Rechtbank Overijssel, 28-01-2015 / C/08/164545 / KG ZA 14-394


ECLI:NL:RBOVE:2015:1013

Inhoudsindicatie
Incidenteel vonnis. Staken executie. Na eindvonnis van de rechtbank Overijssel is in hoger beroep bij proces-verbaal een vaststellingsovereenkomst opgesteld. Omdat betaling van het overeengekomen bedrag is uitgebleven heeft de advocaat van de thans gedaagde partijen de schikkingsovereenkomst uit het proces-verbaal ontbonden en de deurwaarder opdracht gegeven de executie voort te zetten. De vraag of de vaststellingsovereenkomst is ontbonden beantwoordt de rechtbank bevestigend. Het betoog dat een gerechtelijk tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, vervat in het proces-verbaal van een gerechtshof niet eenzijdig kan worden opgezegd slaagt niet. De in artikel 7:905 BW neergelegde beperkingen gelden niet voor het geval de ontbinding, een zoals hier, door partijen gezamenlijk tot stand gebrachte vaststelling betreft. Dit betekent dat voor de vraag of de vaststellingsovereenkomst door de brief van 1 oktober 2013 is ontbonden, niet artikel 7:905 BW, maar de algemene artikelen 6:265 e.v. BW richtinggevend zijn (vgl. Hof Arnhem, RCR 2009, 30). Uit het bovenstaande volgt dat het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van de rechtbank van 3 april 2013 kan worden geëxecuteerd, mits artikel 431a Rv. in acht wordt genomen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-02-25
Zaaknummer
C/08/164545 / KG ZA 14-394
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Prg. 2015/99
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer / rolnummer: C/08/164545 / KG ZA 14-394


Vonnis in incident van 28 januari 2015


in de zaak van


1 [eiser],

wonende te [woonplaats 1],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats 1],

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. J.V.M. de Jong te Apeldoorn,


tegen


1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 1],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 2],

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats 1],

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. J.C. van Nie te Almelo.



Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding tevens houdende provisionele vordering ex artikel 223 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),
  • - de incidentele conclusie van antwoord,
  • - de akte uitlating productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.



2De feiten


2.1.

In 1999 hebben [eisers], onder de naam Rechtspraktijk BAWA, namens [H] de gemeente Haaksbergen verzocht de bestemming van de woning van

[H] niet te wijzigen van agrarische dienstwoning in (burger)woning, zoals de gemeente van plan was. De gemeente Haaksbergen heeft aan dit verzoek gehoor gegeven.


2.2.

De rechtbank Almelo heeft geoordeeld dat [eisers] daarmee onrechtmatig hebben gehandeld jegens [H], omdat [H] daartoe geen opdracht had gegeven aan [eisers] Dit oordeel is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 7 februari 2012 bekrachtigd. [eisers] dienen de door [H] geleden schade te vergoeden.


2.3.

Bij eindvonnis van 3 april 2013 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, kort gezegd, [eisers] veroordeeld om aan [H] te voldoen het bedrag van € 30.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast zijn [eisers] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. [eisers] hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.


2.4.

[2013] is [H] overleden.


2.5.

In het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 7 augustus 2013 bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het proces-verbaal) staat - onder meer - het volgende vermeld:


“(…)


verschenen:

  • - [eiser], in persoon, bijgestaan door mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Edam,
  • - [gedaagde 1] en [gedaagde 3], erven van wijlen [H], bijgestaan door mr. J.C. van Nie, advocaat te Almelo.

(…)


Mr. Van Nie verklaart dat partij [H] op [2013] is overleden. De gezamenlijke erfgenamen wensen de procedure voort te zetten. Mr. Van Nie is gemachtigd om namens de gezamenlijke erfgenamen op te treden. Mr. Zegers refereert zich daaraan.


(…)


Partijen komen ter beëindiging van hun geschil, bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.126.258, het volgende overeen.


1. [eiser] betaalt aan partij [H] een bedrag van € 25.000,--.


2. Betaling zal plaatsvinden door overmaking op rekeningnummer [xxxx] ten name van Stichting Derdengelden Brusse en Masselink.


3. Deze betaling vindt plaats op uiterlijk 30 september 2013.

4. Partijen verklaren reeds nu dat zij, na voldoening van voormelde schuld, over en weer niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben ter zake van de in het geding zijnde kwestie en zij verlenen elkaar reeds nu en voor alsdan over en weer finale kwijting.


(…)


Na voorlezing volhard en ondertekend.


[eiser], [gedaagde 3]

Mede namens [eiseres]

[gedaagde 1]


(…)”


2.6.

Op 13 augustus 2013 is het hoger beroep doorgehaald.


2.7.

Bij brief van 1 oktober 2013 heeft mr. Van Nie [eisers] - kort gezegd - medegedeeld dat hij, omdat betaling van het bedrag van € 25.000,-- is uitgebleven, waardoor [eisers] in verzuim zijn, de schikkingsovereenkomst, zoals die in het proces-verbaal is neergelegd, ontbindt en dat de deurwaarder opdracht is gegeven de executie voort te zetten.


2.8.

Op 5 december 2013 is op verzoek van [H] ten laste van [eisers] executoriaal beslag gelegd op het perceel wonen, erf- tuin, staande en gelegen te [plaats], aan het [adres], kadastraal bekend gemeente [X], sectie [Y], nummer [000], groot 17 are en 85 centiare (hierna: het woonhuis).


2.9.

Op 20 maart 2014 is dit beslag opgevolgd door eenzelfde beslag namens de erfgenamen van [H].


3De vordering in de hoofdzaak


3.1.

De vordering luidt - samengevat - om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [gedaagden] misbruik van recht maken door een executie-opdracht tot veiling te handhaven en/of ten uitvoer te brengen met betrekking tot het woonhuis, (enkel) op basis van het vonnis van 3 april 2013 van de rechtbank Oost Nederland (lees: rechtbank Overijssel), zittingsplaats Almelo, en als executant [H] respectievelijk de erven (zonder duiding van hun rechtspositie), met veroordeling van de erven hoofdelijk des de één betalende de ander zal hebben bevrijd, tot vergoeding van de schade die [eisers] reeds hebben geleden of nog zullen lijden als gevolg van dit onrechtmatig handelen zijdens [H], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de wettelijke rente gerekend vanaf 5 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, en met veroordeling van de erven in de proceskosten


3.2.

[eisers] hebben aan de vordering - samengevat weergegeven - de navolgende stellingen ten grondslag gelegd. Er kan niet namens [H] zelf worden geëxecuteerd. Op basis van het vonnis van 3 april 2013 kan evenmin door de erven worden geëxecuteerd. In het exploot van 5 december 2013 hebben de erven niet tot uitdrukking gebracht dat [H], nadat het vonnis is gewezen, is komen te overlijden en dat de erven de nalatenschap vol hebben aanvaard en dientengevolge als rechtsopvolgers onder algemene titel de vordering overnemen en deze verder (gerechtelijk respectievelijk executoriaal) vervolgen. Voorts stellen [eisers] dat een gerechtelijk tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst vervat in een proces-verbaal van een gerechtshof, niet eenzijdig kan worden opgezegd.


4De vordering in het incident ex artikel 223 Rv


4.1.

Deze vordering luidt om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de erven te bevelen iedere (verdere) executiehandeling te staken en gestaakt te houden, zolang niet door de rechtbank in de hoofdzaak is beslist, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat de erven zowel gezamenlijk als ieder individueel in strijd met dit bevel handelen, met veroordeling van de erven in de kosten van het incident.


4.2.

[eisers] hebben aan deze vordering, naast het in de hoofdzaak gestelde, ten grondslag gelegd dat Rabobank hen heeft meegedeeld dat zij de executieveiling van het woonhuis zal overnemen. [eisers] hebben derhalve recht en belang bij de provisionele vordering.


5Het verweer in het incident


5.1.

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.


5.2.

[gedaagden] hebben daartoe - kort weergegeven - het navolgende aangevoerd. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal waren [eisers] deugdelijk geïnformeerd omtrent het overlijden van [H] en het feit dat gedaagden de procedure wensten voort te zetten. Zij kunnen zich dan ook niet verzetten tegen de executie van het vonnis van 3 april 2013 op naam van [H]. [eisers] wisten namelijk, althans behoorden te weten, dat het beslagexploot van 5 december 2013 (mede) namens de erven was uitgebracht. Om de discussie te beëindigen is op 20 maart 2014 door [gedaagden] een opvolgend beslag gelegd op de woning van [eisers] Door de doorhaling van het hoger beroep is het vonnis van 3 april 2013 onherroepelijk geworden en staat niets meer aan de executie in de weg. De vaststellingsovereenkomst, als vervat in het proces-verbaal, is een door partijen gezamenlijk tot stand gebrachte vaststelling van hun verplichtingen. Op grond van artikel 6:265 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een dergelijke overeenkomst buitengerechtelijk worden ontbonden (vgl. Hof Arnhem, 3 februari 2009, RCR 2009, 30). Aan het voorgaande kan nog worden toegevoegd dat [eisers] in strijd hebben gehandeld met de substantiëringsplicht. Zij hebben namelijk verzuimd om in de dagvaarding te vermelden dat zij wisten, en in ieder geval behoorden te weten, dat [H] was overleden, dat de procedure door [gedaagden] werd voortgezet en dat [gedaagden], zekerheidshalve, op 20 maart 2014 een opvolgend beslag op de onroerende zaak van [eisers] hebben doen leggen. [eisers] motiveren voorts niet waaruit hun recht en belang bij de incidentele vordering bestaat, zodat met dit standpunt geen rekening kan worden gehouden.


6De akte uitlating productie

6.1.

In deze akte hebben [eisers] gereageerd op het door [gedaagden] overgelegde beslagexploot van 20 maart 2014. Zij stellen - kort weergegeven - dat dit exploot nietig althans non-existent is, aangezien in het exploot bepaalde aanzeggingen ontbreken dan wel niet volledig zijn opgenomen. Zo is niet aangezegd dat [H] op [2013] is overleden, dat [gedaagden] als rechtsopvolgers onder algemene titel van [H] hebben te gelden doordat zij de nalatenschap vol en onvoorwaardelijk hebben aanvaard, dat zij vanuit die hoedanigheid als rechtsopvolgers onder algemene titel acteren en uit dien hoofde thans wensen te komen tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 april 2013. Het exploot van 20 maart 2014 heeft derhalve niet kunnen gelden als een rechtsgeldige titel voor een daarop te baseren executoriaal beslag. Het vonnis is niet tussen [eisers] en [gedaagden] gewezen.


7De beoordeling en motivering

In het incident

Processuele aspecten


7.1.

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Een voorlopige voorziening als hier bedoeld kan pas worden gevorderd indien en nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt, terwijl de incidentele vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de onderhavige incidentele vordering aan deze criteria wordt voldaan, zodat [eisers] ontvankelijk zijn in hun vordering.


7.2.

De rechtbank zal voorbij gaan aan het verweer van [gedaagden] dat [eisers] niet aan hun substantiëringsplicht hebben voldaan. Aan het niet voldoen aan de verplichting, genoemd in artikel 111 lid 3 Rv heeft de wetgever geen sanctie verbonden. Weliswaar kan er onder omstandigheden aanleiding bestaan om aan overtreding van het voormelde voorschrift consequenties te verbinden wat betreft de proceskostenveroordeling, maar niet gesteld of gebleken is dat zich in deze zaak een dergelijke situatie heeft voorgedaan.


Inhoudelijke beoordeling


7.3.

De rechtbank stelt voorop dat in het proces-verbaal van 7 augustus 2013 staat vermeld dat [H] op [2013] is overleden en dat de gezamenlijke erfgenamen de procedure wensen voort te zetten. [eisers] zijn er derhalve mee bekend dat [H] is overleden en dat er erfgenamen zijn.


7.4.

In de vaststellingsovereenkomst als vervat in het proces-verbaal van 7 augustus 2013 is overeengekomen dat [eisers] een bedrag van € 25.000,-- aan partij [H] zal betalen en dat deze betaling zal plaatsvinden door overmaking op het rekeningnummer van de Stichting Derdengelden Brusse en Masselink.


7.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] niet aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan.


7.6.

De vraag of de vaststellingsovereenkomst door de brief van 1 oktober 2013 van mr. Van Nie is ontbonden, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Het betoog van [eisers] dat een gerechtelijk tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, vervat in het proces-verbaal van een gerechtshof van 7 augustus 2013, niet eenzijdig kan worden opgezegd, slaagt niet. De in artikel 7:905 BW neergelegde beperkingen gelden niet voor het geval de ontbinding, een zoals hier, door partijen gezamenlijk tot stand gebrachte vaststelling betreft. Dit betekent dat voor de vraag of de vaststellingsovereenkomst door de brief van 1 oktober 2013 is ontbonden, niet artikel 7:905 BW, maar de algemene artikelen 6:265 e.v. BW richtinggevend zijn (vgl. Hof Arnhem, RCR 2009, 30). Tussen partijen is niet in geschil dat met de brief van 1 oktober 2013 is voldaan aan de verplichtingen van artikel 6:267 BW.


7.7.

Uit het bovenstaande volgt dat de erfgenamen van [H] als rechtsopvolgers onder algemene titel in beginsel het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van de rechtbank van 3 april 2013 kunnen gaan executeren, mits artikel 431a Rv in acht wordt genomen.


7.8.

Artikel 431a Rv bepaalt dat, indien de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat, de executie eerst kan worden aangevangen of voortgezet na de betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde.


7.9.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het betoog van [eisers] dat het exploot van 20 maart 2014 niet kan gelden als een rechtsgeldige titel voor een daarop te baseren executoriaal beslag. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.


7.10.

Artikel 431a Rv dient om duidelijkheid te verschaffen aan de schuldenaar over de vraag aan wie hij rechtsgeldig kan betalen. In beginsel is het voldoende dat de overgang van de executiebevoegdheid aan de executieschuldenaar wordt aangezegd. De analogie met artikel 3:94 BW brengt echter mee dat kan worden verlangd dat een bewijsstuk, in het onderhavige geval, een verklaring van erfrecht, van de rechtsovergang wordt betekend.

De rechtbank stelt vast dat de overgang van de executiebevoegdheid, met een bewijsstuk in de vorm van een verklaring van erfrecht, niet aan [eisers] is betekend. Met het exploot van 20 maart 2014 hebben [gedaagden] executoriaal beslag gelegd op de woning van [eisers], doch hebben zij niet de overgang van executiebevoegdheid aangezegd. Vorenstaande betekent echter niet dat dat dit de gevorderde staking van (verdere) executiehandelingen gedurende de bodemprocedure rechtvaardigt. Immers zodra de overgang van de executiebevoegdheid en de verklaring van erfrecht aan [eisers] zijn betekend, kunnen de erfgenamen (opnieuw) executiehandelingen (laten) verrichten. Inachtneming van het vorenstaande volstaat. De overige door [eiser] gestelde ontbrekende aanzeggingen, zijn niet noodzakelijk.


7.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de incidentele vordering van [eisers] zal worden toegewezen in die zin dat [gedaagden] zullen worden bevolen om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere (verdere) executiehandeling te staken en gestaakt te houden totdat zij de overgang van de executiebevoegdheid met een bewijsstuk in de vorm van een verklaring van erfrecht, aan [eisers] hebben doen betekenen. De gevorderde dwangsom is toewijsbaar, maar zal worden gemaximeerd.


7.12.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagden] worden veroordeeld in de kosten van dit incident.




In de hoofdzaak


7.13.

De rechtbank zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol van 11 maart 2015 voor

conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden].


7.14.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.


8De beslissing

In het incident

De rechtbank


8.1.

Beveelt [gedaagden] om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere (verdere) executiehandeling uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Overijssel van 3 april 2013, locatie Almelo, (zaaknummer: C\08\132523 HA ZA 12/379) te staken en gestaakt te houden totdat zij de overgang van de executiebevoegdheid met een bewijsstuk in de vorm van een verklaring van erfrecht aan [eisers] hebben doen betekenen.


8.2.

Veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 5.000,-- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [gedaagden] zowel gezamenlijk als ieder individueel in strijd handelen met het in 8.1. gegeven bevel, tot een maximum van in totaal € 50.000,-- is bereikt.


8.3.

Veroordeelt [gedaagden] in de kosten van dit incident, tot op de uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 282,-- aan griffierecht en € 452,-- aan salaris van de advocaat.


8.4.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.


8.5.

Wijst af het meer of anders gevorderde.


In de hoofdzaak



8.6.

Stelt [gedaagden] in de gelegenheid te concluderen voor antwoord en verwijst de zaak daarvoor naar de rol van 11 maart 2015.


8.7.

Houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. van der Veer en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.

1 type: coll: