Rechtbank Overijssel, 13-01-2015 / C/08/166180 / KG ZA 14-447


ECLI:NL:RBOVE:2015:115

Inhoudsindicatie
Kort geding over opheffen conservatoir derdenbeslag. De rechtbank wijst de vorderingen in conventie toe en wijst de vorderingen in reconventie af.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-13
Publicatiedatum
2015-01-13
Zaaknummer
C/08/166180 / KG ZA 14-447
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/08/166180 / KG ZA 14-447


Vonnis in kort geding van 13 januari 2015


in de zaak van


[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. D.J. Sol te Zwolle,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND STEIGER VERHUUR B.V.,

statutair gevestigd te Rijnsburg,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. D.A. Beck te Leiden.



Partijen zullen hierna [eiser] en HSV genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met producties 1 tot en met 16
  • - de conclusie van eis in reconventie met producties 8 tot en met 18
  • - de producties 19 en 20 van HSV
  • - de mondelinge behandeling
  • - de pleitnota van [eiser]
  • - de pleitnota van HSV.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten


2.1.

[eiser] drijft een eenmanszaak op het gebied van metsel- en lijmwerken.


2.2.

Schutte Bouwbedrijf B.V. (verder: Schutte) heeft [eiser] de opdracht gegeven om het metselwerk te verrichten bij de bouw van kindercluster De Oase te Utrecht.


2.3.

In verband met deze opdracht heeft [eiser] in april 2014 een overeenkomst gesloten met HSV voor de huur van 2.622 m² steigermateriaal.


2.4.

In week 22 heeft HSV door personeel van de firma Constructo een steiger laten opbouwen op de bouwplaats.


2.5.

Op 17 juli 2014 is een groot deel van de geplaatste steiger afgebroken door personeel van Constructo. Het steigermateriaal is klaargelegd voor transport.


2.6.

Tussen 17 juli 2014 15.30 uur en 18 juli 2014 7.30 uur is steigermateriaal van de bouwplaats gestolen .


2.7.

HSV heeft op 18 juli 2014 een deel van het steigermateriaal van de bouwplaats opgehaald.


2.8.

Op 19 juli 2014 omstreeks 13.15 uur heeft een tweede diefstal van steigermateriaal plaatsgevonden. Bewoners van een naastgelegen pand hebben deze diefstal gezien en hebben foto’s van de daders gemaakt.


2.9.

De heer [aangever] heeft op 24 juli 2014 namens HSV aangifte van diefstal van steigermaterialen gedaan. In deze aangifte heeft [aangever] verklaard dat de diefstal is gepleegd door personeel van Constructo en dat de plaats waar de gestolen steigermaterialen liggen opgeslagen bekend is.


2.10.

Het gestolen steigermateriaal is niet door de politie teruggehaald.


2.11.

[eiser] heeft een deel van de overeengekomen huur onbetaald gelaten.


2.12.

HSV heeft [eiser] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade in verband met de diefstal van een deel van het door [eiser] gehuurde steigermateriaal.


2.13.

De verzekeraar van [eiser] heeft te kennen gegeven de schade die HSV heeft geleden ten gevolge van de diefstal niet zullen vergoeden.


2.14.

De CAR-verzekeraar van Schutte heeft een detectivebureau, Cunningham Lindsey Nederland B.V. in de arm genomen. Dit bureau is een onderzoek naar de diefstal gestart.


2.15.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 30 oktober 2014 verlof aan HSV verleend voor het leggen van conservatoir derdenbeslag. De vordering van HSV bestaande uit de vervangingswaarde van het steigermateriaal (€58.251,64), de gederfde huurpenningen en de door [eiser] onbetaalde huur (de beide laatste posten samen € 15.944,65) is daarbij begroot op € 96.456,00.


2.16.

Op 30 oktober 2014 heeft HSV beslag gelegd op de banktegoeden van [eiser] bij de SNS Bank en op de vordering die [eiser] heeft op Schutte.


3Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

HSV zal veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het door HSV ten laste van [eiser] gelegde beslag op:

de banktegoeden (onder meer [bankrekening 1] en [bankrekening 2]) van [eiser] bij de SNS Bank;

de vorderingen die [eiser] op Schutte heeft of uit de ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding met HSV rechtstreeks zal verkrijgen;

op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, zulks met een maximum van € 1.000.000,00,

met veroordeling van HSV:

in de kosten van deze procedure;

tot betaling van een voorschot van € 8.770,00 op de door [eiser] geleden schade, als gevolg van het door HSV onrechtmatig gelegde beslag.


3.2.

HSV voert verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4Het geschil in reconventie


4.1.

HSV vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] zal veroordelen:

tot betaling aan HSV van € 13.266,65 uit hoofde van vervallen huurpenningen;

in de kosten van de procedure in reconventie, vermeerderd met de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv.


4.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


5De beoordeling in conventie

5.1.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.


5.2.

HSV meent dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de diefstal heeft geleden, omdat partijen zijn overeengekomen dat vermist materiaal aan [eiser] zal worden doorberekend. Deze bepaling staat vermeld op de tweede pagina van de door HSV aan [eiser] verzonden offerte. Deze offerte is volgens HSV door [eiser] geaccepteerd.


5.3.

[eiser] bestrijdt dat de door hem ontvangen offerte uit twee pagina’s bestond. Volgens hem heeft hij slechts één pagina ontvangen en staat daarin geen bepaling over het doorberekenen van vermist materiaal. [eiser] heeft alleen de eerste pagina voor akkoord getekend.


5.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat door HSV onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat zij een offerte bestaande uit twee pagina’s aan [eiser] heeft gezonden, nu [eiser] alleen de eerste pagina heeft ondertekend. HSV heeft weliswaar een verklaring van een medewerkster overgelegd, waarin zij verklaart dat de tweede pagina altijd wordt meegestuurd, maar deze verklaring is onvoldoende om te kunnen aannemen dat ook in dit geval deze pagina aan [eiser] is toegestuurd. Bovendien is de tekst op de door HSV overgelegde tweede pagina in een veel groter lettertype weergegeven dan de tekst op de door [eiser] ondertekende pagina, waardoor deze pagina’s niet bij elkaar lijken te horen.

Voorts wordt overwogen dat, zelfs als de tweede pagina aan [eiser] zou zijn toegestuurd, niet aannemelijk is geworden dat de op deze pagina weergegeven bepalingen door [eiser] zijn geaccepteerd. [eiser] heeft immers alleen de eerste pagina ondertekend en hij heeft zijn handtekening niet op de tweede pagina gezet. De stelling van HSV dat [eiser] bekend was met de op de tweede pagina vermelde voorwaarden, omdat zij eerder een offerte met dezelfde voorwaarden aan hem heeft toegestuurd, kan niet tot een ander oordeel leiden, daar de vermelde bepalingen, anders dan HSV kennelijk heeft bedoeld te betogen, voorshands niet kunnen worden beschouwd als algemene voorwaarden. Gezien het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat partijen zijn overeengekomen dat eventuele vermissingen aan [eiser] zullen worden doorgerekend.


5.5.

Ook als over het hiervoor overwogene anders geoordeeld zou dienen te worden, is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade die HSV ten gevolge van de diefstal heeft geleden. Partijen zijn in dit geval weliswaar overeengekomen dat vermiste materialen aan [eiser] mogen worden doorgerekend, maar [eiser] wijst er terecht op dat vermissing niet hetzelfde is als diefstal. Daarnaast is van belang dat de diefstal is gepleegd door personen die door HSV zelf zijn ingeschakeld en dat bij HSV bekend was waar de gestolen steigermaterialen lagen opgeslagen, maar dat zij behoudens het informeren van de politie geen (juridische) stappen heeft ondernomen om haar steigermateriaal veilig te stellen. Gezien deze omstandigheden kan zonder nadere motivering niet worden aangenomen dat [eiser] aansprakelijk zou zijn voor de schade.


5.6.

Door HSV is voorts gesteld dat [eiser] op grond van artikel 6:74 BW aansprakelijk is voor de door hem geleden schade, omdat hij de op hem rustende zorgplicht jegens haar heeft geschonden, doordat hij niet heeft gezorgd voor cameratoezicht op de bouwplaats. Door Schutte als hoofdaannemer is slechts met de buren de afspraak gemaakt dat zij het bouwterrein in de gaten zouden houden.


5.7.

[eiser] bestrijdt dat hij de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden. [eiser] wijst er daarbij op dat het steigermateriaal is gestolen door personeel van Constructo. Volgens [eiser] zou hij een diefstal door deze personen, die bekend waren met de situatie op het bouwterrein, nimmer hebben kunnen voorkomen.


5.8.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorshands niet worden aangenomen dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, daar door HSV niet is aangegeven op grond waarvan [eiser] gehouden zou zijn zorg te dragen voor cameratoezicht. Bovendien is niet aannemelijk dat het plaatsen van camera’s in dit geval de diefstal had kunnen voorkomen, nu de diefstal is gepleegd door personeel van Constructo dat bekend was op de bouwplaats.


5.9.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat HSV ook de omvang van de door haar geleden schade niet aannemelijk heeft gemaakt, nu onduidelijk is hoeveel steigermateriaal is gestolen. Door HSV is gesteld dat in totaal 569 m² is gestolen, maar door [eiser] is betoogd dat het, gelet op de door de dieven gehuurde bus, zeer onwaarschijnlijk is dat deze hoeveelheid materiaal zou zijn meegenomen. Daarnaast twisten partijen over de vraag hoeveel steigermateriaal op de bouwplaats aanwezig was en is volstrekt onduidelijk hoeveel materiaal door HSV op 18 juli 2014 van de bouwplaats is opgehaald. Aan de door HSV overgelegde lijst “opgehaald vrachtwagen [naam]” kan onvoldoende betekenis worden toegekend, nu deze lijst niet door een uitvoerder of opdrachtgever is ondertekend en door [eiser] onweersproken is gesteld dat dat wel gebruikelijk is in de bouw.


5.10.

Uit het voorgaande volgt dat voorshands niet kan worden geoordeeld dat [eiser] aansprakelijk is voor de door HSV ten gevolge van de diefstal geleden schade, bestaande uit de vervangingswaarde van het gestolen steigermateriaal en de door HSV gederfde huurpenningen. Gelet hierop is summierlijk aannemelijk dat deze door HSV gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.


5.11.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is ook summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van HSV uit hoofde van onbetaalde huurpenningen. Weliswaar valt niet uit te sluiten dat HSV een vordering op [eiser] heeft wegens het onbetaald laten van huurpenningen, maar de hoogte van deze vordering is door [eiser] onvoldoende onderbouwd. Onduidelijk is hoeveel steigermateriaal door HSV is geleverd en door HSV is niet onderbouwd op grond waarvan [eiser] huurpenningen over een periode van 16 weken verschuldigd zou zijn, terwijl volgens [eiser] het steigermateriaal veel minder weken aanwezig is geweest op het bouwterrein en partijen in hun overeenkomst geen huurperiode hebben afgesproken. Voorts is van belang dat [eiser] stelt dat hij de huurpenningen niet volledig heeft voldaan wegens toerekenbare tekortkoming zijdens HSV als gevolg waarvan hij schade heeft geleden, doordat de door HSV geleverde steiger niet veilig was, waardoor Schutte de steiger heeft afgekeurd en door [eiser] ingeschakeld personeel van de steiger werd gehaald (schade € 5.440,00), en doordat de steiger niet tijdig werd afgebroken (schade € 544,00). Ook heeft HSV volgens [eiser] steigerplanken van Schutte ter waarde van € 1.300,00 meegenomen, welke bedrag Schutte aan [eiser] heeft doorberekend.


5.12.

HSV heeft voorts niet voldoende aannemelijk gemaakt dat - ondanks het feit dat van de ondeugdelijkheid van het door haar ingeroepen recht summierlijk is gebleken - haar belang bij handhaving van de gelegde beslagen zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij opheffing van het beslag.


5.13.

De vordering van [eiser] om HSV te veroordelen tot opheffing van de gelegde beslagen zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als na te melden.


5.14.

[eiser] vordert tevens een voorschot op de door hem geleden schade als gevolg van het door HSV onrechtmatig gelegde beslag. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in de veroordeling tot betaling van een geldsom, is echter terughoudendheid op haar plaats. De rechter zal daarbij volgens vaste rechtspraak niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.


5.15.

Ter onderbouwing van zijn spoedeisend belang voert [eiser] aan dat hij als gevolg van het gelegde beslag zijn schuldeisers niet meer kan voldoen en hij op de rand van een faillissement verkeert. Gelet op deze stellingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang van [eiser] bij de gevorderde voorziening in voldoende mate is gegeven.


5.16.

Nu [eiser] in financieel zwaar weer verkeert, is niet ondenkbaar dat hij een aan hem betaald voorschot niet aan HSV zal kunnen terugbetalen, mocht hij daartoe - na een voor hem ongunstige bodemprocedure - gehouden blijken. Tegen deze achtergrond dient te worden beoordeeld of de toewijzing van deze vordering van [eiser] door de bodemrechter voorshands in grote mate aannemelijk is. In het bevestigende geval wordt het restitutierisico daardoor immers beperkt, terwijl in het tegenovergestelde geval het aanwezige restitutierisico juist wordt vergroot.


5.17.

De voorzieningenrechter overweegt dat het zeer aannemelijk is dat [eiser] schade heeft geleden door het ten onrechte gelegde beslag. Tegenover deze vordering tot schadevergoeding staat echter de door HSV gestelde vordering tot betaling van nog openstaande huurpenningen. Niet kan worden uitgesloten dat de bodemrechter, later oordelende, een beroep van HSV op verrekening zal honoreren. Gelet hierop is het bestaan van de vordering van [eiser] niet in voldoende mate aannemelijk geworden.


5.18.

Deze vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

5.19.

HSV zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht € 876,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.692,00


6De beoordeling in reconventie

6.1.

De vordering van HSV betreft een veroordeling tot betaling van een geldsom, zodat terughoudendheid op haar plaats is.


6.2.

Door HSV zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van haar vordering.


6.3.

Daarnaast is de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar hetgeen in 5.11 is overwogen, van oordeel dat de hoogte van de vordering van HSV onvoldoende is komen vaststaan. Ook staat tegenover deze vordering van HSV de vordering van [eiser] tot vergoeding van de door hem geleden schade. Niet kan worden uitgesloten dat de bodemrechter, later oordelende, een beroep van [eiser] op verrekening zal honoreren. Gelet op het voorgaande is het bestaan van de vordering van HSV niet in voldoende mate aannemelijk geworden


6.4.

De vordering van HSV zal worden afgewezen.


6.5.

HSV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 408,00 aan salaris advocaat (factor 0,5 × tarief € 816,00).


7De beslissing

De voorzieningenrechter


in conventie

7.1.

veroordeelt HSV om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het door HSV ten laste van [eiser] gelegde beslag op:

de banktegoeden (onder meer [bankrekening 1] en [bankrekening 2]) van [eiser] bij de SNS Bank;

de vorderingen die [eiser] op Schutte heeft of uit de ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding met HSV rechtstreeks zal verkrijgen;

op te heffen,


7.2.

veroordeelt HSV om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 7.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt,


7.3.

veroordeelt HSV in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.692,00,


7.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,


7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,


in reconventie

7.6.

wijst de vorderingen af,


7.7.

veroordeelt HSV in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 408,00,


7.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2015.