Rechtbank Oost-Brabant, 20-08-2019 / 19/624


ECLI:NL:RBOBR:2019:4844

Inhoudsindicatie
Wmo huishoudelijke hulp, wijziging beleid, KPMG-rapport, indicatie van individuele activiteiten in plaats van in clusters van activiteiten, incidentele activiteiten, indirecte tijd, proceskosten in bezwaar De gemeente Eindhoven stelde in 2018 nieuw beleid vast voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo. Het beleid is gebaseerd op een KPMG-rapport van 2017. Tegen de nieuwe indicatiebesluiten op grond van dat gewijzigde beleid stelden zo’n 160 burgers bezwaar en beroep in. De rechtbank heeft in 4 typerende zaken uitspraak gedaan. De gemeente mag haar beleid weliswaar baseren op het KPMG-rapport, maar alleen als het gaat om clusters van huishoudelijke hulp. Dit zijn bijvoorbeeld alle klussen die nodig zijn voor een ‘schoon en leefbaar huis’ en voor ‘schone kleding en bedden- en linnengoed’. De gemeente koos echter voor het toekennen van hulp op het niveau van individuele activiteiten. Het KPMG-rapport geeft daarvoor niet genoeg onderbouwing. In het rapport staat namelijk dat onvoldoende onderzoeksgegevens beschikbaar zijn om betrouwbare informatie over de noodzakelijke tijdsbesteding van de individuele activiteiten te krijgen. Verder wijkt de gemeente in haar beleid van het rapport af door incidentele huishoudelijke hulp stelselmatig niet toe te kennen. De gemeente vindt dat die hulp door iemand uit het sociale netwerk of een vrijwilliger gedaan kan worden. Dat er daadwerkelijk vrijwilligers beschikbaar zijn heeft de gemeente echter niet aangetoond. Als ook niemand uit het sociale netwerk incidentele hulp kan bieden moet de gemeente ook voor deze taken ondersteuning toekennen. Ook moet de gemeente bij meer zorgmomenten per week meer indirecte tijd toekennen. Tenslotte heeft de gemeente de proceskostenvergoeding in bezwaar te laag vastgesteld. Gezien de werkzaamheden van de gemachtigden, zoals blijkend uit de procesdossiers, heeft de gemeente die werkzaamheden ten onrechte als ‘zeer licht’ aangemerkt.
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2019-08-20
Publicatiedatum
2019-08-20
Zaaknummer
19/624
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch


Bestuursrecht


zaaknummer: SHE 19/624


uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2019 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. van 't Laar),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. J.J. Rijken en mr. W.F. van der Wel).



Procesverloop


Bij besluit van 25 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser huishoudelijke ondersteuning toegekend voor de periode 10 september 2018 tot en met 9 september 2038.


Op 10 oktober 2018 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.


Op 31 januari 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Op 21 februari 2019 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.


Bij besluit van 18 maart 2019 heeft verweerder alsnog beslist op het bewaar. Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser ontvangt nog een beslissing over de dwangsom niet tijdig beslissen.


Op 29 april 2019 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld.


Op 20 mei 2019 heeft eiser verweerders besluit van 15 mei 2019 toegezonden. Bij dit besluit is de eigen bijdrage voor de periode 10 tot en met 13 van 2018 gecorrigeerd naar € 106,05 per periode.


Op 22 mei 2019 heeft eiser medegedeeld dat verweerder op 19 maart 2019 de dwangsom heeft vastgesteld op € 992,00.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarop eiser heeft gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.


Overwegingen


1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt sinds 27 september 2013 hulp bij het huishouden. Op grond van het indicatiebesluit van 24 september 2013 werd 10 uur per vier weken huishoudelijke hulp verleend door zorgaanbieder Zuidzorg. Dit besluit had een looptijd tot en met 26 september 2018.


2. Verweerder heeft op 26 juni 2018 het Protocol indicatiestelling huishoudelijke ondersteuning vastgesteld (het Protocol). Het Protocol is als Bijlage 1 opgenomen bij de Nadere Regeling Sociaal Domein gemeente Eindhoven. Publicatie heeft plaatsgevonden in het Gemeenteblad 2018, nr. 153770 van 17 juli 2018.

Op grond van het Protocol kent verweerder een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning toe in de vorm van Huishoudelijke Ondersteuning (HO) of Huishoudelijke Ondersteuning Extra (HOX1 of HOX2).

De te bereiken resultaten, de hiervoor te verrichten activiteiten, de frequentie van die activiteiten en de richttijden voor het uitvoeren van de activiteiten zijn gebaseerd op een objectief en onafhankelijk door KPMG vastgesteld rapport “Passend beleid Hulp bij het Huishouden gemeente Eindhoven van 27 februari 2017 (het KPMG-rapport).


3. Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van het Protocol aan eiser huishoudelijke ondersteuning toegekend voor de periode 10 september 2018 tot en met 9 september 2038. Bij dit besluit is een ondersteuningsplan gevoegd. In dit ondersteuningsplan zijn de afspraken vastgelegd tussen eiser en de zorgaanbieder over welke huishoudelijke taken de thuishulpaanbieder doet en hoe vaak. Naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaar heeft op 18 februari 2019 een keukentafelgesprek plaatsgevonden. Op basis van wat tijdens het keukentafelgesprek is besproken heeft verweerders indicatieadviseur vastgesteld dat in eisers situatie sprake is van een normaal huishouden. Op basis van zijn beperkingen is eiser niet in staat zelfstandig alle huishoudelijke taken uit te voeren. Eisers netwerk kan deze taken niet overnemen. De indicatiesteller is tot de conclusie gekomen dat het huidige ondersteuningsplan op een aantal punten aangepast dient te worden. Daarnaast is vastgesteld dat een aantal incidentele taken door de hulp worden gedaan, waardoor de hulp niet toekomt aan de eigenlijke afgesproken taken op het huishoudelijke ondersteuningsplan. De incidentele taken staan niet op het plan. De indicatiesteller heeft vastgesteld dat eiser voor deze taken iemand in zijn netwerk kan vragen of nagaan of er via een generalist van de WIJ Eindhoven een vrijwilliger/maatje te vinden is die hierin kan ondersteunen. De indicatiesteller heeft het ondersteuningsplan aangepast.


Het beroep niet tijdig beslissen


4. De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar. Niet in geschil is voorts dat de brief van 31 januari 2019 als ingebrekestelling kan worden aangemerkt en dat sindsdien twee weken zijn verstreken, zonder dat verweerder in die periode heeft beslist op het bezwaar. Omdat verweerder na indiening van het beroep echter alsnog heeft beslist op het bezwaar heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bovendien kan de vraag of verweerder bij de beschikking van 19 maart 2019 de hoogte van de dwangsom juist heeft vastgesteld, zoals hierna wordt overwogen, aan de orde komen bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, zodat de hoogte van de dwangsom in zoverre geen belang oplevert om het beroep tegen het niet tijdig te beslissen inhoudelijk te beoordelen. Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder niet tijdig heeft beslist wel aanleiding om verweerder in het navolgende te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met het ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen.


5. Nu met het besluit van 18 maart 2019 niet geheel is tegemoet gekomen aan het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen, heeft dit beroep van eiser, gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op het besluit van 18 maart 2019. Dit besluit wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.


Het bestreden besluit


6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard onder aanvulling van de motivering en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser wordt in aanmerking gebracht voor huishoudelijke ondersteuning conform het aangepaste ondersteuningsplan en de aanpassing daarop in het bestreden besluit. Op basis van het Protocol bestaat recht op twee uur en 24 minuten hulp per week. Eiser kan tijdens een vakantieperiode niet een korte periode minder ondersteuning gebruiken. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft de bezwaargrond van eiser dat het huishoudelijk ondersteuningsplan door de zorgaanbieder niet (volledig) wordt uitgevoerd. Het uitvoeren van het plan door de zorgaanbieder is volgens verweerder een uitvoeringshandeling waartegen geen bezwaar gemaakt kan worden. Voor het bepalen van de hoogte van de proceskosten heeft verweerder aangenomen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Vanwege het grote aantal soortgelijke zaken heeft verweerder de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast. De proceskostenvergoeding is daarmee vastgesteld op € 256,00.


7. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen eiser daartoe heeft aangevoerd zal de rechtbank in het navolgende, voor zover relevant, ingaan.

De dwangsombeschikking

8. Dit beroep heeft op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb mede betrekking op de dwangsombeschikking van 19 maart 2019. Uit dit artikel volgt dat een bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voorzover de belanghebbende deze beschikking betwist. Daarvan is in het onderhavige geval sprake, nu eiser de door verweerder vastgestelde hoogte van de dwangsom betwist. In dat verband betoogt eiser dat de dwangsom te laag is vastgesteld omdat bij het bestreden besluit nog niet volledig is beslist op het bezwaar omdat verweerder nog altijd geen besluit heeft genomen op de bezwaargrond dat verweerder eenmalig extra tijd zou moeten geven om achterstanden weg te werken. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 april 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1234).


9. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid, zoals dat ten tijde van belang luidde, bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

10. Gezien het navolgende is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar over het geven van éénmalige extra tijd een bezwaargrond is die valt buiten de omvang van het geding (ook in bezwaar). Dat daarop niet is beslist in het bestreden besluit leidt de rechtbank daarom niet tot het oordeel dat sprake is van gefaseerde besluitvorming. Eiser heeft voorts nog gewezen op de wijziging van de eigen bijdrage op 15 mei 2019, maar ook dat neemt niet weg dat in het bestreden besluit al wel een beslissing is genomen op eisers bezwaren tegen de eigen bijdrage, zodat de besluitvorming in bezwaar is afgerond. Gezien de ingebrekestelling op 31 januari 2019 constateert de rechtbank dat de hoogte van de dwangsom juist is vastgesteld.

Indiceren in uren op activiteitenniveau in plaats van op clusterniveau

11. Niet in geschil is dat huishoudelijke ondersteuning noodzakelijk is voor eiser. In geschil is wel de vaststelling van het aantal noodzakelijke uren huishoudelijke ondersteuning. Daarbij betwist eiser blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting niet dat het KPMG-rapport kan dienen ter onderbouwing van toekenning van een maatwerkvoorziening, met dien verstande dat van de in het KPMG-rapport omschreven standaardmodules voor de resultaten ‘Schoon en leefbaar huis’ en ‘Schoon bedden- en linnengoed’ moet worden afgeweken als het individuele geval daartoe aanleiding geeft.


12. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat verweerder wat hem betreft zou kunnen volstaan met het indiceren van deze standaardmodules, mits hij deze indicatie verhoogt met tijd die noodzakelijk is in verband met bijzondere omstandigheden die leiden tot behoefte aan extra hulp, zoals bijvoorbeeld COPD of incontinentie. Verweerder kiest er echter voor om tijd voor afzonderlijke activiteiten te indiceren. Daarvoor kan hij zich echter niet op het KPMG-rapport baseren, omdat het aantal metingen op het niveau van de individuele activiteiten te klein is om de uitkomst representatief te achten. Het door verweerder gevoerde beleid vindt eiser aldus onvoldoende onderbouwd.


13. Verweerder stelt zich, zakelijk weergegeven en voor zover relevant, op het standpunt dat het KPMG-rapport een voldoende grondslag vormt voor het Protocol. Dat verweerder er voor kiest om niet per cluster van activiteiten te indiceren maar per afzonderlijke activiteit doet daaraan niet af. Evenmin doet daar de passage op pagina 53 van het KPMG-rapport af, waarin wordt afgeraden te indiceren op activiteitenniveau. Verweerder is gehouden een in de omstandigheden van het geval passende maatwerkvoorziening te indiceren. De uitspraken van de CRvB van 10 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3838 en ECLI:NL:CRVB:2018:3835) mogen niet zo worden gelezen dat ook iedere afwijking van een op objectief en onafhankelijk onderzoek gebaseerde standaardmodule met het oog op het verrichten van maatwerk gebaseerd zou moeten zijn op objectief en onafhankelijk onderzoek.

13. Uit het KPMG-rapport blijkt, voor zover hier relevant, het volgende. De door verweerder ingezette expertgroep heeft de uitgangspunten voor het beleid inzake huishoudelijke ondersteuning uitgewerkt in benodigde activiteiten en frequenties, in kaart gebracht welke activiteiten uitgevoerd moeten worden en met welke frequentie deze activiteiten uitgevoerd moeten worden. Vervolgens heeft de expertgroep de activiteiten en frequenties uit eerdere onderzoeken aangepast naar de Eindhovense situatie. Op basis van de input van de expertgroep is een analysekader uitgewerkt voor de in verweerders beleid onder meer onderscheiden uitkomsten ‘Schoon en leefbaar huis’ en ‘Schone kleding en schoon bedden-en linnengoed’. Het analysekader vormde het startpunt voor de doorrekening en is daarmee het vertrekpunt voor de onderbouwing van het beleid huishoudelijke ondersteuning in de gemeente Eindhoven. De doorrekening levert een representatieve gemiddelde totaaltijd op per uitkomst (of per cluster van activiteiten) en leidt niet tot richttijden per activiteit (p. 29).

Het vertrekpunt voor de uitkomst ‘Schoon en leefbaar huis’ was de frequentie zoals vastgesteld door de expertgroep in het onderzoek voor de gemeente Utrecht “Normering van de basisvoorziening ‘Schoon Huis” (12 augustus 2016). Voor de uitkomst ‘Schone kleding en schoon bedden-en linnengoed’ was de opgestelde frequentie uit het onderzoek voor de gemeente Hoorn het vertrekpunt. Deze frequenties vormden een kwalitatief stevige basis. Deze basis is gewijzigd en aangevuld met inzichten van de experts in Eindhoven. Voor de uiteindelijke doorrekening in dit onderzoek is uitgegaan van de frequenties zoals benoemd door de experts in Eindhoven. Eventuele andere inzichten ten aanzien van de frequenties, zoals benoemd door de experts in het onderzoek voor de gemeente Utrecht, worden toegelicht in paragraaf 5.7. (p. 32).

Omdat niet elke activiteit in elk huishouden uitgevoerd kan worden of nodig is, is een weegfactor gehanteerd voor bepaalde activiteiten. De weegfactor geeft aan in welke mate de tijdsbesteding en frequentie van een bepaalde activiteit meewegen in het bepalen van de totaal benodigde tijd. Het betreft de weegfactoren voor de ruimten woonkamer, slaapkamer, keuken, sanitair en hal binnen de uitkomst ‘Schoon en leefbaar huis’ en de aanwezigheid van een wasmachine en droger voor de uitkomst ‘Schone kleding en schoon bedden-en linnengoed’. De weegfactoren voor de uitkomst ‘Schoon en leefbaar huis’ zijn gebaseerd op het onderzoek voor de gemeente Utrecht waarbij observaties hebben plaatsgevonden in de gemeente Utrecht, Emmen en Haarlem. In dat praktijkonderzoek is de benodigde informatie over ‘weegfactoren’ opgehaald tijdens de observatie van een bezoek van een huishoudelijke hulp. Experts zien dat de aandelen voor weegfactoren ook in Eindhoven kunnen gelden bij het veronderstelde beleid. Voor de uitkomst ‘Schone kleding en schoon bedden-en linnengoed’ zijn de weegfactoren gebaseerd op de uitgangspunten in de gemeente Eindhoven (p. 35).

In het KPMG-rapport is bewust gekozen om geen aanvullende tijdsmetingen uit te voeren in de gemeente Eindhoven. Het genereren van extra maatschappelijke kosten voor gedegen onderzoek dat elders al is gedaan is onnodig. Daarnaast brengt het uitvoeren van tijdsmetingen ook een belasting met zich mee voor cliënten en zorgaanbieders (p. 36).

De totaal benodigde tijd is berekend op basis van de gemiddelde tijdsduur van de onderliggende activiteiten die een bijdrage leveren aan de uitkomst. In de praktijk verschilt de benodigde tijd, afhankelijk van de individuele situatie van de cliënt. Maatwerk staat voorop (p. 45).

Hoewel de expertopvatting in Eindhoven op bepaalde activiteiten en frequenties verschilt met die in Utrecht is de benodigde tijd vergelijkbaar. Dit komt omdat, mede op basis van beleid in Eindhoven, een aantal activiteiten zijn toegevoegd en andere zijn verwijderd, en omdat de frequentie van een aantal activiteiten werden verhoogd terwijl anderen werden verlaagd (p. 46).

Op basis van de observaties in de gemeente Hoorn kan worden geconcludeerd dat er 13% meer tijd nodig is om dezelfde uitkomst voor een meerpersoonshuishouden te bereiken, en dit is 18% volgens analyses op de in Eindhoven geregistreerde data. Beide percentages zijn berekend op basis van een relatief klein aantal metingen, dus enige voorzichtigheid is geboden. Het betekent dat ongeveer 53-73 minuten (13-18% van de 404 minuten directe tijd) extra voldoende is om ook in een meerpersoonshuishouden het beoogde resultaat te behalen (p. 51).

In de beleidsregels en het werkprotocol voor de generalisten dient helder te worden vermeld wat de richttijden zijn voor de clusters van activiteiten per uitkomst en de richtlijn voor extra of minder uren in bepaalde gevallen. De richtlijn bestaat uit gemiddelde tijden op totaalniveau en niet per afzonderlijke activiteit. Er kan beredeneerd worden afgeweken van deze gemiddelden omdat een huis bijvoorbeeld zeer groot is of juist zeer klein en gemakkelijk schoon te houden. Het indicatieproces blijft namelijk te allen tijde maatwerk maar een dergelijke richtlijn maakt het voor de generalist wel gemakkelijker. Daarnaast schept een dergelijke richtlijn duidelijkheid voor de cliënt wat hij kan verwachten van de HbH-ondersteuning. Het is af te raden om de clusters van activiteiten nog verder op te splitsen. Dit omdat de richtlijn dan minder betrouwbaar is door het lagere aantal metingen (p. 53).


15. Uit de hiervoor aangehaalde passages uit het KPMG-rapport maakt de rechtbank op dat het aantal observaties van de individuele activiteiten in Utrecht, Hoorn, Haarlem en Emmen zodanig beperkt is dat op het niveau van de individuele activiteiten geen betrouwbare conclusies konden worden getrokken, mede gezien de spreiding van de metingen. De berekende gemiddelde tijdsduur is, zo begrijpt de rechtbank, statistisch wel betrouwbaar wanneer die wordt berekend door de observaties van de verschillende activiteiten op clusterniveau samen te nemen (p. 29, 51 en 53). Daarmee kan een representatieve gemiddelde totaaltijd worden berekend. Voorts blijkt dat is afgezien van het verrichten van additionele tijdmetingen gezien de daarmee gemoeide maatschappelijke kosten (p. 36).

Tenslotte is de door verweerder ingestelde expertgroep op onderdelen afgeweken van de door KPMG voorgestelde clustering door enkele activiteiten toe te voegen of te verwijderen en de frequentie van andere activiteiten te verhogen of te verlagen. Naar de rechtbank begrijpt acht KPMG de tijdsbesteding voor de uitkomst ‘Schoon en leefbaar huis’ ondanks deze aanpassingen op clusterniveau vergelijkbaar met de tijdsbesteding die volgt uit de observaties in Utrecht, Emmen en Haarlem (p. 46).


16. In het primaire besluit heeft verweerder de huishoudelijke hulp waarvoor eiser is geïndiceerd uitgedrukt in resultaatsgebieden. Gezien de uitspraak van de voorzieningenrechter van de CRvB van 8 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3241) heeft verweerder bij het bestreden besluit terecht gekozen voor indicatie in uren. Verweerder heeft daarbij echter niet op clusterniveau maar op het niveau van individuele activiteiten geïndiceerd. De geïndiceerde activiteiten in samenhang vallen niet samen met de door KPMG benoemde clusters. Gezien de hiervoor geciteerde passages uit het KMPG-rapport wijst eiser er terecht op dat de voor deze activiteiten geïndiceerde tijd niet is gebaseerd op voldoende onderzoek. KPMG raadt immers af te indiceren op het niveau van individuele activiteiten omdat de betrouwbaarheid van de gevonden tijdsbesteding niet gewaarborgd is. Daarnaast is verweerder afgeweken van de door KPMG voor de door hem aangeduide clusters berekende normtijden door bepaalde activiteiten toe te voegen en uit te sluiten en de frequentie van andere activiteiten te wijzigen. Ook in zoverre wijst eiser er terecht op dat de in het bestreden besluit geïndiceerde tijd niet is gebaseerd op objectief onderzoek. Deze beroepsgrond slaagt aldus.

16. Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals de CRvB in de uitspraken van 10 december 2018 heeft overwogen, verweerder gehouden is maatwerk te leveren en van een als standaardpakket te beschouwen cluster van activiteiten moet afwijken indien de situatie van een belanghebbende daartoe aanleiding geeft. Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd bestaat geen grond voor het oordeel dat afwijking van een op objectief onderzoek gebaseerd standaardpakket niet op objectieve maatstaven gebaseerd zou hoeven zijn. Ook het in afwijking van de standaardmodule geboden maatwerk in de vorm van gestandaardiseerde tijdseenheden dient op objectieve criteria, steunend op deugdelijk onderzoek te berusten, gelet op de artikelen 3:2 en 3:46, gelezen in samenhang met artikel 7:12, van de Awb. Eisers beroepsgrond slaagt.

Incidentele taken

18. In geschil is voorts de vraag of verweerders beleid ten aanzien van de incidentele taken zich verdraagt met de compensatieplicht die volgt uit de Wmo. Bij incidentele taken gaat het, volgens het rapport van KPMG, om taken die wel moeten worden verricht met het oog op een schoon en leefbaar huis, maar niet frequent.


19. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in beginsel geen tijd voor de incidentele taken hoeft te worden geïndiceerd. Redengevend daarvoor is het feit dat incidentele taken zich kenmerken door een zekere mate van uitstelbaarheid. Daarom is het redelijk om te verwachten dat deze taken kunnen worden vervuld op eigen kracht, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk. Voor zover blijkt dat iemand niet in staat is de uitvoering van de incidentele taken op eigen kracht te regelen, verwijst verweerder naar de, zoals blijkt uit het bestreden besluit, ‘WIJ-generalist’ om de mogelijkheid om vrijwilligers in te schakelen te onderzoeken. Slechts in bijzondere gevallen ziet verweerder aanleiding om extra tijd te indiceren voor incidentele taken. In het algemene verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daarbij gedacht aan situaties waarin de incidentele taken niet uitstelbaar zijn en er dus niet gewacht kan worden op de beschikbaarheid van iemand uit het sociale netwerk of een vrijwilliger.


20. Volgens verweerders beleid maken de incidentele taken geen onderdeel uit van de huishoudelijke ondersteuning, terwijl dat volgens het KPMG-rapport wel zo is. Eiser stelt dat deze afwijking in het indicatieprotocol c.q. de beleidsregels ten opzichte van het KPMG-rapport niet berust op deugdelijk en onafhankelijk onderzoek en slechts is geformuleerd in het kader van de herijking van het beleid van verweerder. Dit levert volgens eiser een niet verwaarloosbare afwijking op van de standaardmodule die het KPMG-rapport omschrijft. Verweerders beleid om te verwijzen naar vrijwilligersorganisaties is verder een wassen neus. Verweerder heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat er vrijwilligers zijn die incidentele taken op zich willen nemen en er is eiser en zijn gemachtigde geen enkel geval bekend waarin een vrijwilliger beschikbaar bleek.


21. De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit aspect voorop dat ter zitting namens verweerder is erkend dat de incidentele taken moeten worden beschouwd als noodzakelijk om tot het resultaat schoon en leefbaar huis te komen. Dat is ook logisch, anders zouden deze taken überhaupt niet besproken zijn als relevante taken, zowel in het KPMG-rapport als het beleid van verweerder. De rechtbank merkt op dat het standpunt van verweerder ter zitting anders lijkt dan in het bestreden besluit, waarin is verwezen naar bijlage 1 bij het Protocol, waarin waarin het college stelt dat “de incidentele taken (…) in de basis niet bij[dragen] aan de genoemde resultaten.” De rechtbank leest deze passage aldus dat er volgens verweerder in beginsel geen maatwerkvoorziening nodig is voor de incidentele huishoudelijke taken.


22. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in het bestreden besluit, met de stelling onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 29 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1302) dat incidentele taken niet behoren tot de resultaatsverplichting van verweerder, te kort door de bocht gaat. In de genoemde uitspraak van de CRvB is inderdaad overwogen dat voor de incidentele taken geen maatwerkvoorziening hoeft te worden getroffen, maar daaraan heeft de CRvB de voorwaarde verbonden dat er dan wel sprake moet zijn van een voorliggende voorziening die daadwerkelijk beschikbaar, financieel draagbaar en adequaat compenserend is.


23. Nu de incidentele taken moeten worden verricht om tot het resultaat schoon en leefbaar huis te komen, volgt uit 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 dat ook met betrekking tot de incidentele taken een maatwerkvoorziening moet worden getroffen, tenzij betrokkene die taken op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan uitvoeren.


24. In het geval van eiser is niet in geschil dat hij niet in staat is de incidentele taken op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk uit te voeren. Verweerder verwijst naar de mogelijkheid voor eiser om zich aan te melden bij een ‘WIJ-generalist’ om te onderzoeken of er aanleiding bestaat alsnog tijd toe te kennen. Deze mogelijkheid van de inzet van een vrijwilliger kan niet worden beschouwd als een algemene voorziening in de zin van de Wmo. De rechtbank concludeert dat verweerder vrijwilligerswerk kennelijk als een algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening beschouwt. Zoals hiervoor al overwogen kan echter pas gesproken worden van een voorliggende voorziening die in de weg staat aan het treffen van een maatwerkvoorziening als deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar, financieel draagbaar en adequaat compenserend is. Het inzetten van een vrijwilliger voor het verrichten van incidentele taken zal voor eiser financieel draagbaar zijn en kan ook adequaat compenserend zijn. Eiser betwist echter nadrukkelijk dat vrijwilligers beschikbaar zijn. Verweerder heeft niet concreet onderbouwd dat er (min of meer voldoende) vrijwilligers beschikbaar zijn zodat van een algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening gesproken zou kunnen worden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat WIJEindhoven beschikt over contacten met vrijwilligersorganisaties en verwezen naar een website (www.wijhelpen.nl). De rechtbank acht deze enkele verwijzing onvoldoende om te concluderen dat daadwerkelijk structureel vrijwilligers beschikbaar zijn om incidentele taken te verrichten. Van een algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening kan daarom niet worden gesproken.


25. De conclusie is dat verweerders beleid om de incidentele taken in beginsel uit te sluiten van de maatwerkvoorziening als onredelijk moet worden beschouwd. Verweerder heeft in het geval van eiser ten onrechte niet mede een maatwerkvoorziening getroffen voor het verrichten van alle incidentele taken. De beroepsgrond slaagt.


Indirecte tijd

26. Eiser wijst er verder op dat volgens het KPMG-rapport bij een meerpersoonshuishouden 13,1 minuten moeten worden toegevoegd aan de basisnorm voor een eenpersoonshuishouden. Deze extra tijd wordt onder meer ingegeven door de noodzaak om het toilet in een tweepersoonshuishouden twee keer per week schoon te maken. Volgens eiser is verweerder hieraan voorbij gegaan door in zijn geval wel extra minuten te indiceren, maar hieraan niet de conclusie te verbinden dat de hulp twee keer per week langs moet komen. Dit leidt er volgens eiser ook toe dat er extra indirecte tijd moet worden toegekend voor het tweede zorgmoment per week.


27. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er voldoende tijd is geïndiceerd om te voorzien in incidentele tijd. Verweerder indiceert daarvoor namelijk 22 minuten, ongeacht de frequentie waarmee wordt schoongemaakt. Verweerder geeft daarbij in het bestreden besluit – onder verwijzing naar pagina 45 van het KPMG-rapport – aan dat maatwerk voorop staat en dat de zorgaanbieder in de praktijk aan indirecte tijd iets meer of minder tijd zal kunnen besteden. In het verweerschrift verwijst verweerder verder naar de paragraaf over indirecte tijd op pagina 39 van het KPMG-rapport.


28. De rechtbank stelt naar aanleiding van discussie ter zitting over zorg bij zogenaamde ‘ongelukjes’ voorop dat de gestelde indicatie in dergelijke zorg niet hoeft te voorzien. Huishoudelijke hulp die nodig is naar aanleiding van zulke ongelukjes is naar zijn aard niet voorzienbaar en de behoefte daaraan hoeft daarom ook niet te worden geïndiceerd.

28. De rechtbank overweegt dat de indicatie van 22 minuten voor indirecte tijd kennelijk het resultaat is van het gemiddelde dat door KPMG is gemeten. Deze 22 minuten is op pagina 44 van het KPMG-rapport opgenomen in de basismodule die benodigd is om het resultaat schoon en leefbaar huis te bereiken. De rechtbank stelt vast dat deze tijd blijkens pagina 39 van het KPMG-rapport een gewogen gemiddelde is van gemeten bestede tijd voor indirecte zorgtaken bij wekelijks (28 minuten per keer, ofwel 24,3 uur per jaar) en tweewekelijks – dus: om de week en niet twee keer per week, zoals verweerder ter zitting leek te veronderstellen – schoonmaken (31,9 minuten per keer, ofwel 13,8 uur per jaar). Deze tijdsbesteding is vervolgens gemiddeld naar 19 uur per jaar of 22 minuten per week. Uit het KPMG-rapport volgt dat er per zorgmoment minder tijd aan indirecte zorgtaken besteed hoeft te worden als er meer zorgmomenten zijn. De in totaal bestede indirecte tijd is dan echter hoger.


30. Eiser voert gelet hierop terecht aan dat verweerder aanleiding zou moeten zien om – bovenop de basismodule die volgt uit het KPMG-rapport – aanvullende indirecte tijd te indiceren wanneer duidelijk is dat er meer dan één maal per week huishoudelijke hulp verleend zal worden. Ook deze beroepsgrond slaagt derhalve. Eisers suggestie dat daarvoor per week vijf minuten (ofwel 4 uur en 20 minuten per jaar) extra geïndiceerd zou moeten worden is niet onderbouwd maar komt niet op voorhand onredelijk voor, gezien de metingen in het KPMG-rapport.

De individuele situatie van eiser

31. Eiser betwist dat verweerder het strijken van eisers kleding categorisch kan uitsluiten. Er is geen sprake van een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening. Subsidiair wijst eiser er op dat de noodzaak van strijken niet is beoordeeld overeenkomstig het stappenplan zoals dat volgt uit de uitspraak van de CRvB van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB: 2018:819). Voordat kan worden tegengeworpen dat een algemeen gebruikelijke voorziening, een goed of hulpmiddel in de weg staat aan een maatwerkvoorziening, moet beoordeeld worden of deze voorziening beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin betrokkene tot zelfredzaamheid in staat is en door eiser financieel gedragen kan worden. Uit het verslag van het keukentafelgesprek en uit het bestreden besluit is eiser niet gebleken dat verweerder deze beoordeling heeft gemaakt. Hierdoor lijdt het bestreden besluit volgens eiser aan een motiveringsgebrek.


32. Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 5 en 6, van de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven (Verordening) komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. Onder algemeen gebruikelijke voorziening wordt ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Verordening verstaan een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder dan vergelijkbare producten


33. Ingevolge het Protocol wordt strijken alleen voor een bepaalde periode geïndiceerd als niemand in het sociaal netwerk dit kan overnemen en wanneer de belanghebbende nog niet beschikt over strijkvrije kleding. In dat geval wordt alleen bovenkleding (daaronder vallen overhemden en bloezen) gestreken voor een maximum van 3 maanden. Indien belanghebbende geen strijkvrije kleding kan bekostigen wordt gekeken naar mogelijkheden tot financiële compensatie.


34. De rechtbank overweegt dat strijkvrije kleding niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en acht genoegzaam aannemelijk dat deze kleding in de reguliere handel verkrijgbaar is. Bovendien is de prijs van deze kleding vergelijkbaar met soortgelijke producten. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat eiser over strijkvrije kleding zou hebben kunnen beschikken. Dat eiser dergelijke kleding niet kan dragen is niet onderbouwd. In beginsel staat het verweerder daarom vrij geen maatwerkvoorziening voor strijken te indiceren.


35. Het bestreden besluit geeft er echter geen blijk van dat verweerder toepassing heeft gegeven aan de in het Protocol voorziene mogelijkheid om voor een maximum van 3 maanden een maatwerkvoorziening strijken aan te bieden. Ook over onderzoek naar de mogelijkheid van financiële compensatie rept het bestreden besluit niet. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met het bepaalde in de artikel 3:2 en 7:12 van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt.


36. Verder is volgens eiser ten onrechte geen rekening gehouden met het schoonhouden van de tweede en derde slaap- c.q. werkkamer die minder frequent worden gebruikt. Hiervoor kan een lagere frequentie worden aangehouden. Eén keer per vier weken acht eiser niet ongebruikelijk.


37. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar het Protocol op het standpunt dat alleen frequent in gebruik zijnde ruimtes moeten worden schoongemaakt. Onder frequent wordt verstaan dagelijks of meermaals per week. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in de woonkamer en de serre wekelijks wordt stof afgenomen, gestofzuigd en gedweild. Verweerder stelt voorts dat de slaapkamers twee en drie niet frequent in gebruik zijn. De rechtbank acht verweerders beleid om alleen de frequent (in de zin van: meer dan eens per week) gebruikte leefruimtes schoon te maken niet onredelijk, nu dat daarmee het beoogde resultaat van een schoon en leefbaar huis afdoende wordt behaald. Eiser heeft niet aangetoond dat hij de tweede en derde slaap- c.q. werkkamer ten minste meerdere malen per week gebruikt.


38. Eiser heeft verder aangegeven dat hij een ruime bungalow bewoont. Gelet op de methodiek waarbij is uitgegaan van gemiddelden voor een woning, maakt eiser geen aanspraak op meer tijd in verband met de grootte van zijn woning. Wel maakt eiser melding van zijn gevoeligheid voor stof, waardoor zijn woning zoveel mogelijk stofvrij dient te zijn. Blijkens zijn brief van 20 mei 2019 stelt eiser niet langer dat hij ten onrechte niet is geïndiceerd voor stof afnemen midden. Wel moet er nog tijd geïndiceerd worden voor het hoog stoffen worden en voor het schoonhouden van radiatoren en andere oppervlakten. Nader onderzoek naar de ernst van deze situatie kan er volgens eiser toe leiden dat bepaalde taken zoals stofzuigen, stoffen en dweilen vaker zouden moeten worden uitgevoerd. Hij lijdt ook aan hooikoorts, waarvoor eiser een verklaring van de huisarts heeft bijgevoegd.


39. In het bestreden besluit wijst verweerder er op dat in de woning van eiser wekelijks stof zal worden afgenomen in plaats van om de week. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat hiermee aan de bovengemiddelde gevoeligheid voor stof voldoende tegemoet wordt gekomen. Het op hoge plekken stof afnemen, het stoffen van de radiatoren en het wassen van de gordijnen zijn incidentele taken; wat dat betreft verwijst de rechtbank naar wat hierna over incidentele taken wordt overwogen. Dat eisers gevoeligheid zó ernstig is dat deze taken niet incidenteel kunnen worden verricht is de rechtbank niet gebleken. Eiser merkt terecht op dat nader onderzoek naar de ernst van de situatie zou kunnen leiden tot de conclusie dat meer huishoudelijke ondersteuning nodig is, maar tot dusver is de rechtbank niet gebleken dat dat het geval is. Evenmin ziet de rechtbank voldoende concrete aanknopingspunten in het dossier om te oordelen dat verweerder dat onderzoek had moeten (laten) verrichten alvorens het bestreden besluit te nemen.


40. De verklaring van de huisarts leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, aangezien die niet onderbouwt dat eiser klachten ondervindt van een overmatige hoeveelheid stof in zijn woning. De verklaring van de huisarts dat eiser bij hem bekend is met een hoge lijdensdruk door hooikoorts en dat eiser gebaat is bij een stofarm huis acht de rechtbank daartoe onvoldoende.


Verantwoordelijkheid feitelijke uitvoering

41. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat verweerder de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de geïndiceerde resultaatgebieden ten onrechte bij de zorgaanbieder neerlegt. Verweerder heeft het bezwaar tegen het uitvoeren van het ondersteuningsplan niet-ontvankelijk verklaard omdat dit een uitvoeringshandeling betreft waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. Eiser acht deze benadering niet in overeenstemming met de taak en verantwoordelijkheid die de gemeente in de Wmo 2015 heeft gekregen. Verder heeft eiser er op gewezen dat verweerder ten onrechte zijn bezwaar met betrekking tot de ingangsdatum niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat dit een feitelijke handeling van de zorgaanbieder betreft, maar eiser is van mening dat verweerder hiervoor verantwoordelijk is.


42. Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiser zich terecht op het standpunt dat verweerder jegens hem verantwoordelijk is voor de uitvoering van de toegekende ondersteuning, zoals deze rechtbank ook heeft overwogen in haar uitspraak van 7 juni 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:2926). Het is immers aan verweerder om ervoor zorg te dragen dat de maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Het is verder aan het gemeentebestuur om zorg te dragen voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Verwijzing van klachten naar de zorgaanbieder kan worden gezien als onderdeel van de kwaliteitszorg waarmee het gemeentebestuur is belast. Bij het uitblijven van verbetering van de feitelijke uitvoering is echter wel degelijk een taak voor de gemeente weggelegd om de benodigde verbetering te verwezenlijken. Daarbij merkt de rechtbank op dat er tussen eiser en de zorgaanbieder geen (juridische) relatie bestaat, wat het afdwingen van nakoming van het ondersteuningsplan problematisch maakt. Het voorgaande neemt niet weg dat, om ingang te vinden bij de bestuursrechter, een appellabel besluit nodig is dat ter toetsing wordt voorgelegd. Zo’n besluit ontbreekt ten aanzien van de feitelijke uitvoering vooralsnog, zodat de rechtbank geen grond ziet zich over de feitelijke uitvoering van het ondersteuningsplan verder uit te laten. Verweerder stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat een feitelijke handeling ter uitvoering van het ondersteuningsplan niet voor bezwaar vatbaar kan zijn. Eisers bezwaar daartegen is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eisers beroep met betrekking tot de ingangsdatum kan verder nergens toe leiden, omdat het hier gaat om zorg in natura. Bij gebrek aan belang heeft verweerder eisers bezwaar op dit punt terecht niet-ontvankelijk geacht.

Cliëntondersteuning

43. Verder heeft eiser nog enkele grieven aangevoerd die ertoe strekken dat verweerder nogal “losjes” omgaat met het wettelijk kader. Allereerst heeft eiser aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek wijst op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Onbetwist staat vast dat verweerder eiser voorafgaand aan het primaire besluit niet heeft gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van een cliëntondersteuner. Gesteld noch gebleken is dat eiser hier in de onderhavige procedure door is benadeeld. Eiser heeft immers tijdens de bezwaarprocedure wel ondersteuning gehad van een cliëntondersteuner. Gelet hierop kan deze grief geen doel treffen.


Nieuw primair besluit

44. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat verweerder op grond van het gewijzigd ondersteuningsplan geen nieuw primair besluit heeft genomen. Eiser acht het in strijd met de Wmo 2015 om primaire besluiten te handhaven die niet vooraf zijn gegaan door een onderzoek (keukentafelgesprek). Een later in de bezwaarfase verricht onderzoek kan volgens eiser, gelet op de specifieke eisen die aan de voorbereiding van primaire besluiten in de Wmo 2015 worden gesteld, hieraan niet afdoen.


45. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Naar vaste rechtspraak dient het daarbij te gaan om een volledige heroverweging binnen het kader van het bezwaar. De rechtbank ziet het bestreden besluit als het resultaat van de in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bedoelde heroverweging van het primaire besluit. Dit betekent dat verweerder terecht geen nieuw primair besluit heeft genomen.


Eenmalige extra tijd

46. In het aanvullend bezwaarschrift van 20 februari 2019 heeft eiser verzocht om eenmalig extra tijd (bijvoorbeeld vier uur) toe te kennen teneinde achterstanden en vervuiling die is opgetreden, weg te werken. Eiser wijst er op dat verweerder niet heeft beslist op dit verzoek, waardoor het bestreden besluit leidt aan een motiveringsgebrek.

46. De rechtbank overweegt op dit punt dat het primaire besluit de toekenning van hulp bij het huishouden betreft op grond van de gestelde indicatie. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, hoeft beoordeling de bezwaarfase niet meer te omvatten dat een volledige heroverweging van het primaire besluit aan de hand van de bezwaargronden. Dit komt feitelijk neer op de heroverweging van de gestelde indicatie. In de bezwaarfase is wel gevraagd om eenmalig extra tijd voor het inhalen van opgelopen achterstanden, maar verweerder heeft in het bestreden besluit op dit punt kunnen volstaan met de mededeling dat daarover later afzonderlijk zal worden beslist.

Eigen bijdrage

48. Eiser heeft zijn beroepsgronden tegen de vaststelling van de eigen bijdrage voorafgaand aan de behandeling ter zitting laten vallen, omdat verweerder bij besluit van 19 mei 2019 in dit opzicht aan eiser tegemoet is gekomen. Dit punt behoeft daarom geen bespreking meer.De proceskosten in bezwaar

48. Met betrekking tot de door verweerder bij het bestreden besluit toegekende proceskosten in bezwaar voert eiser – kort gezegd – aan dat verweerder ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegekend. In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.

48. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) dient bij de berekening van een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor te worden toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van respectievelijk 0,25, 0,5, 1, 1,5 en 2.


51. Eiser stelt zich in beroep terecht op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft gehanteerd. Daartoe is van belang dat op grond van paragraaf C van de bijlage bij het Bpb plaats is voor de toepassing van een wegingsfactor 0,25 wanneer sprake is van een zaak van zeer licht gewicht. Uit vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 2 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3988) volgt daarbij dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij duidelijke redenen aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt naar vaste rechtspraak slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Hiervan is in deze zaak niet gebleken. Reeds om die reden heeft verweerder ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 gehanteerd.


52. Voor zover verweerder heeft bedoeld zich op het standpunt te stellen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb volgt de rechtbank verweerder hierin evenmin. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt. Het enkele feit dat, als gevolg van het door verweerder niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser en dat van andere bezwaarmakers, grote aantallen bezwaarschriften in een kort tijdsbestek zijn behandeld, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Daar komt bij dat de rechtbank onvoldoende is gebleken dat een vergoeding volgens het forfaitaire vergoedingenstelsel niet in verhouding zou staan tot de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb moet worden afgeweken van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Bpb.

52. Dit betekent dat verweerder aan eiser met betrekking tot de door hem in bezwaar redelijkerwijs gemaakte proceskosten een vergoeding van € 1.024,00 is verschuldigd.

Conclusie

54. Gezien de voorgaande overwegingen is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. De CRvB zoekt in zaken over huishoudelijke ondersteuning bij het zelf voorzien in de zaak aansluiting bij de laatste niet meer in geschil zijnde indicatie, dan wel de normen van het CIZ Protocol Huishoudelijke Verzorging (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3633). Met het oog op een finale geschilbeslechting ziet de rechtbank daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en aan eiser huishoudelijke hulp toe te kennen voor de duur van de laatste niet in geschil zijnde indicatie van 10 uur per vier weken. Het staat verweerder vrij om de huishoudelijke ondersteuning van eiser na aanpassing van de gemeentelijke regelgeving conform de overwegingen 4.11 en 4.12 van eerder genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de CRvB van 8 oktober 2018 en na herbeoordeling met inachtneming van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 in te trekken of te wijzigen voor de toekomst.

54. Het beroep tegen het bestreden besluit is (om meerdere redenen) gegrond. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder, naast hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de proceskosten in bezwaar te veroordelen in de proceskosten die eiser in beroep verder redelijkerwijs heeft moeten maken. Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken voor het instellen van het beroep wegens niet tijdig beslissen. Deze kosten worden overeenkomstig het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 256,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,00 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van gering gewicht is, nu deze procedure slechts betrekking heeft op de vraag of verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar. De kosten die eiser verder in beroep heeft moeten maken worden begroot op € 1.280,00 (1 punt voor het indienen van het beroep, 0,5 punt voor de verschijning ter comparitie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1). Hierbij overweegt de rechtbank dat ook in beroep onvoldoende is gebleken dat een vergoeding volgens het forfaitaire vergoedingenstelsel niet in verhouding zou staan tot de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden. Ook met betrekking tot de door eiser in beroep gemaakte proceskosten bestaat er dan ook geen grond voor het oordeel dat met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb moet worden afgeweken van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Bpb. Verweerder dient derhalve in totaal € 2.560,00 aan eiser te vergoeden. Daarnaast moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.


Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • - verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard en een proceskostenvergoeding is toegekend;
  • - verklaart het bezwaar gegrond;
  • - kent eiser met ingang van 10 september 2018 huishoudelijke hulp toe voor 10 uur per vier weken;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover vernietigd;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 2.560,00;
  • - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 47,00 aan eiser moet vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 20 augustus 2019.






De griffier is verhinderd voorzitter

deze uitspraak mede te ondertekenen












Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.