Rechtbank Overijssel, 04-02-2015 / C/08/142713 HA ZA 13-571


ECLI:NL:RBOVE:2015:1084

Inhoudsindicatie
Faillissement. Actio pauliana. Geen stille verpanding. Ingeval van stille cessie bij onderhandse akte geldt registratie van de akte ingevolge artikel 3:94 lid 3 BW als constitutief vereiste. Van registratie blijkt in dit geval echter niets. De rechtbank moet daarom oordelen dat geen stille cessie van vorderingen heeft plaatsgehad. De schuldeisers van gefailleerde zijn door de gestelde cessie en/of verpanding benadeeld nu mededeling daarvan aan de debiteuren heeft geleid tot betalingen aan een ander dan gefailleerde. Deze rechtshandeling(en) zijn aangegaan tussen vennootschappen met dezelfde bestuurder, met als doel om de opbrengst van handelsvorderingen van gefailleerde ten goede te laten komen aan een ander dan gefailleerde. De curator heeft op goede gronden de nietigheid van deze paulianeuze handelingen ingeroepen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-04
Publicatiedatum
2015-03-03
Zaaknummer
C/08/142713 HA ZA 13-571
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • INS-Updates.nl 2015-0029
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/142713 HA ZA 13-571

datum vonnis: 4 februari 2015


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:


mr. Jan van der Hel, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidBouwstaal en Wapeningstechniek Twenthe B.V.,

gevestigd te Almelo,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,verder te noemen de curator,

advocaat: mr. G.W. Weenink te Almelo,

en


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

verder te noemen de Holding,

advocaat: mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo.

1De procesgang


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:- de dagvaarding, met producties,- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties,- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties,- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, met een productie,- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte in conventie, met een productie, en- een antwoordakte zijdens de Holding.


1.2

Partijen hebben vonnis gevraagd. De datum van de uitspraak is, na aanhouding, vastgesteld op vandaag.




2De feiten


In conventie:


2.1.

De volgende feiten kunnen, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet gemotiveerd betwist, als vaststaand worden aangenomen.


2.2.

Bij vonnis van 20 maart 2013 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bouwstaal- en Wapeningstechniek Twenthe B.V. (verder Bouwstaal te noemen) in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. J. van der Hel als curator. Het faillissement werd uitgesproken op verzoek van de bestuurder van de vennootschap, [A]. Enig aandeelhouder van Bouwstaal was [Y] Enig aandeelhouder van [Y] is [X].


2.3.

Op 2 januari 2011 leende de Holding bij schriftelijke overeenkomst van geldlening aan Bouwstaal een bedrag van € 207.000,-. Terugbetaling was opeisbaar per 1 januari 2015. Per 31 december 2012 bedroeg het restant van de leenschuld € 157.003,50.


2.4.

Deze overeenkomst houdt, voor zover hier van belang, nog het volgende in:“De schuldeiser is met schuldenaar overeengekomen om per de datum van ondertekening van deze overeenkomst tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van het niet afgeloste gedeelte van de hoofdsom en de rente tot meerdere zekerheid heeft overgedragen haar vorderingen op debiteuren en voorts verpanding van de voorraad goederen en inventaris.”


2.5.

In de periode van 31 december 2012 tot en met 20 maart 2013 hebben verscheidene debiteuren van Bouwstaal betalingen gedaan aan de Holding. Deze betalingen werden in mindering gebracht op de vordering van de Holding op Bouwstaal uit hoofde van de geldlening. Dit leidde ertoe dat de leenschuld van Bouwstaal aan de Holding van € 157.003,50 op 31 december 2012 werd teruggebracht tot € 187,80 op of omstreeks de faillissementsdatum, 20 maart 2013.


2.6.

Op 20 en op 27 februari 2013 heeft Bouwstaal aan haar debiteuren bericht dat haar vorderingen per 2 januari 2013 waren verpand aan de Holding.


2.7.

Op 26 februari 2013 heeft de Holding aan de belastingdienst geschreven als volgt:“Bijgaand ontvangt u de pandlijst debiteuren per 22 februari 2013.Wij verzoeken u deze als akte voor een stille cessie van vorderingen namens [X] te registreren.”


2.8.

Op 28 februari 2013 heeft Bouwstaal aan de fiscus gemeld dat zij in betalingsonmacht verkeerde.


2.9.

Op 4 maart 2013 heeft de Holding aan Bouwstaal € 22.000,- geleend, waarbij een looptijd werd overeengekomen van enkele maanden. De lening was bestemd om te kunnen voldoen aan betalingsverplichtingen van Bouwstaal jegens werknemers, leveranciers en de fiscus. Deze lening is op 4 en 7 maart 2013 verrekend door middel van betalingen aan de Holding door debiteuren van Bouwstaal.

2.10.

Op de datum van het faillissement van Bouwstaal, 20 maart 2013, stond een bedrag aan handelscrediteuren open van € 273.337,47.


In reconventie:


2.11.

Bij e-mailbericht van 22 maart 2013 heeft een medewerker van de curator aan een administratief medewerkster van de Holding, mevrouw [B], geschreven als volgt:“Geachte mevrouw [B],De door [X] te ontvangen debiteurenbetalingen van BWT na 20-03 dient u over te boeken naar de boedelrekening met nummer [xxxx] t.n.v. mr. J. van der Hel q.q. curator, aangehouden bij de SNS Bank te Almelo.Met vriendelijke groet,[C]Insolventiemedewerker”


2.12.

Op 22 maart, 26 maart en 28 maart 2013 hebben enkele debiteuren van Bouwstaal betalingen aan de Holding gedaan tot in totaal € 90.156,82.


2.13.

Op 22 maart, 26 maart en 29 maart 2013 heeft de Holding bedragen tot in totaal € 90.156,82 overgemaakt naar de faillissementsrekening van Bouwstaal.


2.14.

Op 8 mei 2013 schreef de curator, voor zover hier van belang, aan de rechter-commissaris in het faillissement Bouwstaal als volgt:“(…) Vanaf de datum van het faillissement zijn de debiteuren (…) blijven betalen aan de Holding. Uit het rekening-courantoverzicht blijkt echter dat de holding op de datum van het faillissement geen vordering meer had op de (..) gefailleerde (..) vennootschap.Na de datum van het faillissement zijn de bedragen, bij de Holding (zijn) binnengekomen doorgeboekt naar de faillissementsrekening. (…)De debiteuren, die bleven betalen na datum van het faillissement, hebben bevrijdend betaald. Immers, deze betalingen gebeurden naar aanleiding van de aanschrijving van de Holding en de Werkmaatschappij (Bouwstaal), beiden ondertekend door de heer [A]. (…..) De faillissementsboedel van Bouwstaal (…) constateerde dat er bedragen stonden bij Holding (..) waar de Holding geen recht op had. Deze bedragen zijn doorgeboekt naar de faillissementsrekening. Enerzijds was zulks een voortzetting van de gebruikelijke gang van zaken, welke reeds plaatsvond vanaf 7 maart 2013, en anderzijds heeft de heer [A] aan ondergetekende zelf aangegeven dat het “surplus” doorgeboekt kon worden naar de boedel (…). Geconstateerd moet dan ook worden dat (…) de Holding bedragen onder zich had waar de Holding geen recht op had. De debiteuren hebben op rechtsgeldige wijze betaald. Deze betalingen zijn nota bene geschied naar de Holding toe op uitdrukkelijk verzoek van de heer [A]. Het juridische resultaat is dat (…) de Holding het “surplus” diende over te boeken naar de faillissementsboedel.De Holding (..) verzoekt thans om de betalingen van in totaal (..) € 90.156,82 ongedaan te maken. Aan dit verzoek kan (…)niet worden voldaan, eenvoudigweg omdat de Holding geen rechthebbende is op dit saldo.” 2.15. Op 14 mei 2013 heeft de rechter-commissaris het in de brief van de curator weergegeven verzoek van de Holding afgewezen. In hoger beroep heeft de rechtbank deze beslissing op 10 juni 2013 bekrachtigd.3. De vorderingen


In conventie: 3.1. In aanvulling op de hiervoor in r.o. 2.1 tot en met 2.9 vastgestelde feiten heeft de curator het volgende gesteld.


3.2.

Er is geen akte opgemaakt van verpanding van de handelsvorderingen van Bouwstaal aan de Holding. Er is ook geen overeenkomst van cessie, waarbij Bouwstaal haar vordering aan de Holding heeft gecedeerd.


3.3.

Op 20 en op 27 februari 2013 heeft Bouwstaal aan haar debiteuren bericht dat haar vordering per 2 januari 2013 waren verpand aan de Holding. Dit bericht was onjuist, maar heeft wel tot gevolg gehad dat debiteuren van Bouwstaal aan de Holding zijn gaan betalen, zoals de rechtbank hiervoor in r.o. 2.5 heeft vastgesteld.


3.4.

Als er toch sprake is van een verpanding en/of cessie vallen deze onder het bereik van de artikelen 42 en 43 Faillissementswet. De curator heeft daarom de nietigheid van deze cessie en verpanding ingeroepen.


3.5.

De hiervoor in r.o. 2.4 geciteerde passage in de overeenkomst van geldlening d.d. 2 januari 2011 is onduidelijk. Uit deze tekst valt niet af te leiden dat vorderingen zijn verpand. Een formele pandakte ontbreekt.


3.6.

Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat deze tekst in de geldleningsovereenkomst kan gelden als een akte tot verpanding aan de Holding van handelsvorderingen van Bouwstaal, dan kan deze niet aan de boedel met succes worden tegengeworpen, omdat weliswaar een registratie heeft plaatsgevonden, maar pas (ongeveer) drie weken vóór het faillissement van Bouwstaal, namelijk op 28 februari 2013.


3.7.

De schuldeisers van Bouwstaal zijn benadeeld door de cessie en/of verpanding, zoals door de Holding gesteld. Dit geldt te meer, nu de gestelde rechtshandeling(en) tussen de Holding en Bouwstaal is of zijn aangegaan tussen vennootschappen met dezelfde bestuurder. Het oogmerk van benadeling van schuldeisers is dan in beginsel gegeven (HR 7 maart 2003, NJ 2003, 128, Cikan/Siemon qq).


3.8.

De vorderingen van de Holding op Bouwstaal zijn dus afgelost door middel van incasso door de Holding van debiteuren van Bouwstaal. De Holding was niet gerechtigd tot die incasso. De schuldeisers van Bouwstaal zijn daardoor benadeeld tot een bedrag van in totaal € 179.003,50.


3.9.

Op grond van het voorgaande vordert de curator (zakelijk samengevat) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. voor recht te verklaren:- dat het verrekenen van de restant openstaande leningen aan Bouwstaal met betalingen van debiteuren van Bouwstaal getroffen wordt door de artikelen 42 en 43 Faillissementswet, zodat de curator terecht de nietigheid van die verrekeningen heeft ingeroepen,- dat in deze geen sprake is van een rechtsgeldige cessie en, voor het geval dat wel het geval zou zijn, deze wordt getroffen door de artikelen 42 en 43 Faillissementswet, zodat de curator terecht de nietigheid van die cessie heeft ingeroepen,- dat in deze geen sprake is van een rechtsgeldige verpanding, zodat de curator terecht de nietigheid van die verpanding heeft ingeroepen, en- dat de terugbetaling, middels verrekening van de geldlening d.d. 4 maart 2013 op respectievelijk 4 en 7 maart 2013 eveneens wordt getroffen door de artikelen 42 en 43 Faillissementswet, zodat de curator terecht de nietigheid van die verrekening heeft ingeroepen, enII. de Holding te veroordelen tot betaling van € 179.003,50 met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, en met veroordeling van de Holding in de proceskosten.


3.10

De Holding bestrijdt de eis van de curator op de volgende gronden. De artikelen 42 en 43 Faillissementswet zijn niet van toepassing. De overeenkomst van geldlening van 2 januari 2011 is meer dan twee jaren vóór de faillissementsdatum tot stand gekomen, en bij die overeenkomst heeft de Holding een pandrecht gekregen op de handelsvorderingen van Bouwstaal.


3.11.

De Holding heeft met deze geldlening aan Bouwstaal de nodige financiering verschaft voor één of meer bepaalde projecten. Op die wijze werkten de Holding en Bouwstaal al verscheidene jaren samen: de Holding verstrekte leningen, die Bouwstaal telkens na afloop van de desbetreffende projecten weer afloste.


3.12.

In feite ging het om een vorm van doorlopend krediet. Van een ongeoorloofde financiële constructie was daarbij nooit sprake. Het was geen opgetuigde constructie met als doel om gelden aan de failliete boedel te onttrekken.


3.13.

In de overeenkomst van geldlening van 2 januari 2011 zijn de handelsvorderingen van Bouwstaal aan de Holding verpand. De verpanding geldt ook voor de lening van € 22.000,- d.d. 4 maart 2013. Aan alle vereisten voor bezitloos pandrecht is voldaan. De Holding heeft ook een recht van vuistpand verkregen. Van paulianeus handelen was geen sprake. De Holding heeft tijdig een pandlijst bij de Belastingdienst laten registreren, namelijk op 28 februari 2013.


3.14.

De Holding heeft ook een akte, houdende ‘stille cessie’ van de handelsvorderingen van Bouwstaal aan de Holding laten registreren. De brief van 26 februari 2013 is een akte die aan alle vereisten voldoet voor een geldige cessie van de handelsvorderingen van Bouwstaal. Er is voldaan aan alle vereisten die artikel 3:94 BW aan een rechtsgeldige cessie stelt. Deze cessie moet zowel worden gezien in verband met de geldlening van 2 januari 2011 als de lening van 4 maart 2013.


In reconventie:


3.15.

In aanvulling op de hiervoor in r.o. 2.10 tot en met 2.12 vastgestelde feiten heeft de Holding het volgende gesteld. Buiten het faillissement van Bouwstaal om heeft de curator de administratief medewerkster van de Holding, mevrouw [B], opdracht gegeven om betalingen te doen ten laste van de Holding en ten gunste van de boedelrekening. De curator wist dat het hierbij ging om een bankrekening van de Holding en ook dat hij in het kader van het faillissement van Bouwstaal geen instructies aan personeel van de Holding mocht geven ten aanzien van betalingen aan de boedel. De curator heeft hiervoor geen toestemming van de bestuurder van de Holding gekregen. 3.16. Het gaat om door mevrouw [B] uitgevoerde instructies van de curator tot overmaking van in totaal € 90.156,82. Dit bedrag betreft door de Holding ontvangen betalingen van debiteuren van Bouwstaal. De vorderingen op die debiteuren waren echter aan de Holding gecedeerd. De Holding was dus gerechtigd om deze bedragen te incasseren. De curator heeft niettemin geweigerd om deze terug te betalen.


3.17.

De curator heeft daardoor onrechtmatig gehandeld. De Holding heeft daardoor schade geleden. Op grond van het voorgaande vordert de Holding om (zakelijk samengevat) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de curator te veroordelen op straffe van een dwangsom aan de Holding te betalen € 90.156,82, te vermeerderen met € 13.500,- voor buitengerechtelijke incassokosten en met wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid en met verwijzing van de curator in de proceskosten.


3.18.

De curator bestrijdt de eis van de Holding op de volgende gronden. Op de faillissementsdatum van Bouwstaal, 20 maart 2013, had de Holding geen vordering meer op die gefailleerde vennootschap. Niettemin bleven debiteuren van Bouwstaal betalen aan de Holding. De Holding had geen enkel recht op die bedragen. Daarom was de Holding verplicht om die ten onrechte door de Holding in plaats van door de boedel van Bouwstaal ontvangen bedragen (door) te betalen aan de boedel.


3.19.

Het standpunt van de curator kan verder worden weergegeven door verwijzing naar de hiervoor in r.o. 2.13 geciteerde brief van de curator aan de rechter-commissaris d.d. 8 mei 2013. 4. De beoordeling


In conventie:


4.1.

Het verweer van de Holding berust in de kern op de stelling dat Bouwstaal tot meerdere zekerheid van terugbetaling van het op 2 januari 2011 geleende bedrag haar handelsvorderingen aan de Holding heeft gecedeerd en/of verpand, zodat de Holding recht had op de aan haar door debiteuren van Bouwstaal betaalde bedragen. De Holding beroept zich daartoe op de volgende passage in de overeenkomst van geldlening: “De schuldeiser is met de schuldenaar overeengekomen om per de datum van ondertekening van deze overeenkomst tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van het niet afgeloste gedeelte van de hoofdsom en de rente tot meerdere zekerheid heeft overgedragen haar vorderingen op debiteuren en voorts verpanding van de voorraad goederen en inventaris.”


4.2.

De rechtbank begrijpt uit deze passage dat de contracterende partijen, de Holding en Bouwstaal, daarmee beoogden een stille cessie in de zin van artikel 3:94 lid 3 BW en/of een stille verpanding als bedoeld in artikel 3:239 BW. Mededeling aan debiteuren bleef immers achterwege tot 20 februari 2013 (zie r.o. 2.6).


4.3.

Wat er ook zij van de (door de curator ontkennend beantwoorde) vraag of de hiervoor geciteerde passage duidelijk genoeg is om daarin een overeenkomst van cessie als bedoeld in artikel 3:94 lid 3 BW en/of een pandakte als bedoeld in artikel 3:239 BW te kunnen zien, moet ook bij bevestigende beantwoording van die vraag worden geoordeeld dat de Holding op deze beoogde cessie en/of verpanding niet met succes een beroep kan doen.

4.4.

Ingeval van stille cessie bij onderhandse akte geldt registratie van de akte ingevolge artikel 3:94 lid 3 BW als constitutief vereiste. Van registratie van een onderhandse akte van stille cessie blijkt in dit geval echter niets. De rechtbank moet daarom oordelen, dat geen stille cessie van vorderingen heeft plaatsgehad. De aanbieding door de Holding op 26 februari 2013 (zie hiervoor r.o. 2.7) van een “pandlijst debiteuren per 22 februari 2013” kan niet gelden als de registratie van de onderhavige onderhandse overeenkomst van stille cessie van 2 januari 2011, omdat de aanbiedingsbrief daarover te weinig concrete gegevens bevat.


4.5.

Ook een stil pandrecht kan ingevolge artikel 3:239 lid 1 BW slechts worden gevestigd bij een notariële of een geregistreerde onderhandse akte. Ook hier geldt registratie voor een onderhandse pandakte als een constitutief vereiste. In dit geval heeft de Holding op 26 februari 2013 een “pandlijst debiteuren per 22 februari 2013” aan de Belastingdienst ter registratie aangeboden. Ook als deze aanbieding zou kunnen gelden als registratie van de onderhavige onderhandse ‘pandakte’ van 2 januari 2011, dan is de door de Holding gestelde verpanding rechtens niet eerder tot stand gekomen dan op 26 februari 2013, en dus kort voor de faillietverklaring van Bouwstaal op 20 maart 2013, binnen de termijn van de artikelen 42 en 43 Faillissementswet.


4.6.

De schuldeisers van Bouwstaal zijn door de gestelde cessie en/of verpanding benadeeld, nu mededeling daarvan aan de debiteuren van Bouwstaal heeft geleid tot betalingen aan de Holding in plaats van aan de eigenaar van de vorderingen, Bouwstaal. Deze rechtshandeling(en) tussen de Holding en Bouwstaal is of zijn aangegaan tussen vennootschappen met dezelfde bestuurder, met als doel om de opbrengst van handelsvorderingen van Bouwstaal ten goede te laten komen aan de Holding, en niet aan de boedel van Bouwstaal. De curator heeft op goede gronden de nietigheid van deze paulianeuze handelingen ingeroepen.


4.7.

Op grond van het voorgaande zijn de vorderingen van de curator voor toewijzing vatbaar zoals in het dictum te vermelden. De Holding moet als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten.


In reconventie:


4.8.

De rechtbank onderschrijft de met de stellingname van de curator overeenkomende beslissing van de rechter-commissaris, die de rechtbank (in een andere samenstelling) op 14 mei 2013 heeft bekrachtigd, en voegt daar het volgende aan toe.


4.9.

Uit de vastgestelde feiten blijkt dat de curator mevrouw [B], in haar hoedanigheid van medewerker van de Holding, heeft geïnstrueerd om de relevante bedragen over te boeken naar de faillissementsrekening van Bouwstaal, en dat mevrouw [B] dat vervolgens ook heeft gedaan.


4.10.

Dat betekent dat de Holding deze bedragen aan de boedel heeft betaald. Of mevrouw [B] hierbij handelde met uitdrukkelijke toestemming van haar werkgever (de curator zegt van wel, maar de Holding betwist dat) kan in het middel blijven. De desbetreffende overboekingen naar de boedel waren kennelijk geen vergissingen, mede gelet op de duidelijke instructie in het e-mailbericht d.d. 22 maart 2013 van (een medewerker van) de curator (hiervoor geciteerd in r.o. 2.11) aan de Holding, inhoudende: “De door [B] te ontvangen debiteurenbetalingen van BWT na 20-03 dient u over te boeken naar de boedelrekening met nummer [xxxx] t.n.v. mr. J. van der Hel q.q. curator, aangehouden bij de SNS Bank te Almelo.”De rechtbank constateert dat de Holding vervolgens tegen deze mededeling niet heeft geprotesteerd, maar deze feitelijk heeft opgevolgd door betalingen te doen zoals verzocht.


4.11.

De boedel zou de bedragen weliswaar aan de Holding moeten terugbetalen, als de Holding deze onverschuldigd aan de boedel zou hebben betaald. De Holding stelt echter niet, althans niet duidelijk gemotiveerd, dat en zo ja waarom zij onverschuldigd heeft betaald. In het bijzonder betwist de Holding het standpunt van de curator niet, dat de Holding na de faillissementsdatum geen vordering op Bouwstaal had en alleen al daarom geen aanspraak kon maken op betalingen door debiteuren van Bouwstaal.


4.12.

Gezien het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat de curator jegens de Holding onrechtmatig heeft gehandeld zoals de Holding heeft gesteld. De curator heeft immers niet meer gedaan dan mededelen aan (een medewerker van) de Holding dat door de Holding na de faillissementsdatum te ontvangen betalingen van debiteuren van Bouwstaal moesten worden overgemaakt naar de faillissementsrekening van Bouwstaal. Die mededeling was inhoudelijk niet onjuist en ook overigens geenszins onrechtmatig.


4.13.

Op grond van het voorgaande moet de vordering van de Holding worden afgewezen, met verwijzing van de Holding in de proceskosten, omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.


5De beslissing


De rechtbank:


In conventie:


I. Verklaart voor recht:- dat het verrekenen van de restant openstaande leningen aan Bouwstaal met betalingen van debiteuren van Bouwstaal getroffen wordt door de artikelen 42 en 43 Faillissementswet, zodat de curator terecht de nietigheid van die verrekeningen heeft ingeroepen,- dat in deze geen sprake is van een rechtsgeldige cessie en, voor het geval dat wel het geval zou zijn, deze wordt getroffen door de artikelen 42 en 43 Faillissementswet, zodat de curator terecht de nietigheid van die cessie heeft ingeroepen,- dat in deze geen sprake is van een rechtsgeldige verpanding, zodat de curator terecht de nietigheid van die verpanding heeft ingeroepen, en- dat de terugbetaling, middels verrekening van de geldlening d.d. 4 maart 2013 op respectievelijk 4 en 7 maart 2013 eveneens wordt getroffen door de artikelen 42 en 43 Faillissementswet, zodat de curator terecht de nietigheid van die verrekening heeft ingeroepen.


II. Veroordeelt de Holding om aan de curator te betalen € 179.003,50, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag van de dag van de dagvaarding, 19 augustus 2013, tot de dag der voldoening.


III. Veroordeelt de Holding in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de curator tot deze uitspraak begroot op € 1.538,07 voor verschotten (griffierecht en beslagkosten) en op € 4.263,- (drie punten, Tarief V) voor salaris van zijn advocaat.


IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.


V. Wijst af het meer of anders gevorderde.


In reconventie:


VI. Wijst de vorderingen af.


VII. Veroordeelt de Holding in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de curator tot deze uitspraak begroot op nihil voor verschotten en op € 894,- (één punt, Tarief IV) voor salaris van zijn advocaat.


VIII. Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Hangelbroek, Louter en Van der Veer, en op woensdag 4 februari 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.