Rechtbank Overijssel, 27-02-2015 / C/08/167089 / KG ZA 15-21


ECLI:NL:RBOVE:2015:1049

Inhoudsindicatie
Kort geding. Opheffen executoriaal derdenbeslag wegens het niet verbeurd zijn van dwangsommen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van deze zaak miniem is (zo al schending van het dwangsomvonnis, dan nog is het belang circa €25,-). Advocaten dienen zich te realiseren dat door de overheid gefinancierde rechtshulp een (kwetsbaar) groot goed is, dat niet moet worden misbruikt om mee te werken aan pesterij op laag niveau. De voorzieningenrechter heft het executoriaal derdenbeslag op en compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-27
Publicatiedatum
2015-02-27
Zaaknummer
C/08/167089 / KG ZA 15-21
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Prg. 2015/100
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/167089 / KG ZA 15-21

datum vonnis: 27 februari 2015 (jk)


Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:



[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaten: mrs. M.H. Hasselo en J. Sleeswijk Visser te Nijverdal,


tegen



[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. E.D. Breuning ten Cate te Almelo.



Partijen zullen hierna als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ worden aangeduid.


1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, inclusief producties

- de mondelinge behandeling


1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.


2De feiten


2.1.

In deze zaak staat het navolgende vast.


2.2.

Op 16 september 2014 heeft de kantonrechter in deze rechtbank vonnis (hierna: ‘het vonnis’) gewezen in de procedure tussen partijen met zaaknummer 2604372 \ CV EXPL 13-6953 welk dictum als volgt luidt:






“5. De beslissing


De kantonrechter:


In conventie


5.1.

Veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.537,50.


5.2.

Veroordeelt [eiser] om binnen één week na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] af te geven door bezorging ten huize van de ouders van [gedaagde] de computer van het merk Packard Bell en de speelgoedtrekker van het merk Siku, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 1.000,--.


In reconventie


5.3.

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.573,34.


In conventie en reconventie


5.4.

Verklaart het vonnis wat betreft de onderdelen 5.1. tot en met 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.


5.5.

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.


5.6.

Wijst af het meer of anders gevorderde.”


2.3.

Voornoemd vonnis is op 1 oktober 2014 door [gedaagde] aan [eiser] betekend.


2.4.

[eiser] heeft de computer (zonder randapparatuur) en de speelgoedtrekker aan [gedaagde] afgegeven.


2.5.

Bij brief van 6 oktober 2014 heeft de advocaat van [gedaagde] kort gezegd laten weten dat [eiser] de computer incompleet zou hebben afgegeven, aangezien muis, toetsenbord en beeldscherm ontbraken en dat bovendien zou zijn gebleken dat de harde schijf in de afgeleverde computer niet de originele harde schijf is.


2.6.

De advocaat van [eiser] heeft vervolgens bij brief van 15 oktober 2014 te kennen gegeven dat volgens de definitie van het begrip ‘computer’ in de Dikke van Dale, een ‘computer’ een elektronisch apparaat is voor het opslaan en verwerken van gegevens, met andere woorden een computer is de systeemkast met moederbord en niet de randapparaten zoals beeldscherm, toetsenbord, muis, printer en dergelijke. Om die reden zou [eiser] wel degelijk hebben voldaan aan het vonnis, meer specifiek zou hij niets meer verschuldigd zijn aan [gedaagde] en ook geen dwangsom hebben verbeurd.


2.7.

[gedaagde] heeft zich bij exploot van 30 oktober 2014 op het standpunt gesteld dat [eiser] de in het vonnis opgelegde dwangsommen (wegens niet tijdige afgifte van de goederen) verschuldigd was en bevel gedaan deze dwangsommen ten bedrage van € 1.000,-, te vermeerderen met betekenings- en overige explootkosten, aan haar te betalen.


2.8.

Bij schrijven van 10 november 2014 heeft [eiser] de deurwaarder bericht dat door hem tijdig aan het vonnis is voldaan, zodat hij geen dwangsommen verschuldigd kon zijn.


2.9.

Vervolgens heeft [gedaagde] op 27 november 2014 executoriaal derdenbeslag doen leggen onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzkeringen op de door hem van het UWV te ontvangen uitkering.


2.10.

Het gelegde executoriale derdenbeslag is op 5 december 2014 aan [eiser] betekend.


2.11.

Conform de verklaring derdenbeslag wordt op de netto-uitkering van [eiser] ad

€ 1.040,74 ingehouden een bedrag ad € 184,25.


3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het executoriale beslag op te heffen, subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot opheffing van het executoriale beslag op straffe van verbeurte van een dwangsom, meer subsidiair de executie van het vonnis te schorsen totdat een uitspraak in een bodemprocedure over de omvang van het begrip ‘computer’ in deze zaak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan en nog meer subsidiair [gedaagde] te verbieden over te gaan tot executie van het vonnis, dan wel verdere executiemaatregelen jegens [eiser] te treffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

En zowel primair als (meer/nog meer) subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling aan [eiser] van alle door UWV ten gevolge van het executoriale derdenbeslag op [eiser]’s uitkering ingehouden gelden, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.


3.2.

Daartoe stelt [eiser] kort gezegd dat hij door afgifte van de computer volledig heeft voldaan aan de aan hem opgelegde veroordeling in het vonnis van 16 september 2014, zodat hij om die reden ook geen dwangsommen heeft verbeurd. Het door [gedaagde] gelegde executoriaal derdenbeslag is derhalve onrechtmatig gelegd.


3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling


4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het door [eiser] gestelde spoedeisend belang voort uit de aard van het gevorderde. Partijen zijn ter zitting in de gelegenheid gesteld de zaak alsnog in de minne te schikken, maar dat heeft ondanks een schorsing van de behandeling van een half uur niet tot een minnelijk resultaat geleid.


4.2.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [gedaagde] gerechtigd was om op 30 oktober 2014 over te gaan tot het leggen van executoriaal derdenbeslag op de uitkering van [eiser], stellende dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de veroordeling bij vonnis van 16 september 2014. Meer in het bijzonder is in geschil of [eiser] dwangsommen heeft verbeurd en of het door [gedaagde] gelegde executoriale derdenbeslag misbruik van bevoegdheid oplevert of als onrechtmatig handelen is aan te merken.


4.3.

In een geschil over de executie van dwangsommen moet allereerst worden vastgesteld wat doel en strekking zijn van de veroordeling waaraan de dwangsommen zijn verbonden. Daarbij geldt dat de veroordeling niet verder mag strekken dan ter bereiking van het daarmee beoogde doel. De draagwijdte van een gegeven verbod of bevel dient aldus beperkt te worden uitgelegd. Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd moeten vervolgens de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen worden getoetst aan de inhoud van de veroordeling. Daarbij geldt dat geen dwangsommen zijn verbeurd indien het onredelijk zou zijn van de veroordeelde meer inspanningen en zorgvuldigheid te vergen dan zij heeft betracht. Voorts is van belang dat een dwangsom pas gaat “lopen” na betekening van het vonnis (artikel 611a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).


4.4.

Partijen hadden een (relatief) eenvoudige zaak, waarbij beide partijen zijn veroordeeld tot betaling van een geldsom aan hun wederpartij en [eiser] bovendien is veroordeeld tot afgifte van enkele goederen, waaronder een ‘computer’. Hoewel [eiser] van mening is dat beide partijen aan voornoemd vonnis hebben voldaan, is [gedaagde] daarentegen van mening dat [eiser] niet volledig aan het vonnis heeft voldaan omdat hij slechts de systeemkast heeft teruggegeven zonder toetsenbord, scherm et cetera. Bovendien, zo stelt [gedaagde] voorts, dateert de computer uit 2010 en is na onderzoek gebleken dat de harde schrijf uit 2000 dateert. Kortom, [eiser] heeft niet afgegeven waar hij conform het vonnis toe was gehouden.


4.5.

Ten aanzien van laatstgenoemd verwijt stelt [eiser] geen verstand te hebben van computers en dat hij de computer bij de leverancier heeft laten repareren na blikseminslag, waarbij hij dan ook ontkent doelbewust een gedateerde harde schijf in de computer te hebben geplaatst. Wat daar ook van zij, het is niet in deze kort gedingprocedure uit te maken wie van partijen hierover de waarheid spreekt.


4.6.

Zoals reeds overwogen is de kernvraag in dit kort geding of [eiser] dwangsommen heeft verbeurd wegens het feit dat hij niet volledig aan de veroordeling als geformuleerd in het vonnis heeft voldaan door slechts de systeemkast zonder randapparatuur af te geven. De voorzieningenrechter is er met [gedaagde] van overtuigd dat met het (slechts) afgeven van de systeemkast bij [eiser] veeleer de bedoeling van kinderachtig pesten heeft voorgezeten dan een edele behoefte het vonnis naar de precieze taalkundige betekenis van de gebruikte termen na te komen. Dat neemt niet weg dat [eiser] aan de letterlijke tekst van de veroordeling, gebaseerd op het door [gedaagde] geformuleerde petitum, heeft voldaan.


4.7.

Aldus is de situatie ontstaan dat [eiser] de randapparatuur, gelet op de leeftijd ter waarde van circa € 25,--, niet heeft afgegeven, waarna de zaak is geëxplodeerd. In plaats van het alsnog afgeven van de voor hem waardeloze randapparatuur ([eiser]), dan wel berusten in het resultaat van een beperkt geformuleerd petitum en het voor € 25,-- aanschaffen van vergelijkbare randapparatuur ([gedaagde]), kiezen partijen en hun advocaten voor een andere weg. Met toevoegingsmachtsvertoon doet [gedaagde] (voor haar gratis) executoriaal beslag leggen omdat de goederen ter waarde van € 25,-- naar haar mening ten onrechte niet zijn afgegeven. Vervolgens ziet [eiser] zich dan gedwongen een volgende door de overheid gefinancierde procedure te beginnen. Het is weinig behoorlijk (van beide partijen en hun advocaten die in deze kinderachtige ruzie vrolijk hun diensten leveren) om op deze manier (verder) te procederen om maar hun ‘gelijk’ te halen, steeds met gebruikmaking van door de overheid gefinancierde rechtshulp. Een keuze die, zouden partijen en/of hun advocaten de kosten van al deze acties volledig en zelf moeten dragen (enkele duizenden euro’s), zij in dat geval nimmer zouden hebben gemaakt.

Uiteraard is het belang van een procedure niet altijd af te meten aan een op geld waardeerbaar belang, maar het belang van deze zaak is zeer miniem nu het zich nog enkel toespitst op het begrip ‘computer’ en vrijwel waardeloze goederen (viereneneenhalf jaar oude muis, toetsenbord en beeldscherm). Hier is een rol voor de serieuze advocaat (immers dominus litis en niet His Master’s Voice) weggelegd om zijn/haar cliënt(e) zich er van te laten doordringen dat een dergelijke pesterij met een miniem belang geen inzet van (nog) een juridische procedure kan zijn. Ook al worden advocaten bepaald niet rijk van toevoegingszaken, zij dienen zich te realiseren dat door de overheid gefinancierde rechtshulp een (kwetsbaar) groot goed is, dat niet moet worden misbruikt om mee te werken aan pesterij op laag niveau.

De in de dagvaarding opgenomen meer subsidiaire vordering van [eiser] tot schorsing van het beslag om ten aanzien van de uitleg van het begrip ‘computer’ in deze kwestie ook nog een bodemprocedure te gaan voeren maakt pijnlijk duidelijk hoezeer de weg is kwijt geraakt.


4.8.

Gelet op het voorgaande maakt [gedaagde] misbruik van bevoegdheid door het nagekomen vonnis te executeren en dus zal de voorzieningenrechter het beslag zelf opheffen, zodat er ook geen reden is voor het opleggen van de gevorderde dwangsommen.


4.9.

De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat [gedaagde] (gedeeltelijk) in het ongelijk is gesteld maar [eiser] in deze ook verwijtbaar heeft gehandeld, reden om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat leidt tot het onbevredigende resultaat dat de Staat opdraait voor het grootste deel der kosten, maar voorkomt dat partijen wederom de beschikking krijgen over een titel waarmee zij kostbare streken kunnen uithalen.

In het verleden kon de rechter, indien hij van oordeel was dat de toevoegingen ten onrechte waren verstrekt, deze vernietigen. Daar is in dit geval alle aanleiding voor, maar de wettelijke bevoegdheid ontbreekt. De Raad voor de Rechtsbijstand heeft deze bevoegdheid echter wel. Vernietiging van de in deze zaak verstrekte toevoegingen zou het effect hebben dat aan het hier betoonde gechicaneer minder overheidsgelden worden verspild en op die manier zouden partijen en hun advocaten de zure vruchten plukken van hun onbehoorlijk gedrag.



De beslissing


De voorzieningenrechter:


I. Heft op het executoriaal derdenbeslag dat [gedaagde] op 27 november 2014 ten laste van [eiser] heeft gelegd.


II. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.


IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.