Rechtbank Noord-Holland, 19-03-2014 / AWB-13_560 tot en met 13_566, 13_707 tot en met 13_709, 13_3931


ECLI:NL:RBNHO:2014:2480

Inhoudsindicatie
Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de aanslagen. Aantal aanslagen alsnog verminderd na alsnog overleggen gegevens in beroep. De door verweerder naar 95% verminderde opzetboete blijft in stand. Geen verdere vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn, nu deze termijn wordt verlengd met de periode dat eiser heeft ingestemd met aanhouding van het doen van uitspraak op bezwaar wordt verlengd met deze periode van aanhouding. Wat betreft het opleggen en de berekening van heffingsrente heeft verweerder niet onzorgvuldig gehandeld.
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2014-03-19
Publicatiedatum
2014-04-29
Zaaknummer
AWB-13_560 tot en met 13_566, 13_707 tot en met 13_709, 13_3931
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2014/854
  • FutD 2014-1043
Uitspraak RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem


Bestuursrecht, meervoudige kamer


Zaaknummers: AWB 13/560 tot en met 13/566, 13/707 tot en met 13/709 en 13/3931


Uitspraakdatum: 19 maart 2014



Uitspraak in de gedingen tussen


[x] , wonende te [z], eiser,

gemachtigde: mr. drs. S. Bharatsingh,


en


de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.



1Ontstaan en loop van de gedingen


1.1.

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 1996 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 132.270. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 20.404 (100% van het nagevorderde bedrag, hierna verder ook aan te duiden als boete), waarvan geen kwijtschelding is verleend. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van ƒ 9.262 aan heffingsrente in rekening gebracht.


1.2.

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 1997 een navorderingsaanslag vermogensbelasting (hierna: vb) opgelegd, berekend naar een vermogen van ƒ 1.753.000. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 3.736 (100% van het nagevorderde bedrag), waarvan geen kwijtschelding is verleend. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van ƒ 1.593 aan heffingsrente in rekening gebracht.


1.3.

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2003 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 60.405. Gelijktijdig is bij beschikking een boete van € 6.429 (100%) opgelegd en is een bedrag van € 1.439 aan heffingsrente in rekening gebracht.


1.4.

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2005 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.384 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 89.943. Gelijktijdig is bij beschikking een boete van € 5.437 (100%) opgelegd en is een bedrag van € 3.748 aan heffingsrente in rekening gebracht.


1.5.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 24 januari 2013 heeft verweerder de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996 en vb 1997 afgewezen.


1.6.

Bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 gehandhaafd, de boete verminderd tot € 6.107 en de heffingsrentebeschikking gehandhaafd.


1.7.

Bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2005 gehandhaafd, de boete verminderd tot € 5.165 en de heffingsrentebeschikking gehandhaafd.


1.8.

Voorts heeft verweerder aan eiser over de jaren 1997 tot en met 2000 navorderingsaanslagen ib/pvv opgelegd en over de jaren 1998 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vb. In deze navorderingsaanslagen zijn verhogingen begrepen, dan wel zijn tegelijkertijd bij beschikking boetes opgelegd en voorts is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.


1.9.

Bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de in 1.8 genoemde navorderingsaanslagen gehandhaafd en de boetes verminderd.


1.10.

Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 1996 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 13/708, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 1997 onder nummer AWB 13/560, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 1998 onder nummer AWB 13/561, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 1999 onder nummer AWB 13/562, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2000 onder nummer AWB 13/563, het beroep tegen de navorderingsaanslag vb 1997 onder nummer AWB 13/3931, het beroep tegen de navorderingsaanslag vb 1998 onder nummer AWB 13/564, het beroep tegen de navorderingsaanslag vb 1999 onder nummer AWB 13/565, het beroep tegen de navorderingsaanslag vb 2000 onder nummer AWB 13/566, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 onder nummer 13/709 en het beroep tegen de aanslag ib/pvv 2005 onder nummer AWB 13/707.


1.11.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.


1.12.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.


1.13.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Namens eiser is daar de gemachtigde voornoemd verschenen, tot bijstand vergezeld van [A]. Namens verweerder zijn J.G.A. de Ruiter en C. Alma verschenen. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld tot overeenstemming te komen over de hoogte van de (resterende) belastingaanslagen. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 25 november 2013 conclusies gegeven over de hoogte van de aanslagen in de zaken met zaaknummers AWB 13/707 tot en met 13/709 en 13/3931.


1.14.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 februari 2014. Namens eiser is daar de gemachtigde voornoemd verschenen. Namens verweerder is J.G.A. de Ruiter verschenen, bijgestaan door een collega.



2Tussen partijen vaststaande feiten


2.1.

Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar de feiten zoals vastgesteld in de uitspraken van rechtbank Haarlem van 25 september 2012 met zaaknummers AWB 08/7106, 11/5980 en 11/5981 (onderdelen 2.1 tot en met 2.5), betreffende de aan eiser met dagtekening 31 december 2007 opgelegde navorderingsaanslagen ib/pvv 1995 en 2002, en vb 1996.


2.2.

Verweerder heeft eiser bij brief van 28 november 2008 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen ib/pvv 1996 en 2003 en vb 1997 met boete op te leggen. In de brief staat – voor zover hier van belang – het volgende:

Redelijke schattingOndanks mijn herhaalde verzoeken om informatie en mijn verwijzing naar uw verplichtingen zoals genoemd in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, heeft u niet voldaan aan de op u rustende verplichtingen. (…)


Aan de hand van gegevens van een groot aantal rekeninghouders die één of meerdere bankrekeningen bij [B] hebben aangehouden in de periode 1994/1996 heb ik een verloop van de gemiddeld aangehouden tegoeden kunnen vaststellen. De gemiddeld aangehouden tegoeden zijn in de door mij onderzochte periode op jaarbasis toegenomen met gemiddeld ruim 23,5% per jaar. Deze toename kan zijn ontstaan uit het herbeleggen van rente en dividendinkomsten, waardestijging van aandelen en beleggingsfondsen en het saldo van opnames en stortingen.

Omdat ik de inkomsten en het vermogen moet schatten is er voor mij geen aanleiding om rekening te houden met een lagere toename van de tegoeden dan uit het onderzoek bij de onderzochte groep rekeninghouders is gebleken. Uitgaande van de mij bekende door u aangehouden tegoeden zal ik in mijn berekeningen voor de vermogensbelasting tot en met 2000 rekening houden met een jaarlijkse toename van uw tegoeden van 23,5%.


Ik zal uw vermogen op 1 januari 1997 met fl 467.137 (€ 212.335) verhogen.


Met betrekking tot de inkomstenbelasting 1995 heb ik een rendement berekend op de door u in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. Het rendement op beleggingen in buitenlandse beleggingsfondsen bedraagt op grond van artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in beginsel 6% per jaar. Voor de bepaling van de rente op spaarrekeningen, depositorekeningen en obligaties heb ik rekening gehouden met de percentages van de wettelijke rente, de marktrente en rendementen volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het rentepercentage op spaarrekeningen, depositorekeningen en obligaties heb ik voor 1995 geschat op 6%. Met betrekking tot het voor de inkomstenbelasting te belasten rendement op aandelen ben ik tevens uitgegaan van een gemiddelde van 6% per jaar. Hierdoor worden de inkomsten op de door u en/of uw echtgeno(o)t(e) in het buitenland aangehouden bankrekeningen berekend op 6% van het door mij berekende saldo op 1 januari van dat jaar. Hiervoor heb ik reeds vermeld op welke wijze de tegoeden op de buitenlandse bankrekening(en) zijn berekend.

Dit heeft tot gevolg dat het belastbaar inkomen over 1996 met fl 35.710 (€ 16.232) wordt verhoogd.


Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2003 zal ik voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen uitgaan van dezelfde berekeningswijze als voor de Vermogensbelasting. Het voordeel uit sparen en beleggen bedraagt op grond van artikel 5.2 Wet IB 2001 4 % van dit berekende vermogensbestanddeel.


Uw belastbare inkomen uit sparen en beleggen over 2003 zal ik verhogen met € 535.773.



Navordering

Uw aangiften over de jaren 1996 en 2003 heb ik behandeld voordat ik over de informatie met betrekking tot de door u in het buitenland aangehouden bankrekening(en) kon beschikken. Hierdoor zijn uw aanslagen over deze jaren tot te lage bedragen vastgesteld en ben ik voornemens u op grond van artikel 16, lid 1, 3 en 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) navorderingsaanslagen op te leggen.


Kennisgeving boete

(Navorderingsaanslag IB/PH 1996 en VB 1997)

Op grond van artikel 18, lid 1 van de AWR ben ik voornemens over de correcties een niet-ordeboete van 100% op te leggen. Van deze boete zal ik overeenkomstig § 21, lid 3 van het Voorschrift administratieve boeten 1993 niets kwijtschelden.


(Navorderingsaanslag IB/PH 2003)Naast de gevolgen voor de belastingheffing ben ik voornemens om gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingaanslag een boete op te leggen. Het betreft een vergrijpboete ingevolge artikel 67e AWR en hoofdstuk IV van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Er is sprake van (voorwaardelijke) opzet. Deze boete bedraagt 50% van het bedrag van de navorderingsaanslag. Op grond van § 43, lid 3 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt deze boete verhoogd tot 100%.


Motivering boete Uit het onderzoek door de Belastingdienst zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan ik voornemens ben deze boete op te leggen.


U bent geïdentificeerd als houder van een of meerdere buitenlandse bankrekeningen. U heeft de hiervoor vermelde vermogensbestanddelen en inkomsten niet vermeld in uw belastingaangifte(n). Dit ondanks dat in de aangifte(n) uitdrukkelijk gevraagd wordt naar (buitenlandse) inkomensbestanddelen en/of vermogensbestanddelen. Op grond hiervan ben ik van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.

Het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een of meer buitenlandse bankrekeningen (onder andere) in een land met een bankgeheim waardoor de belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit is ontnomen merk ik aan als listigheid, valsheid of samenspanning e.d. als bedoeld in paragraaf 21, lid 3 van het Voorschrift administratieve boeten 1993 en als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto paragraaf 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen.

(…)

Uitnodiging om te reageren

Normaliter wordt u in de gelegenheid gesteld om te reageren op de voorgenomen navorderingen. In verband met de dreigende verjaringstermijn waarbinnen de aanslagen dienen te worden opgelegd en mede gelet op het feit dat de betreffende materie reeds bij u en uw advocaat bekend is, zal ik de aanslagen met verhoging zo spoedig mogelijk opleggen. Ik verwijs u hiervoor naar de separaat meegestuurde mededeling. (…) ”


2.3.

Met dagtekening 16 december 2008 zijn aan eiser de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996, vb 1997 en ib/pvv 2003 opgelegd.


2.4.

Verweerder heeft eiser bij brief van 12 mei 2009 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen ib/pvv 1997 tot en met 2001, 2004 tot en met 2006 en vb 1998 tot en met 2000 met boetes op te leggen. Bij de aangekondigde correctie wordt rekening gehouden met het feit dat in de op 11 juni 2007 ontvangen aangifte ib/pvv 2005 – voor het eerst – melding wordt gemaakt van vermogen bij [C], rekeningnummer [nummer]. Bij banktegoeden is ter zake in de aangifte een bedrag vermeld van € 2.120 per 1 januari 2005 en van € 1.865 per 31 december 2005. Bij aandelen is ter zake in de aangifte een bedrag vermeld van € 155.266 per 1 januari 2005 en van € 171.877 per 31 december 2005. Met dagtekening 31 juli 2009 is aan eiser de aanslag ib/pvv 2005 opgelegd.


Contacten tussen partijen na het opleggen van de navorderingsaanslagen

2.5.1.

Eiser heeft bij brief van 7 januari 2009, op diezelfde dag ingekomen bij de Belastingdienst, bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996, vb 1997 en ib/pvv 2003. Eiser heeft bij brief van 7 september 2009, op 9 september 2009 ingekomen bij de Belastingdienst, bezwaar gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2005. De bezwaarschriften luiden – voor zover hier van belang - als volgt:

“Het zal u ongetwijfeld bekend zijn dat aan cliënt de aanslagen zijn opgelegd in het kader van buitenlands banktegoed, het project [D]. Het zal u ook bekend zijn dat in den lande bij diverse inspecties door mij namens cliënten bezwaarschriften zijn ingediend, waarop tot op heden geen uitspraak is gedaan. De gronden van mijn bezwaar voor deze door u opgelegde aanslagen zijn geheel afhankelijk van de uitspraak op het door mij namens mijn cliënten eerder ingediende bezwaarschriften. Daarenboven zal, voor het geval het bezwaarschrift ongegrond wordt verklaard en hiertegen een beroepschrift wordt ingediend bij de Rechtbank, de uitspraak van deze Rechtbank mede bepalend zijn voor de aan te voeren gronden van mijn bezwaar. In het licht hiervan en uit het oogpunt van doelmatigheid, verzoek ik u mij namens mijn cliënt uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar te verlenen totdat er onherroepelijk uitspraak is gedaan in het hoogste resort in het Rekeningenproject [D].”


2.5.2.

Met betrekking tot de (inmiddels vernietigde; zie hierna) navorderingsaanslagen ib/pvv (1997 tot en met 2000) en vb (1998 tot en met 2000) zijn de bezwaarschriften ingediend op 24 september 2009.


2.5.3.

Verweerder heeft eiser bij brieven van 19 oktober 2012 (ib/pvv 2003 en 2005) en 19 november 2012 (ib/pvv 1996 en vb 1997) verzocht binnen vier weken na dagtekening de gronden van de bezwaren toe te sturen. Eiser heeft bij brief van 15 november 2012 in reactie op de brief van verweerder 19 oktober 2012 de gronden van het bezwaar inzake de aanslagen ib/pvv 1997 tot en met 2000, 2003 en 2005 en vb 1998 tot en met 2000 ingediend.


2.5.4.

Eiser heeft bij brief van 11 december 2012 in reactie op de brief van verweerder 19 november 2012 de gronden van het bezwaar inzake de aanslagen ib/pvv 1996 en vb 1997 ingediend.


2.5.5.

Verweerder heeft vervolgens uitspraken op bezwaar gedaan met betrekking tot genoemde (navorderings)aanslagen op 24 januari en 15 februari 2013. Daarbij zijn de boetes bij de (navorderings)aanslag ib/pvv 2003 en 2005 met 5% gematigd. Dit laatste is eveneens gebeurd met betrekking tot de navorderingsaanslagen ib/pvv 1997 tot en met 2000 en vb 1998 tot en met 2000.


Geheimhoudingsbeslissingen

2.6.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en voorts heeft hij de rechtbank verzocht voor een deel van de op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te beslissen dat beperking van kennisneming van (delen van) die stukken tot de rechtbank gerechtvaardigd is. Deze verzoeken zijn reeds behandeld in het kader van de beroepsprocedure betreffende de aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen ib/pvv 1995 en 2002 en vb 1996 (zaaknummers 08/7106 c.a.). Op de verzoeken is beslist op 23 september en 19 december 2011 (zaaknummers 08/7106 c.a.). Deze geheimhoudingsbeslissingen en de uitspraak in de hoofdzaak van 25 september 2012 zijn partijen bekend en in het dossier gevoegd. Voor de feiten, de ingenomen standpunten en de gevolgen die zij aan de geheimhoudingsbeslissingen wensen te verbinden, hebben partijen ter zitting desgevraagd verwezen naar de geheimhoudingsbeslissingen en onderdeel 2 van de uitspraak in de hoofdzaak van 25 september 2012. De in dit verband van belang zijnde feiten en omstandigheden zijn weergegeven in de onderdelen 2.7.2 tot en met 2.7.11 van die uitspraak.



3Geschil


3.1.

In geschil is of de onderhavige (navorderings)aanslagen (inclusief verhogingen), de kwijtscheldingsbesluiten dan wel boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente, terecht, en naar de juiste bedragen, zijn opgelegd c.q. zijn gegeven.


3.2.

Verweerder baseert de (navorderings)aanslagen op zijn stelling dat eiser bij de bank [E] (hierna: [E]) tegoeden heeft aangehouden waarvan hij geen aangifte, dan wel voor wat betreft de ib/pvv 2005 geen volledige aangifte, zou hebben gedaan. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.



4Beoordeling van het geschil


Ontvankelijkheid

4.1.

Bij brief van 27 augustus 2013 heeft verweerder met betrekking tot de in 1.8 genoemde navorderingsaanslagen het standpunt ingenomen dat de betreffende navorderingsaanslagen (en daarbij behorende verhogingen en beschikkingen) dienen te worden vernietigd. Bij beschikkingen van 13 september 2013 zijn de in 1.8 genoemde navorderingsaanslagen vervolgens verminderd tot nihil en zijn de bijbehorende boetes en is de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente eveneens verminderd tot nihil. Nu geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiser, zullen de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Met betrekking tot de ingediende verzoeken om een proceskostenveroordeling en om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank oordelen als hierna vermeld.


Geheimhoudingsbeslissingen en gedingstukken

4.2.

Partijen hebben met betrekking tot de geheimhoudingsbeslissingen en de gedingstukken in de onderhavige gedingen gelijkluidende standpunten ingenomen als in de in onderdeel 2.1 genoemde gedingen. Voorts hebben partijen ter zitting aangegeven dat er voor het overige geen stukken zijn die ontbreken in de dossiers en dat er evenmin stukken zijn waarop nog een beslissing als bedoeld in artikel 8:29 Awb moet worden gegeven. Voor de beslissingen over genoemde geschilpunten volstaat de rechtbank hier dan ook met een verwijzing naar de overwegingen 4.1 tot en met 4.2 van de in 2.1 genoemde uitspraak van 25 september 2012.


4.3.

Ter zitting van 17 september 2013 heeft eiser verklaard dat hij zijn standpunten ten aanzien van de rechtmatigheid van het bewijs, de authenticiteit van de identificatie, de ontkenning rekeninghouder geweest te zijn, het stellen van prejudiciële vragen en het gelijkheidsbeginsel intrekt. Deze punten behoeven om die reden geen verdere behandeling. De rechtbank volgt eiser gelet op overweging 4.2 niet in zijn betoog dat verweerder in strijd met het zogenoemde fair-play beginsel dan wel de goede procesorde heeft nagelaten (tijdig) stukken in te brengen.


Verlengde navorderingstermijn

4.4.1.

Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft verweerder, in afwijking van artikel 16, derde lid, van de AWR, gedurende twaalf jaar de bevoegdheid tot navordering, indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden, is opgekomen (hierna: de verlengde navorderingstermijn). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050 (ECLI:NL:HR:2008:BA8179), aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) prejudiciële vragen gesteld over de verlengde navorderingstermijn. Een van die vragen was of het de Nederlandse fiscus is toegestaan om de verlengde navorderingstermijn te hanteren als sprake is van (inkomsten uit) tegoeden die in het buitenland, buiten het zicht van de Nederlandse fiscus zijn aangehouden, terwijl de navorderingstermijn vijf jaar is als het om binnenlandse tegoeden gaat.


4.4.2.

Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot tegen de Staatssecretaris van Financiën (C-155/08 en C-157/08, ECLI:NL:XX:2009:BI8987, BNB 2009/222), heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, onder meer voor recht verklaard dat de artikelen 49 EG en 56 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang. Het evenredigheidsbeginsel echter – dat inhoudt dat een beperkende maatregel alleen gerechtvaardigd is als deze geschikt is het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken, en ook niet verder gaat dan noodzakelijk om dat doel te bereiken – begrenst de beperking van het vrije verkeer die de toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR inhoudt.


4.4.3.

In zijn arrest van 26 februari 2010 (nr. 43 050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit voornoemde verklaring voor recht van het Hof van Justitie moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.


Het hiervoor overwogene geldt, aldus nog steeds de Hoge Raad:

- ongeacht het antwoord op de vraag of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, en

- zowel in het geval dat voor het inwinnen van inlichtingen een nuttig gebruik kan worden gemaakt van regelingen van wederzijdse bijstand tussen lidstaten, als in het geval dat de mogelijkheid daartoe ontbreekt, bijvoorbeeld doordat de desbetreffende lidstaat een bankgeheim kent.

Het in het arrest van het Hof van Justitie (in punt 47) genoemde evenredigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, ook na het hiervoor genoemde aanvaardbare tijdsverloop gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR een navorderingsaanslag op te leggen op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR is verstreken. De rechtvaardiging die het Hof van Justitie aanwezig heeft geacht voor de aan toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet als ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden verder wordt overschreden dan uit het hiervoor overwogene voortvloeit.

Uit de verklaring voor recht van het Hof van Justitie volgt bovendien dat het bovenstaande geen wijziging ondergaat door het feit dat met de desbetreffende aanslagen boeten samenhangen.

Voorts volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2013, nr. 12/01598, ECLI:NL:HR:2013:CA2255, dat het bovenstaande evenmin beïnvloed wordt door de omstandigheid dat er ten aanzien van eiser nog andere procedures aanhangig zijn met betrekking tot rechtsvragen die in de onderhavige zaken eveneens aan de orde zijn.


4.4.4.

Eiser stelt dat de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996 en vb 1997 te laat zijn vastgesteld omdat de verlengde navorderingstermijn slechts gerechtvaardigd is als het voor het vaststellen van de navorderingsaanslag nodig is om eerst nog inlichtingen in een andere lidstaat in te winnen en dat is in de zaken van eiser niet aan de orde. Verweerder heeft geen inlichtingen ingewonnen in een andere lidstaat en daarom staat het verweerder niet vrij de navorderingsaanslagen met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn vast te stellen. Eiser stelt voorts dat de navorderingsaanslagen niet met redelijke voortvarendheid zijn opgelegd.


4.4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het feit dat door verweerder geen inlichtingen in een andere lidstaat, in dit geval [Q], zijn ingewonnen niet mee dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn hiervoor genoemde arrest van 26 februari 2010. De Hoge Raad overweegt in dat arrest met zoveel woorden dat de langere navorderingstermijn aanvaard kan worden ook als geen inlichtingen bij een andere lidstaat ingewonnen kunnen worden. Deze stelling van eiser wordt dan ook verworpen.


4.4.6.

Met betrekking tot de stelling van eiser dat de navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd zal de rechtbank voor de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996 en 1997, die zijn opgelegd met gebruik van de verlengde navorderingstermijn, aan de hand van de termijn die is verlopen tussen de ontvangst van de informatie van de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 en de datum waarop de desbetreffende navorderingsaanslag is vastgesteld, beoordelen of die vaststelling met redelijke voortvarendheid heeft plaatsgevonden. De navorderingsaanslagen ib/pvv 1996 en vb 1997 hebben als dagtekening 16 december 2008.


4.4.7.

De door verweerder gebruikte tijd voor het opleggen van de navorderingsaanslagen (waaronder ook die aan de orde in de uitspraak van 25 september 2012) is onder te verdelen in grofweg drie periodes. De eerste periode heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen het moment van ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 en het moment waarop voor het eerst vragenbrieven zijn verzonden naar belastingplichtigen in maart 2007. De tweede periode heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen maart 2007 en het opleggen van een eerste serie navorderingsaanslagen eind 2007 aan belastingplichtigen die zijn geïdentificeerd als rekeninghouder bij [E] (dit betreft veelal – ook in casu - navorderingsaanslagen ib/pvv 1995, vb 1996 en ib/pvv 2002). De derde periode tot slot, heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen het opleggen van deze eerste serie navorderingsaanslagen en de overige (navorderings)aanslagen.


4.4.8.

Ter zake van de eerste periode heeft het volgende te gelden. Tussen het moment waarop de FIOD-ECD Team Internationaal de gegevens van de Belgische autoriteiten heeft ontvangen (18 februari 2005) en het versturen door verweerder van de vragenbrief aan eiser (7 maart 2007), is een periode van ruim twee jaar verstreken. Verweerder heeft aangegeven dat de Belastingdienst de inlichtingen in maart 2005 heeft ontvangen en dat besloten is om tot een projectmatige aanpak over te gaan in verband met de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid. Verweerder heeft aangegeven dat de projectmatige werkzaamheden in drie fases kunnen worden onderscheiden, te weten de onderzoeksfase, de besluit- en inrichtingsfase en de projectfase. Per periode heeft verweerder aangegeven welke soort van activiteiten in de desbetreffende periode zijn verricht. Gezien de complexiteit en de omvang van het project is de rechtbank van oordeel dat de periode van twee jaar om de geïdentificeerde belastingplichtigen, en dus ook eiser, te benaderen met een vragenbrief niet onredelijk lang is.


4.4.9.

Ter zake van de tweede periode heeft rechtbank Haarlem in de uitspraken van 25 september 2012 betreffende de aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen ib/pvv 1995 en vb 1996 (zaaknummer 08/7106 c.a.) geoordeeld dat de periode van bijna tien maanden tot de dagtekening van deze navorderingsaanslagen niet onevenredig lang is.


4.4.10.

Ten aanzien van de derde periode heeft te gelden dat tussen het moment waarop de eerste serie navorderingsaanslagen is opgelegd (op 31 december 2007) en de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996 en vb 1997 (aankondiging 28 november en gedagtekend 16 december 2008), bijna een jaar is verstreken. Verweerder heeft ter zake onder meer naar voren gebracht dat, na het opleggen van de (navorderings)aanslagen ib/pvv 1995, vb 1996 en ib/pvv 2002 eind 2007, uit zorgvuldigheidsoverwegingen is gewacht met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen, ook omdat hij dan het standpunt van eiser en eventuele bewijsstukken in de bezwaarfase zou kunnen betrekken bij de opvolgende navorderingsaanslagen. Voorts heeft hij aangevoerd dat er concrete aanleiding was om te wachten met het opleggen van de navorderingsaanslagen omdat de gemachtigde van eiser nadere gegevens in het vooruitzicht had gesteld.


4.4.11.

De rechtbank acht bij de beoordeling van de vraag of verweerder voldoende voortvarend is geweest van doorslaggevend belang dat eiser in 2007 de vragen van verweerder over het onderhavige vermogen bij [E] gedeeltelijk heeft beantwoord doordat eiser op 13 maart 2007 de Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en) heeft geretourneerd met vermelding van een saldo van € 139.023, en vervolgens in de op 11 juni 2007 ontvangen aangifte ib/pvv 2005 – voor het eerst – melding wordt gemaakt van vermogen bij [E] op genoemd rekeningnummer. Vervolgens heeft de gemachtigde met verweerder in 2007 gecorrespondeerd over gerelateerde kwesties. Hierbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat de eerste serie navorderingsaanslagen, zo is onweersproken vast komen te staan, tot behoud van rechten ultimo 2007 is opgelegd in verband met het verstrijken van de wettelijke (twaalf- dan wel vijfjaars-) termijn waarbinnen de navorderingsaanslagen dienden te worden opgelegd. Onder de gegeven omstandigheden was de verwachting gerechtvaardigd dat eiser in de bezwaarprocedure over de eerste serie navorderingsaanslagen (ib/pvv 1995, vb 1996 en ib/pvv 2002), tijdens welke procedure partijen in het eerste halfjaar van 2008 nog een briefwisseling hebben gevoerd, met nadere gegevens zou komen en kan niet worden gezegd dat verweerder reeds eind 2007 beschikte over alle benodigde gegevens om de (navorderings)aanslagen op te leggen. De rechtbank deelt voorts de mening van verweerder dat hij bij het opleggen van navorderingsaanslagen de vereiste zorgvuldigheid in acht moet nemen en dat daarbij zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de daadwerkelijk verschuldigde belasting. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk is gegaan door het verloop van genoemde bezwaarprocedure af te wachten alvorens de onderhavige (navorderings)aanslagen op te leggen. Dat verweerder de eind 2008 opgelegde (navorderings)aanslagen uiteindelijk toch heeft gebaseerd op de gegevens die hem reeds ter beschikking stonden ten tijde van het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen (ib/pvv 1995, vb 1996 en ib/pvv 2002), doet hieraan geen afbreuk, nu verweerder in redelijkheid niet had kunnen voorzien dat eiser geen nadere gegevens zou verstrekken met betrekking tot het vermogen bij [E], iets dat eiser uiteindelijk in de beroepsfase wel heeft gedaan. Nadat bij uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2008 de eerste serie (navorderings)aanslagen is gehandhaafd, zijn de onderhavige (navorderings)aanslagen (na aankondiging bij brief van 28 november 2008) opgelegd met dagtekening 16 december 2008. Hierbij verdient opmerking dat afdoening van bezwaarschriften en aanslagoplegging in de maanden juni, juli en augustus 2008 is aangehouden in verband met hercheck bij de identificatie van dubbele namen bij weigeraars en ontkenners en dat eiser als zodanig is aangemerkt.


4.4.12.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het onder 4.4.2 genoemde evenredigheidsbeginsel door de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn, met dagtekening 16 december 2008 op te leggen. Het beroep faalt in zoverre.


Hoogte navorderingsaanslagen ib/pvv 1996, 2003 en 2005 en vb 1997

4.5.1.

Eiser heeft in beroep met betrekking tot de in geschil zijnde belastingjaren alsnog openheid van zaken gegeven en kopieën verstrekt van rekeningafschriften en portefeuilleoverzichten. Op basis hiervan zijn partijen eensluidend tot de volgende conclusies gekomen dat (zie brief verweerder van 25 november 2013):

- de correctie van het belastbaar inkomen in de navorderingsaanslag ib/pvv 1996 ten bedrage van ƒ 35.710 dient te worden verminderd met ƒ 1.594;

- de correctie van het vermogen in de navorderingsaanslag vb 1997 ten bedrage van ƒ 467.137 dient te worden verminderd met ƒ 1.208;

- de correctie van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 dient € 3.008 te bedragen. De correctie bij navordering ten bedrage van € 21.431 dient te worden verminderd met € 18.423, en

- de correctie van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in de aanslag ib/pvv 2005 ten bedrage van € 18.121 komt te vervallen.


4.5.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen en volgt partijen hierin. Dit betekent dat:

- de navorderingsaanslag ib/pvv 1996 dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 130.676 (ƒ 96.560 volgens primitieve aanslag + ƒ 34.116) (€ 59.298);

- de navorderingsaanslag vb 1997 dient te worden verminderd tot een naar een vermogen van ƒ 1.752.052 (ƒ 1.286.123 volgens primitieve aanslag + ƒ 465.929) (€ 795.046);

- de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 41.982 (€ 38.974 volgens aangifte/primitieve aanslag + € 3.008), en

- de aanslag ib/pvv 2005 dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.384 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 71.819.


4.5.3.

Aan omkering en verzwaring van de bewijslast komt de rechtbank niet toe. Verweerder heeft de hoogte van de correcties, begrepen in de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996 en 2003 en vb 1997, aannemelijk gemaakt.


Boetes ib/pvv 1996, 2003 en vb 1997

4.6.1.

Nu de correctie betreffende de aanslag ib/pvv 2005 vervalt, dient ook de daarbij opgelegde boete te vervallen. Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld zijn thans uitsluitend de boetes met betrekking tot de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996, 2003 en vb 1997 in geschil. Nu deze navorderingsaanslagen worden verminderd zullen de boetes dienovereenkomstig worden verminderd. De boetes zijn bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen opgelegd tot een bedrag van 100% van de nagevorderde belasting. In bezwaar is de boete met betrekking tot de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 met 5% verminderd. Het te dezen bestaande onderscheid in de wettelijke regelingen heeft voor de beslissing geen betekenis, zodat hierna uitsluitend wordt verwezen naar de wettelijke regelingen zoals deze luiden vanaf 1998 en de daarbij behorende terminologie.


4.6.2.

Op grond van artikel 67e van de AWR kan verweerder met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting.


4.6.3.

Ingeval van ‘opzet’ bedraagt de boete 50% (§ 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, hierna: BBBB), tenzij sprake is van strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in § 43 van het BBBB in welk geval de boete tot 100% kan worden verhoogd.


4.6.4.

De rechtbank acht aannemelijk dat eiser de uiteindelijk gecorrigeerde bedragen genoemd in 4.5 opzettelijk niet heeft aangegeven in zijn aangiften ib/pvv 1996, 2003 en vb 1997 met het doel hierover geen belasting te betalen. De omstandigheid dat eiser blijkens de in onderdeel 2.2 vermelde brief niet heeft kunnen reageren voordat de boetes zijn opgelegd, staat in de gegeven omstandigheden, waarbij de rechtbank het oog heeft op de dreigende verjaringstermijn en het feit dat de betreffende materie op dat moment reeds bekend was bij eiser en zijn gemachtigde, niet in de weg aan de houdbaarheid van de boetes. Niet kan worden gezegd dat eiser hierdoor zozeer in zijn verdediging is geschaad dat hieraan consequenties dienen te worden verbonden voor de opgelegde boetes. Het feit dat eiser gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening in een land met een bankgeheim waardoor de belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit is ontnomen merkt de rechtbank aan als listigheid als bedoeld in paragraaf 21, lid 3 van het Voorschrift administratieve boeten 1993 en als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto paragraaf 43 van het BBBB 1998. De rechtbank acht om die reden in beginsel een boete van 100% gerechtvaardigd.


4.6.5.

Bij de beoordeling of de boetes passend en geboden zijn dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de verschuldigde belasting aanvankelijk is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast (vgl. HR 18 januari 2008, nr. 41 832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, BNB 2008/165). Verweerder heeft de boete betreffende 2003 om die reden met 5% verminderd.

De aldus verminderde boete en de 100% boetes betreffende de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996 en vb 1997, acht de rechtbank gelet op alle omstandigheden van het geval passend en geboden. Voor een verdere matiging ziet de rechtbank geen reden reeds omdat de juistheid van de hoogte van de correcties en daarmee de grondslag van de boetes ook zonder omkering van de bewijslast vast is komen te staan.


Boetes, redelijke termijn van artikel 6 EVRM

4.7.1.

Op grond van de uitgangspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37 984 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337) heeft voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De boetes zijn aangekondigd bij brief van 28 november 2008. De rechtbank gaat van deze aankondigingsdatum uit als moment waarop de redelijke termijn is aangevangen.


4.7.2.

Het vorenstaande brengt mee dat op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de aanvang van de redelijke termijn. Op grond van voormeld arrest levert dit in beginsel een overschrijding van de redelijke termijn op. Het uitgangspunt dat de redelijke termijn in beginsel twee jaar bedraagt neemt blijkens genoemd arrest niet weg dat de met de beslechting van het geschil gemoeide termijn mede afhankelijk is van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de belastingplichtige of diens gemachtigde op het procesverloop. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden en oordeelt daartoe als volgt.


4.7.3.

Uit de in onderdeel 2.5.1 weergegeven bezwaarschriften blijkt dat eiser heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar totdat in hoogste ressort uitspraak is gedaan in vergelijkbare procedures. Eiser heeft vervolgens bij brieven met dagtekening 15 november 2012 (ib/pvv 2003) en 11 december 2012 (ib/pvv 1996 en vb 1997), de gronden van de bezwaarschriften ingediend, nadat verweerder bij brieven van 19 oktober en 19 november 2012 aan eiser had aangegeven niet langer uitstel voor de motivering van de bezwaarschriften te verlenen. Vervolgens zijn de onderhavige uitspraken op bezwaar gedaan.


4.7.4.

De rechtbank is van oordeel dat de termijn tot aan de indiening van de gronden van de bezwaarschriften bij de beoordeling van de termijn buiten beschouwing dient te blijven. Sedert de indiening van de gronden van de bezwaarschriften op 15 november en 11 december 2012, zijn thans minder dan twee jaren verstreken. Gelet hierop is de redelijke termijn in het onderhavige geval niet overschreden en zal de rechtbank de boetes derhalve niet verminderen.


Heffingsrente

4.8.1.

Gelet op het voorgaande zullen de (navorderings)aanslagen ib/pvv 1996, 2003, 2005 en vb 1997 worden verminderd. De heffingsrente zal overeenkomstig de vermindering van de (navorderings)aanslag worden verminderd. In zoverre zijn de beroepen tegen de heffingsrentebeschikkingen eveneens gegrond.


4.8.2.

Eiser heeft, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ8524), van 28 maart 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB0764) en, naar de rechtbank begrijpt van 25 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP5536), betoogd dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat de periode waarover heffingsrente wordt berekend met betrekking tot alle navorderingsaanslagen moet worden beperkt tot aan de dagtekening van de eerste serie navorderingsaanslagen, te weten 31 december 2007. Dit betoog faalt. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden bij het opleggen van de (navorderings)aanslagen, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat is gewacht met het opleggen van de onderhavige aanslagen nadat een eerste serie navorderingsaanslagen op basis van dezelfde gegevens reeds op 31 december 2007 was opgelegd.


Conclusie

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen van eiser met nummers AWB 13/707 tot en met 13/709 en 13/3931 gegrond te worden verklaard. De overige beroepen (AWB 13/560 tot en met 13/566) zullen niet-ontvankelijk worden verklaard.


Immateriële schadevergoeding

4.10.1.

Eiser heeft verzocht om toekenning van vergoeding van immateriële schade. Aan dat verzoek legt hij met een beroep op de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087 en van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, ten grondslag dat een redelijke termijn voor de beslechting van het belastinggeschil in de onderhavige zaken is overschreden. Uit genoemde arresten volgt dat de redelijke termijn in beginsel is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist.


4.10.2.

In casu staat vast dat de bezwaarschriften door verweerder zijn ontvangen vanaf 7 januari 2009. Anders dan eiser betoogt, dient voor de aanvang van de termijn de ontvangst van de bezwaarschriften in de onderhavige zaken als uitgangspunt te worden genomen en niet het bezwaarschrift in een andere vergelijkbare zaak van eiser. Het uitgangspunt dat de redelijke termijn in beginsel twee jaar bedraagt, neemt niet weg dat de met de beslechting van een geschil gemoeide termijn mede afhankelijk is van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de belastingplichtige of diens gemachtigde op het procesverloop.


4.10.3.

Uit de bezwaarschriften (betreffende de navorderingsaanslagen ib/pvv 1996, 2003 en vb 1997 alsmede het bezwaarschrift betreffende de aanslag ib/pvv 2005; zie onderdeel 2.5.1), blijkt dat eiser heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar totdat in hoogste ressort uitspraak is gedaan in vergelijkbare procedures. De rechtbank leidt voorts uit de gedingstukken af – en zo heeft verweerder ter zitting ook onweersproken gesteld – dat ook met betrekking tot de navorderingsaanslagen ib/pvv 1997 tot en met 2000 en vb 1998 tot en met 2000, zulke verzoeken zijn gedaan. Eiser heeft vervolgens bij brieven met dagtekening 15 november en 11 december 2012 de gronden van de bezwaarschriften ingediend, nadat verweerder bij brieven van 19 oktober en 19 november 2012 aan eiser heeft aangegeven niet langer uitstel voor de motivering van de bezwaarschriften te verlenen. Vervolgens zijn de onderhavige uitspraken op bezwaar gedaan.


4.10.4.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de termijn tot aan de indiening van de gronden van de bezwaarschriften bij de beoordeling van de termijn buiten beschouwing dient te blijven. Sedert de indiening van de gronden van de bezwaarschriften op 15 november en 11 december 2012, zijn minder dan twee jaren verstreken. Om die reden zullen de verzoeken om immateriële schadevergoeding worden afgewezen.



5Proceskosten


5.1.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.217,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Er is sprake van vier gegronde beroepen en met betrekking tot de niet-ontvankelijke beroepen zal ook een proceskostenvergoeding worden toegekend, aangezien verweerder pas na het instellen van deze beroepen daaraan tegemoet is gekomen. Omdat de beroepschriften zijn ingediend op 21 en 28 januari 2013 is sprake van samenhangende zaken en zullen de beroepen op de voet van artikel 3 van het Besluit als één zaak worden beschouwd. Omdat het meer dan vier zaken betreft zal genoemd bedrag worden verhoogd met een factor 1,5, zodat de proceskostenvergoeding in totaal € 1.826,25 bedraagt.


5.2.

Het verzoek om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase zal niet worden gehonoreerd reeds omdat blijkens de uitspraken op bezwaar kostenvergoedingen zijn toegekend.










6Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslagen ib/pvv 1997 tot en met 2000 en vb 1998 tot en met 2000, niet-ontvankelijk (AWB 13/560 tot en met 13/566);
  • - verklaart de overige beroepen gegrond (AWB 13/707, 13/708, 13/709 en 13/3931);
  • - vernietigt de uitspraken op bezwaar met uitzondering van de beslissingen omtrent de kostenvergoedingen;
  • - vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 1996 tot een naar een belastbaar inkomen van € 59.298 en vermindert de boete en heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • - vermindert de navorderingsaanslag vb 1997 tot een naar een vermogen van € 795.046 en vermindert de boete en heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • - vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 41.982 en vermindert de boete, op basis van een percentage van 100%, en het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig;
  • - vermindert de aanslag ib/pvv 2005 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.384 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 71.819;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.826,25;
  • - gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 132 vergoedt, en
  • - wijst de verzoeken om immateriële schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. J.P.A. Boersma en mr. H. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2014.







Afschrift verzonden aan partijen op:


De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.


Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.