Rechtbank Oost-Brabant, 09-04-2019 / C/01/343514 / KG ZA 19-107


ECLI:NL:RBOBR:2019:1956

Inhoudsindicatie
Kort geding. ontruiming hennep
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2019-04-09
Publicatiedatum
2019-04-12
Zaaknummer
C/01/343514 / KG ZA 19-107
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



zaaknummer / rolnummer: C/01/343514 / KG ZA 19-107


Vonnis in kort geding van 9 april 2019


in de zaak van


de stichting

STICHTING SINT TRUDO,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven,


tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.



Partijen zullen hierna Trudo en [gedaagde] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 13 maart 2019 met producties, genummerd 1 tot en met 9;
  • - de brief van mr. Poort van 19 maart 2019 met productieoverzicht en aanvullende productie, genummerd 10;
  • - de brief van mr. Van de Laar van 28 maart 2019 met producties, genummerd 1 tot en met 3;
  • - de pleitnota van mr. Poort;
  • - de pleitnota van mr. Van de Laar.
  • - de mondelinge behandeling ter zitting van 1 april 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op uiterlijk 15 april 2019.


2De feiten

2.1.

Op 22 november 1996 hebben Trudo en [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] van Trudo huurt, gelijk Trudo aan [gedaagde] verhuurt de zelfstandige woonruimte inclusief berging, voor- en achtertuin, gelegen aan het adres [adres] (hierna: de woning, productie 1 bij de dagvaarding). In de huurovereenkomst staat –voor zover in dit geding van belang- het volgende vermeld.


“(…)


ARTIKEL 6


6.1

Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte gebruiken. Met name is het de huurder derhalve verboden aan het gehuurde enige bedrijfsmatige bestemming te geven.


(…)


6.3

Huurder zal zich onthouden van gedragingen waarvan naar algemeen gangbare opvattingen mag worden aangenomen dat zij schade veroorzaken aan het gehuurde, danwel als hinderlijk en storend worden ervaren door en overlast bezorgen aan medebewoners of derden aanwezig in naburige percelen.

Het in dit lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing voor het gebruik door huurder van bij het gehuurde behorende gemeenschappelijke ruimten en/of voorzieningen. (…).


(…)”


2.2.

Op 16 oktober 2018 heeft de politie in inval gedaan in de woning. De politie heeft van deze inval op 17 januari 2019 een rapportage opgemaakt (productie 6 bij de dagvaarding). In die rapportage staat –voor zover in dit geding van belang- het volgende vermeld:


“(…)


Informatie:

Op dinsdag 16-10-2018 werden 4 hennepbomen en gedroogde hennep aangetroffen op het adres [adres] . Een nader onderzoek werd ingesteld. Tijdens dit onderzoek is de hierna beschreven situatie aangetroffen:


1Duiding

Vier hennepplanten buiten en 4.555 kg gedroogde hennep.

2Hoeveelheid strafbare materie

  • - Aantal: 4 hennepplanten en 4.555 kg gedroogde hennep.
  • - Uit onderzoek van mij werd vastgesteld dat het hennep betrof.
Ik herkende de hennep aan de uiterlijke kenmerken.

3(…)


In de tuin van het pand werden 4 grote hennepplanten (bomen) aangetroffen. In de schuur lag een lagen met daarop 4.555 kg gedroogde hennep.”


4Wijze electriciteitsafname:

Er heeft geen onderzoek van Enexis plaatsgevonden , daar het buitenplanten betrof.

(…)”


2.3.

De politie heeft de rapportage op 6 februari 2019 aan Trudo verstrekt.


2.4.

Bij brief van 11 februari 2019 heeft mr. Poort [gedaagde] verzocht en gesommeerd om uiterlijk 15 februari 2019 de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen tegen uiterlijk één maand na 15 februari 2019 (productie 7 bij de dagvaarding).


2.5.

[gedaagde] heeft aan dit verzoek/ deze sommatie niet voldaan.


3Het geschil


3.1.

Trudo vordert –samengevat- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen om de woning, en alle daarin aanwezige personen en goederen voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van Trudo, te ontruimen en ontruimd te houden alsmede niet opnieuw in gebruik te nemen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Trudo te stellen;

II. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van het exploot van betekening, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de termijn van verschuldigdheid tot de dag van de algehele voldoening.


3.2.

Trudo legt hieraan, naast hetgeen hiervoor onder de feiten is weergeven

–samengevat- het volgende ten grondslag.


[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit artikel 6.1 en/ of 6.3 van de huurovereenkomst. Daarnaast handelt [gedaagde] in strijd met artikel 7:213 en 7:214 BW doordat hij:

de woning heeft aangewend voor commerciële doeleinden die crimineel van aard zijn en waarbij de verboden middelen aanwezig zijn geweest in het gehuurde die een (potentieel) gevaar (kunnen) vormen voor de woonomgeving en gevolgen heeft voor de uitstraling en de leefbaarheid in de straat/wijk alsmede duiden op de niet te negeren mogelijkheid om handels- en/of productieactiviteiten te (kunnen en willen) ontplooien vanuit de woning;

de bestemming van de woning (deels) heeft gewijzigd vanwege het gebruik van de woning voor bedrijfsmatige activiteiten en opslag en/of bewaring en/of productie van verboden middelen en/of om de handel in die middelen te faciliteren;

handelingen heeft verricht die in strijd zijn met de Opiumwet.

Gelet hierop zal de bodemrechter met grote mate van waarschijnlijkheid zal overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst. Vooruitlopend daarop kan, gezien de ernst van deze gedragingen/ tekortkomingen en de veiligheidsrisico’s die deze tekortkomingen meebrengen voor de omwonenden, een bodemprocedure echter niet worden afgewacht een heeft Trudo een spoedeisend belang bij haar vorderingen.


3.3.

[gedaagde] heeft ten verwere –samengevat- het volgende aangevoerd.

[gedaagde] had ten tijde van de inval slechts vier hennepplanten in zijn tuin staan. [gedaagde] ging ervan uit dat hij vijf planten mocht hebben gelet op de circulaire gedoogbeleid hennep van de politie die mr. Van de Laar als productie 2 heeft overgelegd.

Bovendien gebruikte [gedaagde] de hennep alleen voor eigen gebruik.

Van gevaar door de vier planten of de opslag van hennep in het schuurtje was geen sprake. [gedaagde] heeft geen woonalternatieven.

[gedaagde] heeft niet in strijd gehandeld met artikel 6.1 en/ of artikel 6.3 van het huurcontract.

[gedaagde] heeft ook niet in strijd gehandeld met artikel 7:213 en 7:214 BW; Hij heeft zich als een goed huurder gedragen en de woning conform bestemming gebruikt.

Trudo heeft geen spoedeisend belang bij de door haar gevorderde ontruiming: de hennep is vernietigd en de planten zijn door de politie verwijderd. Er zijn/ zullen ook geen nieuwe planten (worden) geplaatst.

Het belang van [gedaagde] om in de woning te blijven wonen moet prevaleren boven het belang van Trudo bij ontruiming van die woning door [gedaagde] .


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

In dit kort geding moet beoordeeld worden of de vordering van Trudo, strekkende tot ontruiming van de woning door [gedaagde] , in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing van die vordering reeds nu gerechtvaardigd is. Daarbij moet, zoals het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder meer heeft overwogen in zijn arrest van 3 juni 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1645) zwaar wegen dat een veroordeling tot ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening veelal een definitief karakter zal hebben en aldus diep ingrijpt in het woonbelang van de huurder. Terughoudendheid van de kort gedingrechter bij de beoordeling van de vraag of een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening gerechtvaardigd is, is dan ook geboden. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


4.2.

Het antwoord op de vraag of het [gedaagde] was toegestaan vier hennepplanten (in werkelijkheid struiken met een aanmerkelijk grotere omvang dan bij de teelt van hennepplanten in een woning gebruikelijk is) in zijn tuin te hebben staan, kan hier onbesproken blijven. Immers, [gedaagde] heeft niet gemotiveerd weersproken dat de politie bij het binnentreden van de woning, in de schuur 4.555 kg gedroogde hennep had aangetroffen zoals staat vermeld in de rapportage van de politie van 17 januari 2019. Volgens de aanwijzing Opiumwet heeft 5 gram hennep als gebruikershoeveelheid te gelden, zodat 911 keer de maximaal toegestane hoeveelheid is aangetroffen. Hiermee staat vast dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst.


4.3.

De vraag rijst vervolgens of de rechter in een door Trudo te voeren bodemprocedure, in het licht van Hoge Raad 20 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810 zal oordelen dat deze tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zal rechtvaardigen en of er aanleiding is om, vooruitlopend op deze beslissing, [gedaagde] te veroordelen om de woning te ontruimen. Op dit punt wordt als volgt overwogen.

4.4.

Ingevolge artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dit betekent dat, nu vast staat dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, Trudo in beginsel bevoegd is om deze overeenkomst te ontbinden.

4.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal de rechter in een bodemprocedure oordelen dat de mogelijke uitzondering (vervat in artikel 6:265 lid 1 BW), -te weten dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt- zich hier niet voordoet, gelet op de hoeveelheid hennep die in de schuur behorend bij de woning is aangetroffen.

4.6.

Het voorgaande brengt mee dat de bodemrechter in dit geval een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning naar alle waarschijnlijkheid zal toewijzen. Met Trudo is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding bestaat om vooruitlopend op de uitkomst in die bodemprocedure een veroordeling tot ontruiming van de woning uit te spreken. Gelet op de in deze procedure bekende feiten en omstandigheden en de daarmee gepaard gaande overlast voor de omwonenden alsmede in aanmerking genomen het door Trudo gevoerde zero tolerance beleid ten aanzien van de aanwezigheid van hennepplanten, heeft Trudo een onmiskenbaar spoedeisend belang bij de door haar ingestelde vordering tot ontruiming van de woning. Dat de aangetroffen hennep inmiddels is verwijderd en vernietigd doet hieraan niet af. Daarnaast heeft Trudo een zwaarwegend belang om ook naar andere huurders een signaal af te geven dat tekortkomingen zoals in het onderhavige geval niet worden getolereerd.

4.7.

Dit belang van Trudo weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het behoud van zijn woning. [gedaagde] heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij op leeftijd is en zowel geestelijke als lichamelijke problemen heeft. Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij geen woonalternatief heeft. Gesteld noch gebleken is echter dat ontruiming van de woning voor [gedaagde] tot een acute noodsituatie zal leiden. Bovendien heeft [gedaagde] het risico op de te verwachten ontbinding van de huurovereenkomst en de nadelige gevolgen daarvan zelf geschapen. Van Trudo kan dan ook niet worden gevergd dat zij noch langer tolereert dat [gedaagde] in de woning verblijft.

4.8.

De vordering van Trudo, strekkende tot ontruiming van de woning door [gedaagde] , ligt dan ook voor toewijzing gereed. Aan [gedaagde] zal een ontruimingstermijn van veertien dagen worden gegund.


4.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Trudo worden begroot op:

- dagvaarding € 101,05

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.720,05.


4.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.


5De beslissing

De voorzieningenrechter:


5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning, gelegen aan het adres [adres] , met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van Trudo zijn, te ontruimen en ontruimd te houden alsmede niet opnieuw in gebruik te nemen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Trudo te stellen;


5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Trudo tot op heden begroot op € 1.720,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;


5.3.

veroordeelt in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;


5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2019.