Rechtbank Oost-Brabant, 22-01-2019 / 01/880185-16


ECLI:NL:RBOBR:2019:261

Inhoudsindicatie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het bereiden van MDMA en aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie gericht op het plegen van opiumwetdelicten en leiding heeft gegeven aan deze organisatie. De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek van voorarrest.
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2019-01-22
Publicatiedatum
2019-01-22
Zaaknummer
01/880185-16
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01/880185-16 [verdachte]

Strafrecht


Parketnummer: 01/880185-16

Datum uitspraak: 22 januari 2019


Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 8 april 1981,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van respectievelijk 15 mei 2017, 11, 13, 14 en 18 december 2018 en 8 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.


De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 april 2017.


Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 december 2018 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:


1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2016

tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,


tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,


(telkens)


opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of

vervaardigd


(een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA,


zijnde MDMA een middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het tweede

of derde lid van artikel 2 van die wet en/of krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;


2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2016

tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven en/of Helmond, in elk geval in Nederland,


tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,


(telkens)


om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,


één of meer voorwerpen en/of één of meer stoffen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden

had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die

feit(en), te weten:


-een laboratoriumopstelling, bestemd en/of geschikt voor de productie van

metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA, in elk geval enige synthetische drug, en/of één of meer kuipen en/of één of meer diepvriezers en/of één of meer waterstofgascilinders

en/of één of meer schroefdekselvaten,


en/of


-één of meer hoeveelheden (ongeveer 1200 liter) aceton en/of (ongeveer 580

liter) ( van een mengsel van) methanol en methylamine en/of (ongeveer 1300

liter) zoutzuur en/of (ongeveer 280 liter) PMK;


3. hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


4. hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Helmond een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (met geluiddemper) merk Baikal, type Makarov IZH 71, van categorie III voorhanden heeft gehad;


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;


5. Hij in of omstreeks de periode van 12 april 2016 tot en met 31 januari 2017

te Eindhoven en/of Helmond en/of Gemert-Bakel en/althans (elders) in

Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door

verdachte en anderen (te weten


- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- [medeverdachte 4] en/of

- [medeverdachte 5] en/of

- [medeverdachte 6] en/of

- [medeverdachte 7] )

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in

artikel 2 en/of 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten

van handelingen zoals omschreven in artikel 2 en/of 10a eerste lid van de Opiumwet,

zulks om (een) feit(en) als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel

10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

terwijl hij, verdachte, aan deze organisatie (mede) leiding heeft gegeven;


In feit 5 is vermeld dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 en/of 10a, eerste lid van de Opiumwet. Nu de tenlastelegging ziet op een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een kennelijke misslag waar de tenlastelegging melding maakt van artikel 2 van de Opiumwet in plaats van artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet, waarin ook wordt verwezen naar artikel 2 van de Opiumwet. De rechtbank leest in het feit artikel 2 als artikel 10, vierde lid. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.


De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding

Medio april 2016 is onder leiding van het openbaar ministerie door districtsrecherche Helmond een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [naam onderzoek] . Dit onderzoek werd opgestart onder andere naar aanleiding van meerdere TCI meldingen vanaf mei 2015 over verdachte in relatie tot georganiseerde handel, productie en vervoer van synthetische drugs, alsmede andere harddrugs en softdrugs. Op grond van onder andere deze meldingen zijn er vanaf augustus 2016 bevelen afgegeven voor telefoontaps gericht op het onderscheppen van relevante informatie. De inhoud van de opgenomen taps leidde tot de verdenking dat naast verdachte onder anderen ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [voornaam medeverdachte] Scheffer en [medeverdachte 6] zich schuldig maakten aan strafbare feiten.

Naast deze telefoontaps werden ook andere bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, zoals – onder meer – stelselmatige observaties en het plaatsen van peilbakens. Gedurende het onderzoek kreeg het onderzoeksteam de beschikking over veel communicatie en feitelijke gegevens. Telefoonnummers kwamen in beeld, waarop vervolgens een tap werd aangesloten, personen die in beeld kwamen werden geobserveerd, de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven werd dynamisch en statisch met een verborgen cameraopstelling geobserveerd, voertuigen die in beeld kwamen, werden op tenaamstelling gecontroleerd en soms voorzien van een peilbaken et cetera. Op deze wijze kwamen onder anderen de hiervoor genoemde personen als verdachten in beeld en werd het onderzoek naar deze personen uitgebreid.


Het opsporingsonderzoek heeft geleid tot een actiedag op 31 januari 2017. Onder andere de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven werd betreden en daar werden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] aangetroffen. Zij en ook andere verdachten zijn die dag aangehouden. Verder zijn een aantal woningen van verdachten doorzocht waarbij ook een grote hoeveelheid druggerelateerde goederen in beslag is genomen.


Bronnen.

een eindproces-verbaal van districtsrecherche Helmond, documentcode

[document] genaamd onderzoek [naam onderzoek] , op ambtseed opgemaakt en

ondertekend d.d. 13 juli 2017, aantal doorgenummerde bladzijden: 3224;

een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Faciliteit

Ontmantelen, proces-verbaal nummer [proces-verbaal] / [naam onderzoek] op

ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend d.d. 11 december 2018, aantal

doorgenummerde bladzijden: 7.


Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.


Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1, 2, 3 en 5 zal komen.


Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden zoals vermeld in zijn schriftelijke pleitaantekeningen betoogd dat verdachte van alle feiten zal worden vrijgesproken.


Het oordeel van de rechtbank.


Vrijspraak ten aanzien van feit 3.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich op 28 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van) het aanwezig hebben van een kilo cocaïne in de berging, die hoort bij de woning aan [locatie] te Helmond.


In het dossier liggen drie reeksen tapgesprekken voor die in verband worden gebracht met dit feit. Er zijn gesprekken tussen [betrokkene 1] en de afnemer van wat in de gesprekken “Piz(z)a” wordt genoemd. Van de afnemer is geen naam bekend. Hij wordt geïdentificeerd op grond van het 06-nummer dat hij gebruikt, dat eindigt op [nummer] . Daarnaast zijn er gesprekken tussen [betrokkene 1] en verdachte en er zijn gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 2] (twee gesprekken op 24 januari 2017, pagina 2273 en 2274). Uit de loop van al deze gesprekken wordt duidelijk dat ze met elkaar samenhangen. Op grond van de gesprekken kan verder worden vastgesteld dat [betrokkene 1] met de gebruiker van het 06-nummer, dat eindigt op [nummer] , zowel begin december 2016 als op 23 januari 2017, onderhandelt over de levering van cocaïne en de verstrekking van een monster. De rechtbank leidt dit af uit hetgeen tussen beiden in de gesprekken wordt gewisseld en uit het vervolg: gesprekken tussen [betrokkene 1] en verdachte, gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 2] (de twee gesprekken op 24 januari 2017) en de resultaten van de doorzoeking op 28 januari 2017 in de berging aan het adres [locatie] te Helmond, die hoort bij de woning van [betrokkene 2] . In de berging werd een kilo cocaïne gevonden met de opdruk “Piza”.


Uit de hiervoor bedoelde reeksen tapgesprekken leidt de rechtbank af dat [betrokkene 1] aan de afnemer monsters èn (op 8 december 2016) cocaïne levert na tussenkomst van verdachte. Uit de gesprekken en de overige bewijsmiddelen valt echter niet met voldoende zekerheid af te leiden dat de cocaïne, waarvan op 24 januari 2017, na tussenkomst van verdachte, een monster wordt geleverd en die een aantal dagen later werd aangetroffen in de berging bij de woning van [betrokkene 2] , eigendom was van verdachte of dat verdachte hierover kon beschikken. Uit de toon van de gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 2] lijkt weliswaar te kunnen worden geconcludeerd dat verdachte tussen beiden degene is die bepaalt wat er gebeuren moet, maar de rechtbank vindt deze enkele omstandigheid onvoldoende om op grond daarvan te kunnen concluderen dat verdachte niet alleen wist waar de cocaïne lag en hoe hij aan een monster kon komen, maar er ook de beschikkingsmacht over had, zodat hij deze (tezamen en in vereniging met [betrokkene 2] ) aanwezig had. De rechtbank concludeert daarom dat verdachte van feit 3 op de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.


Vrijspraak ten aanzien van feit 4.

Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen en/of geluidsdemper in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie is onder meer vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen en/of die geluidsdemper en van beschikkingsmacht daarover.


Op 28 januari 2017 is tijdens een doorzoeking in de berging, behorende bij de woning van medeverdachte [betrokkene 2] , gelegen aan [locatie] te Helmond, een vuurwapen van het merk Baikal, type Makarov IZH 71 en een geluidsdemper aangetroffen.

Uit de vele tapgesprekken van verdachte die zich in het dossier bevinden, kan niet worden afgeleid dat wordt gesproken over het vuurwapen en/of de geluidsdemper. Ook uit het technisch onderzoek volgt niet dat er sporen van verdachte zijn aangetroffen die hem direct linken aan het vuurwapen. Kortom, aan de hand van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van het wapen en de geluidsdemper en daar enige beschikkingsmacht over heeft gehad.


Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen onder feit 4 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.


Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1, 2 en 5.


Telefoongebruik van verdachte en de medeverdachten.

Veel van het beschikbare bewijsmateriaal bestaat uit tapgesprekken en sms-correspondentie. Het onderzoeksteam heeft van verdachte en de medeverdachten telkens in op het betreffende individu toegesneden processen-verbaal van bevindingen uitgewerkt dat en op grond van welke bevindingen een bepaald 06-nummer dan wel vaste lijn aan deze specifieke verdachte kan worden toegeschreven. De op verdachte toegesneden processen-verbaal van bevindingen en de relevante onderliggende tapgesprekken zijn opgenomen in de bijgevoegde bewijsbijlage. Uit deze processen-verbaal van bevindingen in combinatie met de daarbij behorende bijlagen volgt dat aan de hand van de tapgesprekken, gegevens van het CIOT en van de Gemeentelijke Basis Administratie verdachte kan worden geïdentificeerd als gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] .


Uit de processen-verbaal van bevindingen over de diverse telefoonnummers van de medeverdachten in combinatie met de daarbij behorende bijlagen volgt dat aan de hand van de tapgesprekken, sms-berichten, OVC-gesprekken, peilbakengegevens en observaties de gebruiker van een bepaald telefoonnummer is geïdentificeerd.


De rechtbank heeft de onderzoeksbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies ten aanzien van alle afzonderlijke telefoonnummers gecontroleerd en is tot het oordeel gekomen dat de getrokken conclusies over welke verdachte de gebruiker van een in de bewijsvoering van belang zijnd telefoonnummer is geweest, valide is en steun vindt in de onderzoeksbevindingen.


De rechtbank heeft in het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden om aan deze conclusies, voor zover tot bewijs dienend, te twijfelen. Verdachte was dus de gebruiker van de drie hiervoor genoemde telefoonnummers.


Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1.


MDMA geproduceerd?

De raadsman heeft - kort gezegd - aangevoerd dat er nog niet geproduceerd was, nu er geen eindproduct is aangetroffen.


Op 31 januari 2017 werd in een loods gelegen aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven een in werking zijnd lab voor de productie van MDMA aangetroffen. Uit het dossier volgt dat - voorafgaand aan de inval - twee personen in voornoemde loods druk doende waren met het productieproces.

Door het LFO en het NFI zijn de in de loods aangetroffen chemicaliën bemonsterd en getest. De rechtbank stelt vast dat uit aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 11 december 2018 in combinatie met het rapport van het NFI van 20 februari 2017 volgt dat er in ruimte L4 twee monsters zijn genomen. Een uit een drukreactieketel en een uit een rvs kookketel. In beide monsters is een zeer lage concentratie MDMA in methanol aangetroffen. De rechtbank concludeert dat, teneinde tot een positieve test te kunnen komen, er MDMA moet zijn geproduceerd.


Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er - weliswaar een zeer lage concentratie - maar wel degelijk MDMA is geproduceerd. De stelling dat dit nog geen gebruiksklaar product betreft, maakt dit niet anders. Het middel MDMA, in welke vorm dan ook, is immers opgenomen in lijst I van de Opiumwet en de productie daarvan is strafbaar gesteld in artikel 2 van de Opiumwet. De rechtbank verwerpt het verweer.


Medeplegen.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De intellectuele en/of materiele bijdrage aan het delict van verdachte moet van voldoende gewicht zijn. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal wel moeten gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.


De rechtbank stelt vast dat verdachte zelf niet is gezien in de loods waar de MDMA werd geproduceerd. Verdachte heeft aan deze productie echter wel een bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Gelet op de inhoud van de tapgesprekken en observaties zoals in de bewijsbijlage vermeld, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Al deze verdachten hadden een belangrijke en onmisbare rol bij de productie van MDMA in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven. Voor verdachte geldt dat er weliswaar geen bewijs is dat hij uitvoeringshandelingen heeft verricht, maar op basis van het dossier staat – zoals hierna ook bij de beoordeling van feit 4 nog nader wordt toegelicht – wel voldoende vast dat verdachte een sturende en leidende rol had bij de totstandkoming van het laboratorium. Hij zorgde er, door inschakeling van de diverse medeverdachten, uiteindelijk voor dat er MDMA kon worden geproduceerd in de loods. Verdachte heeft hiermee een dermate grote en cruciale rol in de voorbereiding gehad dat daarmee zijn bijdrage aan de productie van voldoende gewicht is.


Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.


Pleegperiode.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de productie van MDMA voorafgaand aan 26 januari 2017. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 26 januari 2017.


Vanaf 26 januari 2017 is er wel voldoende bewijs voor de productie van MDMA. De rechtbank verwijst hiervoor naar de bewijsbijlage en in het bijzonder naar de in de loods op 26 januari 2017 opgenomen communicatie over onder andere de ketel, ontluchting, slang en pompen.


Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2.


Medeplegen.

In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen over het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van de productie van MDMA in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven, overweegt de rechtbank ten aanzien van feit 2 nog als volgt.


Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Uit de aangehaalde tapgesprekken en observaties blijkt dat de verdachten onmiskenbaar intensief hebben samengewerkt en allen nauw betrokken waren bij de voorbereidingshandelingen van de productie van MDMA. De medeverdachten hadden veelvuldig (telefonisch) contact met verdachte en elkaar waarbij - onder meer - werd besproken dat er spullen van de ene locatie naar de andere moesten worden vervoerd, bakwagens moesten worden gehuurd, diepvriezers geregeld et cetera.

Alle verdachten hadden een belangrijke en onmisbare rol bij de totstandkoming van het laboratorium voor MDMA gelegen aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven. Dat verdachte zelf niet in voornoemd laboratorium is geweest of met spullen heeft gesjouwd, doet niet af aan zijn rol en betrokkenheid. Verdachte heeft een sturende rol gehad in het geheel en heeft opdrachten gegeven aan de medeverdachten teneinde de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen te realiseren. Zo werd verdachte op 15 december 2016 gewaarschuwd over spullen die “uit de loods moesten waar de ketel stond” (bedoeld wordt het verhuurbedrijf voor opslagboxen aan de [naam weg] [huisnummer] te Gemert), waarna hij op allerlei manieren direct een bakwagen probeerde te regelen. Een dag later stuurde verdachte de verhuizing van spullen vanaf voornoemd adres in Gemert naar de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven aan. Verdachte had die dag (16 december 2016) veelvuldig contact met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die de verhuizing verrichtten. Verder vroeg verdachte op 9 januari 2017 aan [medeverdachte 4] , die op dat moment in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven was, hoe lang hij nog bezig was en werd verdachte regelmatig door een van de medeverdachten gebeld zodra deze klaar waren in de loods, bijvoorbeeld op 18 en 24 januari 2017. De rechtbank leidt dit alles af uit tapgesprekken en observatieverslagen en al hetgeen blijkens deze gesprekken en verslagen op de genoemde data is beluisterd en waargenomen.


De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf en in hun onderlinge samenhang bezien, vragen om een redelijke verklaring van de zijde van verdachte. Verdachte heeft echter geen verklaring willen geven. Verdachte heeft ermee volstaan zich naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen te beroepen op het zwijgrecht. Bij het uitblijven van een redelijke verklaring van verdachte houdt de rechtbank het er voor dat verdachte een belangrijke, sturende rol heeft gespeeld bij de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen.


Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.


Versluierd taalgebruik.

In de opgenomen tapgesprekken werd veelvuldig gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik.


Het dossier bevat vanaf 8 januari 2017 bijvoorbeeld gesprekken waarin wordt gesproken van tv’s/televisies. Het onderzoeksteam relateert dat uit onderzoek is gebleken dat hiermee zeer waarschijnlijk diepvriezers bedoeld werden. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat met tv’s/televisies inderdaad diepvriezers bedoeld werden. De juistheid van deze uitleg wordt bevestigd door de in dit vonnis gebezigde bewijsmiddelen, immers:

- wordt er gesproken over afmetingen van de tv’s, “iets van 160”;

- heeft [medeverdachte 6] de afmetingen aan zijn broer doorgegeven, die is gaan meten en “het kon

wel”;

- worden een aantal dagen later vanuit de [adres] te Geldrop, waar de vriendin van

de broer van [medeverdachte 6] woont, vijf diepvriezers in een vrachtwagen geladen die uiteindelijk

de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven binnen gaat;

- zijn in voornoemde loods vier diepvriezers aangetroffen.

De verdachten ten slotte hebben geen enkele andere uitleg gegeven voor de tapgesprekken over de tv’s/televisies.


Pleegperiode.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte aantoonbaar vanaf 11 november 2016 met medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bezig is geweest met voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven. De rechtbank verwijst hiervoor naar de bewijsbijlage en met name naar de verklaring van [getuige] die aangeeft dat hij de loods vanaf begin oktober 2016 heeft onderverhuurd aan een man die zich [voornaam medeverdachte] noemde (de roepnaam van medeverdachte [medeverdachte 4] is [voornaam medeverdachte] : toevoeging rechtbank) en naar tapgesprekken van 11 november 2016 over “zout” dat op is.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de woning van verdachte een briefje is aangetroffen met daarop een overzicht over hoeveelheden en kosten voor onder andere “zout” en dat dat gelet op de prijs vermoedelijk zoutzuur betreft. Zoutzuur is ook aangetroffen in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven en komt in beeld bij de kristallisatie van MDMA. Op grond hiervan en bij gebreke van een verklaring van verdachte over deze onderzoeksbevindingen, neemt de rechtbank aan dat het gesprek van 11 november 2016 over zoutzuur ging en dat verdachte op dat moment al bezig was met de voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA.

De rechtbank acht ten aanzien van verdachte de gehele tenlastegelegde periode bewezen.


Voorhanden voorwerpen en stoffen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier, meer specifiek de bevindingen van het LFO, niet blijkt dat de laboratoriumopstelling ook geschikt was voor de productie van methamfetamine en/of amfetamine. Verdachte zal hiervan partieel worden vrijgesproken.


Daarnaast zal verdachte partieel worden vrijgesproken voor wat betreft de tenlastegelegde hoeveelheid PMK. De rechtbank is van oordeel dat enkel de 160 liter PMK in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven aan verdachte mede kan worden toegerekend. De 120 liter PMK die in de garagebox achter de woning van medeverdachte [medeverdachte 4] in Helmond is aangetroffen kan niet, ook niet in de medepleegvariant, aan verdachte worden toegerekend. Enige directe link naar verdachte (ten aanzien van bewustheid, beschikkingsmacht) ontbreekt immers en er is ook geen rechtstreekse link tussen de PMK die in de garagebox is aangetroffen en de PMK die in de loods is aangetroffen


Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5.


Criminele organisatie.

Verdachte wordt ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan – kort gezegd – een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf zoals benoemd in de Opiumwet.


Juridisch kader.

Onder een organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet (dat aanhaakt bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht) moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van zo een structureel samenwerkingsverband is niet vereist dat binnen de groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te zijn/blijven. Toepassing van geweld of dreiging met geweld is voor het bewijs geen factor van doorslaggevend belang. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en onder een gemeenschappelijke naam of gemeenschappelijk optreden tegenover derden zijn ook niet vereist. Niettemin kunnen gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gemeenschappelijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen c.q. handhaving van die hiërarchie door middel van geweld of dreiging met geweld wel sterke aanwijzingen opleveren voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband.


Een organisatie in vorenbedoelde zin wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat deze organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet, zoals is tenlastegelegd. Het moet dus gaan om (de voorbereiding van) productie van Opiumwetmiddelen.


Van het oogmerk van de organisatie moet worden onderscheiden het oogmerk van de deelnemer. Om vast te kunnen stellen of iemand deelnemer is aan de organisatie geldt het volgende. In het deelnemen ligt opzet besloten. Voor wat betreft het opzet van de deelnemer aan de organisatie geldt dat hij in zijn algemeenheid moet weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf. Niet is nodig enige vorm van opzet op de door de organisatie beoogde, laat staan gepleegde, concrete misdrijven, ook niet als het gaat om misdrijven van verschillende aard. Voor deelnemen is bovendien nodig dat men behoort tot de organisatie en dat de deelnemer betrokken is geweest (een aandeel hebben in dan wel ondersteunen) bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie en evenmin dat deze persoon in structurele zin gedragingen als hiervoor bedoeld heeft gepleegd c.q. daarbij betrokken is geweest.

De verdachten en hun onderlinge verhoudingen c.q. samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich bezig hielden met criminele activiteiten met betrekking tot (de opbouw en inrichting van) het MDMA-laboratorium in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven. De rechtbank baseert haar oordeel met name op observaties, OVC-gesprekken en analyses van afgeluisterd telefoon- en sms-verkeer.


Gebleken is dat de betreffende loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven per oktober 2016 is onderverhuurd aan een persoon die zich heeft voorgesteld als “[voornaam medeverdachte]”. Op 16 december 2016 zijn spullen overgebracht vanaf het adres van het verhuurbedrijf voor opslagboxen, de [naam weg] [huisnummer] te Gemert, naar de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven. Het overbrengen van spullen vond plaats nadat de politie bij de eigenaar van het verhuurbedrijf had geïnformeerd naar de huurders van de opslagboxen. Uit de sms-gesprekken komt naar voren dat verdachte zodra hij van [betrokkene 1] hierover verneemt direct actie onderneemt en vervoer gaat regelen om de spullen zo snel mogelijk uit de opslagboxen te laten ophalen. Verdachte belt hierover onder andere met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] en schakelt [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in voor het huren van automaterieel om de spullen zo snel mogelijk te vervoeren naar de loods aan de [naam straat] te Eindhoven. In deze loods wordt op 31 januari 2017 een draaiend laboratorium voor de productie van MDMA aangetroffen.


Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat verdachte meerdere keren contact heeft met andere betrokkenen. Verdachte heeft veelvuldig contact met [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] raadpleegt internet over het vervaardigen van synthetische drugs. [medeverdachte 4] is betrokken bij het regelen van diepvriezers. Een viertal diepvriezers (merk Zanussi) is later in de betreffende loods aan de [naam straat] te Eindhoven aangetroffen. Bij het vervoer van diepvriezers wordt later opnieuw [medeverdachte 1] ingeschakeld. [medeverdachte 1] komt ook in beeld over de tap als hij, samen met [medeverdachte 4] , met verdachte belt over het ontbreken van zout. In de context bezien met de overige bewijsmiddelen wordt hiermee kennelijk gedoeld op zoutzuur, een middel dat gebruikt wordt bij het vervaardigingsproces van synthetische drugs. [medeverdachte 4] kwam meerdere keren in de loods en hij beschikte over een sleutel tot de loods. In de garagebox die in gebruik is bij [medeverdachte 4] is op 31 januari 2017 belastend materiaal aangetroffen verband houdende met synthetische drugs.


Verdachte heeft contact met [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] is betrokken bij het vervoer van de tv’s, waarmee diepvriezers worden bedoeld. [medeverdachte 6] is betrokken bij het vervoer van de rode gasflessen, waarvan gelijke exemplaren worden aangetroffen in de loods aan de [naam straat] , terwijl de aanwezigheid van deze gasflessen in de loods ook past bij het gebruik ten behoeve van het vervaardigingsproces van MDMA.

Verder heeft verdachte meerdere malen contact met [medeverdachte 2] die veelvuldig automaterieel heeft gehuurd en daarmee ook bij de woning van verdachte en bij de loods aan de [naam straat] is gesignaleerd.


Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [medeverdachte 3] vanaf 8 januari 2017 betrokken is bij de activiteiten in de loods aan de [naam straat] . [medeverdachte 3] is in de loods aan de [naam straat] aanwezig als de politie op 31 januari 2017 binnenvalt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij dan al urenlang in de loods aanwezig is en actief is.

Leidende rol van verdachte.

Uit met name de tapgesprekken en het sms-verkeer volgt dat verdachte vanaf 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 de sturende en leidende rol vervulde in het samenwerkingsverband. Verdachte was de persoon die bepaalde dat de spullen moesten worden verhuisd van Gemert naar de loods in Eindhoven. Verdachte beschikte over het netwerk aan personen dat werd ingeschakeld om zorg te dragen voor dit transport en vervoer. Aan die opdracht werd uitvoering gegeven. Bij het ophalen van de rode gasflessen heeft verdachte evenzeer een bepalende stem gehad. Verdachte heeft op meerdere momenten instructies gegeven over hoe te handelen en aan de instructies wordt gevolg gegeven. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben aantoonbaar op verschillende momenten essentiële, ondersteunende werkzaamheden verricht bij de opbouw van het laboratorium. [medeverdachte 3] is op 31 januari 2017 aangetroffen als laborant in het draaiend laboratorium. Verdachte is daarom aan te merken als de leidinggevende en [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als de overige deelnemers van de organisatie. Tegenover de bevindingen en vaststellingen omtrent ieders betrokkenheid zoals hiervoor aangegeven heeft geen van de verdachten een (inhoudelijke) verklaring gesteld die aannemelijk maakt dat ieders betrokkenheid in een ander perspectief moet worden geplaatst, dan die van een samenwerking bij de opbouw, de inrichting en het daadwerkelijk functioneren van een laboratorium om MDMA te vervaardigen.


Organisatie.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur bestaande uit meerdere personen, dat dit samenwerkingsverband het laboratorium aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven heeft opgebouwd en ingericht om synthetische drugs (MDMA) te kunnen vervaardigen, terwijl dat laboratorium ook daadwerkelijk heeft gedraaid. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen, blijkt dat het hier een goed functionerende organisatie betrof, waarbij de samenwerking, hoewel niet telkens tussen alle verdachten onderling, niet incidenteel is geweest.


Oogmerk organisatie.

Uit de bewijsmiddelen kan tevens worden opgemaakt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het produceren van synthetische drugs in het laboratorium en de voorbereiding daarvan. Er is sprake van een professioneel ingericht laboratorium dat een productiefaciliteit betreft. Het is een feit van algemene bekendheid dat een laboratorium de mogelijkheid in het leven roept om meerdere keren synthetische drugs te vervaardigen; dat is het wezen van een productiefaciliteit. De inrichting van het laboratorium met vier grote diepvriezers en een zeer grote hoeveelheid grondstoffen levert een onmiskenbare aanwijzing op dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het meermalen produceren van synthetische drugs.


Deelneming.

Ten aanzien van elk van de voornoemde verdachten kan worden vastgesteld dat hij behoorde tot de organisatie, dat hij betrokken is geweest bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie door daar een direct aandeel in te hebben en dat hij wist dat hij deel uitmaakte van een samenwerkingsverband dat voornoemd oogmerk had.


Conclusie.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een dusdanige duurzaamheid en structuur, dat sprake was van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 10, vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet.


Pleegperiode.

Voor wat betreft de aanvangsdatum van de pleegperiode sluit de rechtbank aan bij hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over de aanvangsdatum van de voorbereidingshandelingen. De rechtbank is van oordeel verdachte aantoonbaar vanaf 11 november 2016 betrokken is geraakt bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Verdachte zal dus partieel worden vrijgesproken van de periode voorafgaand aan 11 november 2016.


De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de aangehechte lijst met uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte


1. in de periode van 26 januari 2017 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;


2. in de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, te weten:

-een laboratoriumopstelling, bestemd en geschikt voor de productie van MDMA en kuipen

en diepvriezers en waterstofgascilinders en schroefdekselvaten en

-ongeveer 1200 liter aceton en ongeveer 580 liter van een mengsel van

methanol en methylamine en ongeveer 1300 liter zoutzuur en ongeveer 160 liter PMK;


5. in de periode van 11 november 2016 tot en met 31 januari 2017 te Eindhoven en Helmond en Gemert, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door

verdachte en anderen, te weten


- [medeverdachte 1] en

- [medeverdachte 2] en

- [medeverdachte 3] en

- [medeverdachte 4] en

- [medeverdachte 6]


welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 vierde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10 vierde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om feiten als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, terwijl hij, verdachte, aan deze organisatie leiding heeft gegeven.


De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.


De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.


Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 5: gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.


Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De TCI meldingen schetsen een heel ander beeld dan het beeld dat volgt uit de documentatie van verdachte; hij heeft nauwelijks recidive. Nu er nauwelijks iets is geproduceerd, ligt het meer voor de hand om ten aanzien van de strafmaat aansluiting te zoeken bij de voorbereidingshandelingen. Verder dient er rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zo heeft verdachte tijdens zijn voorarrest doorligplekken opgelopen en is hij daardoor in ieder geval voorlopig detentieongeschikt.


Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.


De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het bereiden van MDMA alsmede het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank neemt in aanmerking dat deze feiten in eendaadse samenloop zijn begaan, nu de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Kort gezegd: het gaat om het voorbereiden van de productie van MDMA in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven en het daadwerkelijk produceren van MDMA in die loods.


De rechtbank ziet in de geringe hoeveelheid aangetroffen MDMA geen reden om bij het bepalen van de strafmaat, zoals door de raadsman is betoogd, alleen aansluiting te zoeken bij (de strafmaat voor) voorbereidingshandelingen. De opstelling in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven met onder meer vier (grote) diepvriezers en de zeer aanzienlijke hoeveelheden grondstoffen duiden immers op het voornemen om grote hoeveelheden MDMA te produceren. Enkel door ingrijpen van het onderzoeksteam kon dit voornemen niet meer worden gerealiseerd.


Verdachte maakte gedurende tweeënhalve maand deel uit van een criminele organisatie gericht op het plegen van Opiumwetdelicten met betrekking tot de fabricage van MDMA. Verdachte trad op als de leider van de organisatie en verrichtte de coördinatie van de uitvoeringshandelingen. Zelfs het feit dat verdachte gedurende voornoemde tweeënhalve maand enige tijd in het ziekenhuis lag, weerhield hem er niet van door te gaan met zijn criminele activiteiten. Het beeld dat uit het dossier naar voren komt, is dat het plegen van criminele activiteiten ‘business as usual’ voor verdachte was.


Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven als hiervoor genoemd een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekent.

Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden.


Verder is het algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de productie van synthetische drugs is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. Naast het gevaar voor de volksgezondheid, schuilt in de productie van dergelijke harddrugs ook direct gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door illegale dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen in natuurgebieden. De kosten voor het opruimen van dergelijk afval lopen hoog op. Daarnaast wijst de rechtbank op het ontploffingsgevaar dat kan optreden bij het (ondeskundig) opslaan en bewerken van diverse chemicaliën in een illegaal drugslaboratorium. Het feit dat de productieruimte in de loods aan de [naam straat] [huisnummer] te Eindhoven is verkend met ademlucht onderstreept ook het gevaarzettende karakter.


Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin.


Het is de rechtbank bekend dat verdachte een dwarslaesie heeft en permanent is aangewezen op een rolstoel. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte tijdens zijn voorarrest doorligplekken heeft opgelopen en ten gevolge daarvan (in ieder geval voorlopig) detentieongeschikt is. Hiertoe heeft de raadsman een brief van [medicus] , verpleegkundig specialist, van 13 december 2018 overgelegd. In voornoemde brief staat vermeld dat verdachte doorligplekken heeft waaraan hij geopereerd moet worden. De verpleegkundig specialist stelt dat dit een langdurig traject betreft, alsmede dat verdachte gedurende dat traject detentieongeschikt is.


De rechtbank stelt vast dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet volgt dat er een officieel onderzoek heeft plaatsgevonden naar de detentiegeschiktheid van verdachte. De enkele opmerking van de verpleegkundig specialist in zijn brief van 13 december 2018 dat verdachte na de voorgenomen operatie zal moeten revalideren, zodat hij gedurende een aanzienlijke periode (genoemd wordt een periode van in ieder geval bijna vier maanden) detentieongeschikt is, is onvoldoende om detentieongeschiktheid van verdachte aan te nemen.


Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Uit het oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij acht de rechtbank een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.


De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte van feit 3 en 4 zal vrijspreken en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.


Voorlopige hechtenis.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat het belang dat verdachte heeft bij (het voortduren van) de schorsing van de voorlopige hechtenis moet prevaleren boven het belang van de strafvordering en het belang dat de maatschappij heeft bij het opheffen van de schorsing. De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie daarom af.


Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 47, 55, 57

Opiumwet art. 2, 10, 10a, 11b.

DE UITSPRAAK


De rechtbank:


verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 en 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;


verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:


ten aanzien van feit 1:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbodenmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder D,van de Opiumwet gegeven verbodin eendaadse samenloop gepleegd metten aanzien van feit 2:medeplegen van om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feitenten aanzien van feit 5:als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 10, vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet.De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 5:gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.


Wijst af het verzoek om opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. A.E. de Kryger, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 22 januari 2019.