € 1.808), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding (1 september 2016).


Buitengerechtelijke incassokosten


4.7.

[eiser sub 1] c.s. vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. De kantonrechter toetst daarom de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Dit leidt tot een afwijzing van de vordering. Uit de door [eiser sub 1] c.s. gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele, herhaalde aanmaning en het bestuderen van de twee antwoordbrieven van Rabobank. De kosten waarvan [eiser sub 1] c.s. vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.


Proceskosten


4.8.

Rabobank zal als de gedeeltelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. op basis van het toegewezen bedrag op:


- dagvaarding € 94,08

- griffierecht € 223,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,-)

Totaal € 717,08


De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over de nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna is vermeld.


4.9.

[voornaam van eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen gezamenlijk veroordeling van Rabobank. Hieruit leidt de kantonrechter af dat het hun bedoeling is dat elk van hen voor het geheel incassobevoegd is. Gelet hierop brengt de veroordeling tot betaling aan [eiser sub 1] c.s. mee dat Rabobank, indien en zodra zij het totale bedrag waartoe zij wordt veroordeeld aan één van de eisers heeft betaald, ook ten opzichte van de ander bevrijdend heeft betaald.


5De beslissing


De kantonrechter:


5.1.

veroordeelt Rabobank om aan [eiser sub 1] c.s. tegen bewijs van kwijting te betalen

€ 4.396,40, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf

1 september 2016 tot aan de dag van algehele voldoening,


5.2.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. tot heden begroot op € 717,08, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,


5.3.

veroordeelt Rabobank in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Rabobank niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,


5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,


5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2017.











































Coll: RS/4234