Rechtbank Midden-Nederland, 14-02-2017 / UTR 16/4709


ECLI:NL:RBMNE:2017:738

Inhoudsindicatie
Trefwoorden: Leerplicht, geregeld schoolbezoek, vrijstelling, andere gewichtige omstandigheden, beoordelingsruimte Wetsartikelen: artikel 11, aanhef en onder g, van de Leerplichtwet 1969 Samenvatting: Beroep tegen het besluit waarbij het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om vrijstelling van het geregeld schoolbezoek van de dochter van eiser op grond van artikel 11, aanhef en onder g, van de Leerplichtweg 1969 (Lpw), ongegrond is verklaard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van gewichtige omstandigheden als bedoeld in artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw. Verweerder heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat de door hem aangevoerde omstandigheden, dat zijn dochter ziek is geworden door het schoolbezoek, omdat de school geen passend onderwijs kan bieden en handelingsverlegen is door de speciale onderwijsbehoefte van zijn dochter, niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zijn dochter ten tijde van het verzoek of het bestreden besluit ziek was, noch dat dit verband hield met het aangeboden onderwijs. Dit betekent dat niet is gebleken dat de dochter van eiser ziek is geworden door het schoolbezoek en dat zij om die reden verhinderd is de school te bezoeken. Verweerder heeft verder van belang mogen vinden dat de aangevoerde omstandigheden op zichzelf bezien evenmin als andere gewichtige omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-02-14
Publicatiedatum
2017-02-17
Zaaknummer
UTR 16/4709
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/4709


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Brussee),


en


[verweerder] , verweerder

(gemachtigden: T.A. van Reewijk en M. Olivier).



Procesverloop


Bij besluit van 11 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om vrijstelling op grond van artikel 11, aanhef en onder g, van de Leerplichtwet 1969 (Lpw) van het geregeld schoolbezoek van zijn dochter, [minderjarige] , afgewezen.


Bij besluit van 1 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er geen aanleiding bestaat om eiser op grond van artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw, vrij te stellen van zijn verplichting er zorg voor te dragen dat [minderjarige] als leerling van een school staat ingeschreven en zij de school na inschrijving geregeld bezoekt. Verweerder stelt voorop dat de Lpw in zijn algemeenheid geen ruimte biedt voor een verzoek tot ontheffing van de leerplicht dat in tijd ongelimiteerd is. Daarnaast is er geen sprake van de in artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw bedoelde “andere gewichtige omstandigheden”. Dat de school die [minderjarige] bezoekt, [school 1] te [vestigingsplaats] , haar geen passend onderwijs (meer) zou kunnen bieden en mogelijk handelingsverlegen is, kan volgens verweerder niet als zodanige omstandigheden worden aangemerkt. Wat betreft de medische situatie van [minderjarige] heeft verweerder overwogen dat eiser geen medische indicatie heeft overgelegd en er al hierom geen vrijstelling kan worden verleend op die grond. Verweerder ziet tot slot geen aanleiding tot het verlenen van vrijstelling in de aangevoerde omstandigheid dat eiser tijd nodig heeft om een andere school te zoeken. Er bestaat volgens verweerder geen relatie tussen een vrijstelling van geregeld schoolbezoek en het zoeken naar een andere school.

Eiser voert aan dat verweerder uitgaat van een onjuiste grondslag van de aanvraag. De aanvraag vindt haar grondslag in het niet bieden van passend onderwijs door de school als gevolg waarvan [minderjarige] ziek is geworden, in combinatie met de handelingsverlegenheid van de school. Het verzoek betreft dan ook geen verzoek om een permanente vrijstelling, maar om een tijdelijke vrijstelling totdat er een passende oplossing voor [minderjarige] is gevonden. Onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij de Lpw (Kamerstukken II 1992/93, 22 900, nr. 3), meent eiser dat in dit geval juist sprake is van de daarin genoemde “externe, veelal buiten de wil van de leerplichtige jongere en/of zijn ouders gelegen omstandigheden”. De door de school naar voren gebrachte handelingsverlegenheid staat immers los van de wil van [minderjarige] en haar ouders. Van eiser kan niet worden verwacht dat hij zijn dochter, die als gevolg van het uitblijven van passend onderwijs ziek is geworden, opnieuw naar een school laat gaan die stelt handelingsverlegen te zijn. Eiser verwijst verder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3496, waaruit hij afleidt dat een beroep op artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw, niet te beperkt uitgelegd mag worden. In het besluit moet worden gemotiveerd op welke wijze er, aan de hand van de aangevoerde omstandigheden, onderzoek is gedaan naar de toepasselijkheid van de gevraagde vrijstelling. Van een dergelijk onderzoek is in dit geval volgens eiser niet gebleken. Eiser wijst verder op de omstandigheid dat verweerder er ten onrechte van uitgaat van dat hij niet blijvend gesprekken heeft gevoerd met de school over de onderwijsbehoefte van [minderjarige] . Het is volgens eiser juist de school geweest die na de ziekmelding van [minderjarige] geen enkele inspanning heeft gepleegd en daarmee niet aan de zorgplicht heeft voldaan. Tot slot meent eiser dat verweerder buiten het kader van artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw treedt door te stellen dat er alternatieve scholen zijn waar [minderjarige] passend onderwijs kan volgen.

Verweerder stelt zich in reactie op het standpunt dat de wetgever met de restcategorie van artikel 11, onder g, van de Lpw, niet heeft beoogd dat er veelvuldig vrijstelling zou worden verleend. Verweerder is dan ook van mening dat gelet op de aangevoerde omstandigheden in dit geval terecht geen vrijstelling op die grond is verleend. Zo merkt verweerder op dat eiser niet heeft aangetoond dat [minderjarige] ziek is geworden omdat de school geen passend onderwijs aanbood en de school handelingsverlegen is. Daarbij wijst verweerder erop dat de handelingsverlegenheid formeel pas op 4 april 2016 is ontstaan, dus nadat eiser zijn verzoek had ingediend. Verder meent verweerder dat er wel degelijk onderzoek is gedaan naar de aangevoerde gronden voor vrijstelling, maar dat het eiser zelf is geweest die niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, aangezien hij steeds gesprekken heeft afgehouden.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij het bepalen of sprake is van “andere gewichtige omstandigheden” als bedoeld in artikel 11, onder g, van de Lpw op grond waarvan vrijstelling van het geregeld schoolbezoek kan worden verleend. Deze beoordelingsruimte van verweerder impliceert een terughoudende toets van de rechtbank. Uit de eerder genoemde geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw leidt de rechtbank af dat volgens de gangbare opvatting bij het begrip “andere gewichtige omstandigheden” moet worden gedacht aan externe, veelal buiten de wil van de leerplichtige jongere of zijn/haar ouders gelegen omstandigheden en dit begrip, anders dan eiser betoogt met zijn verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 24 september 2014, restrictief moet worden uitgelegd (Kamerstukken II 1992/93, 22 900, nr. 3, blz. 6-7; Circulaire van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, 15 november 1982, C 820 399). Het begrip mag echter niet te strikt worden uitgelegd, immers uit de niet-limitatieve betekenis van het woord ‘veelal’ in de genoemde wetsgeschiedenis en aan het karakter van restcategorie van “andere gewichtige omstandigheden” in de zin van onderdeel g volgt dat de wetgever andere gewichtige omstandigheden niet zonder meer heeft uitgesloten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRvS van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3953.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder uit is gegaan van een onjuiste grondslag van zijn aanvraag. Hoewel de besluitvorming van verweerder niet uitblinkt in helderheid, komt daarin, gelet ook op de toelichting van verweerder ter zitting, voldoende naar voren dat verweerder de door eiser aangevoerde omstandigheden afzonderlijk en in de gestelde samenhang heeft beoordeeld in het kader van artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw. Dat verweerder in het besluit ook een standpunt heeft ingenomen wat betreft artikel 11, aanhef en onder d, van de Lpw, wat daar verder van zij, doet aan het voorgaande niet af. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser heeft mogen tegenwerpen dat het verzoek om vrijstelling van het geregeld schoolbezoek in tijd ongelimiteerd is en dat artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw daar in beginsel geen ruimte toe biedt. Echter, omdat naar het oordeel van de rechtbank verweerder bevoegd is zelfstandig een termijn aan de vrijstelling te verbinden, heeft verweerder daar geen doorslaggevende betekenis aan mogen toekennen en was verweerder gehouden de door eiser aangevoerde omstandigheden te beoordelen.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van gewichtige omstandigheden als bedoeld in artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat de door hem aangevoerde omstandigheden, dat [minderjarige] ziek is geworden door het schoolbezoek, omdat de school geen passend onderwijs kan bieden en handelingsverlegen is door de speciale onderwijsbehoefte van [minderjarige] , niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat [minderjarige] ten tijde van het verzoek of het bestreden besluit ziek was, noch dat dit verband hield met het aangeboden onderwijs. Dit betekent dat niet is gebleken dat [minderjarige] ziek is geworden door het schoolbezoek en dat zij om die reden verhinderd is de school te bezoeken. Anders dan eiser stelt ligt het, in een aanvraagsituatie als de hier voorliggende, op zijn weg om de door hem in het kader van artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw, aangevoerde omstandigheden te onderbouwen. Dat eiser dit heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de stukken en de toelichting van verweerder is gebleken dat verweerder pogingen heeft ondernomen de omstandigheden te onderzoeken maar hierbij onvoldoende medewerking van eiser verkreeg.

Verweerder heeft verder van belang mogen vinden dat de aangevoerde omstandigheden op zichzelf bezien evenmin als “andere gewichtige omstandigheden” kunnen worden aangemerkt. Wat betreft het niet kunnen bezoeken van school in verband met ziekte, overweegt de rechtbank dat dat een aparte grond in artikel 11 van de Lpw is, waarop in onderhavig verzoek geen beroep is gedaan. Wat betreft de omstandigheden dat de school geen passend onderwijs kan bieden en handelingsverlegen is, omstandigheden die volgens eiser losstaan van de wil van [minderjarige] en haar ouders, heeft verweerder van belang mogen vinden dat daaruit niet blijkt dat [minderjarige] verhinderd is de school te bezoeken. Dat een school geen passend onderwijs biedt en handelingsverlegen is, wat daar in dit geval verder van zij, staat immers niet zonder meer in de weg aan het geregeld schoolbezoek. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat de situatie wellicht anders zou zijn geweest indien de school heeft gesteld handelingsverlegen te zijn en vervolgens een besluit tot verwijdering van de jongere heeft genomen dat onherroepelijk is geworden. Hierdoor zou de jongere daadwerkelijk verhinderd zijn de school te bezoeken. Daargelaten dat dit niet is aangevoerd als “andere gewichtige omstandigheid”, is niet gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van zo een onherroepelijk besluit. Dat het onderwijs in een dergelijke situatie niet aansluit op de onderwijsbehoefte van de leerplichtige, heeft verweerder gelet op de overige met onderwijsdeelname beoogde doelen onvoldoende grond voor vrijstelling mogen vinden.

Wat betreft de omstandigheid dat eiser tijd nodig heeft om voor [minderjarige] een passende school te vinden die kan voorzien in haar onderwijsbehoefte, heeft verweerder er op mogen wijzen dat dat geen grond biedt voor het verlenen van een vrijstelling van geregeld schoolbezoek. Immers, er bestaat de mogelijkheid om een andere school te zoeken terwijl [minderjarige] geregeld de school bezoekt waar zij staat ingeschreven.

Dat eiser zich tot slot niet kan vinden in de suggestie van verweerder om [minderjarige] als alternatieve oplossing aan te melden voor onderwijs bij [school 2] , leidt niet tot een andere conclusie. Het is juist dat verweerder ten onrechte veronderstelt dat de aanwezigheid van een alternatief afbreuk doet aan de mogelijke aanwezigheid van “externe, veelal buiten de wil van de leerplichtige jongere of zijn/haar ouders gelegen omstandigheden”. Immers, alvorens te bezien of van de bevoegdheid vrijstelling te verlenen gebruik wordt gemaakt, dient te worden onderzocht of zich bedoelde “andere gewichtige omstandigheden” voordoen. Daarbij moet het gelet op de tekst van artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw, gaan om omstandigheden waardoor de jongere verhinderd is om de school te bezoeken waar hij staat ingeschreven. Omdat verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat niet is gebleken van “andere gewichtige omstandigheden” en de verwijzing naar een alternatief een suggestie is voor een mogelijke oplossing, kunnen daar geen verdere gevolgen aan verbonden worden.


7. Uit voorgaande volgt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft onderzocht of sprake is van “andere gewichtige omstandigheden”. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over het door de school van [minderjarige] niet (kunnen) voldoen aan de voor de school geldende wettelijke zorgplicht, kan niet afdoen aan de conclusie dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van gewichtige omstandigheden als bedoeld in artikel 11, aanhef en onder g, van de Lpw. De beroepsgronden slagen niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:






















Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.