Rechtbank Overijssel, 06-03-2015 / 08/730370-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:1159

Inhoudsindicatie
Verkeersruzie. Beroep op noodweer.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-06
Publicatiedatum
2015-03-06
Zaaknummer
08/730370-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/730370-14

Datum vonnis: 6 maart 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1950 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 februari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.A.L. Pustjens en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. R.D.J. Visschers, advocaat te Zutphen, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(primair) heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel

(subsidiair) heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel

(meer subsidiair) [slachtoffer] heeft mishandeld.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 9 juli 2014 te Losser ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een schroevendraaier en/of een spanningszoeker, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borstkas en/of in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat


hij op of omstreeks 09 juli 2014 te Losser ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een schroevendraaier en/of een spanningszoeker, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borstkas en/of in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, ter zake dat


hij op of omstreeks 9 juli 2014 te Losser opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal met een schroevendraaier en/of met een spanningszoeker, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borstkas en/of in de rug heeft gestoken, waardoor deze letsel (meerdere snij- en/of steekwondjes op het

lichaam) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft overeenkomstig zijn schriftelijke requisitoir gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu bewijslevering nodig lijkt in verband met mogelijke medeschuld van de benadeelde partij.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De feiten die niet ter discussie staan


De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.


Op 9 juli 2014 heeft de politie melding gekregen dat op de Glanerbrugweg in Losser een verkeersruzie had plaatsgevonden. Verdachte en [slachtoffer] hebben beiden over en weer geweld gepleegd en verwondingen opgelopen en de auto van verdachte (een rode Suzuki Swift) is daarbij beschadigd. Beiden zijn aangehouden en over en weer is aangifte gedaan.



5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich -overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir- op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte heeft door zijn handelen, te weten het steken met een scherp en puntig voorwerp in de nier- longstreek, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. en daarmee aldus opzet gehad op de dood van [slachtoffer].


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich -conform de inhoud van de aan de rechtbank overlegde pleitnota- op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Niet is bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood, zoals primair ten laste gelegd, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zoals subsidiair ten laste gelegd. Uit het dossier blijkt niet of het door verdachte gebruikte wapen geschikt was om deze gevolgen teweeg te brengen. Evenmin blijkt uit enig bewijsmiddel dat de door verdachte gepleegde handelingen (steekbewegingen) de dood of zwaar lichamelijk letsel zouden hebben kunnen veroorzaken. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling bewezenverklaard kan worden.


5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Op 9 juli 2014 vindt tussen verdachte en [slachtoffer], beiden als bestuurder van een auto deelnemend aan het verkeer, een verkeersconflict plaats. Beiden zijn op een gegeven moment gestopt in Losser en vervolgens op enig moment uit hun auto’s gestapt. Verdachte heeft [slachtoffer] meermalen gestoken met een spanningzoeker.

Verdachte heeft dit feit ook bekend.

De forensische arts heeft drie huidperforaties bij [slachtoffer] geconstateerd, één ter hoogte van de linker tepel en twee aan de achterzijde van het lichaam op de rug. Tenminste één van deze perforaties kon reiken tot in het longvlies, oftewel had een lengte van tenminste circa 1 cm.


Poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling


De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] driemaal heeft gestoken met een spanningzoeker. Eenmaal aan de voorzijde ter hoogte van de linker tepel en tweemaal aan de achterzijde van het lichaam op de rug.Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden hoe dit handelen van verdachte strafrechtelijk moet worden gekwalificeerd. De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om het steken te kunnen kwalificeren als een poging doodslag dan wel als een poging zware mishandeling. Met name acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte opzet (in welke vorm dan ook) had op het veroorzaken van de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel. Zij overweegt daartoe als volgt.


Voorwaardelijk opzet (de lichtste opzetvariant) op een bepaald gevolg (in casu de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel) is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. De verdachte moet wetenschap hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en moet die kans ten tijde van de gedraging bewust hebben aanvaard. Verdachte heeft driemaal gestoken met een spanningszoeker. De beantwoording van de vraag of deze gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.


De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat in het dossier onvoldoende informatie voorhanden is over de specifieke eigenschappen van de spanningzoeker (zoals de lengte en de scherpte daarvan) en voorts over de wijze en kracht waarmee gestoken is, om te kunnen beoordelen of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood dan op wel op het intreden van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het veroorzaken van de dood van [slachtoffer], dan wel op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. Nu de rechtbank de lichtste opzetvariant niet wettig en overtuigend bewezen acht, geldt dit vanzelfsprekend ook voor de zwaardere opzetvarianten. De rechtbank zal verdachte dan ook van het primair en het subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.


Mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een spanningzoeker in de rug en in de borstkas te steken.


5.4

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 9 juli 2014 te Losser opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer], met een spanningzoeker in de borstkas en in de rug heeft gestoken, waardoor deze letsel, meerdere steekwondjes op het lichaam, heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het bewezenverklaarde levert op:


meer subsidiair

het misdrijf: mishandeling.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft -overeenkomstig zijn pleitnota- betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte door [slachtoffer], zittend in zijn auto door [slachtoffer] hard tegen het hoofd is gestompt. Verdachte had op dat moment geen andere keuze dan om uit de auto te komen. Verdachte heeft daarbij een spanningzoeker gepakt, die toevallig in de auto lag. [slachtoffer] bleef verdachte slaan en schoppen nadat hij uit de auto was gestapt. Verdachte voelde zich genoodzaakt zich tegen die ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf te verdedigen door [slachtoffer] met de spanningzoeker af te weren met prikkende bewegingen. Het door verdachte gebruikte geweld is alleszins proportioneel, gezien zijn beperkte mogelijkheden om zich in de geschetste situatie tegen een veel jongere en veel grotere aanvaller te verdedigen, aldus de raadsman.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich -overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir- op het standpunt gesteld dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en goed (auto). Verdachte had echter een alternatief voor het gebruiken van geweld, namelijk het zich opsluiten in zijn auto dan wel het met zijn auto achterwaarts verlaten van het parkeervak en vluchten. Daarnaast is de wijze waarop verdachte zich heeft verdedigd volgens de officier van justitie disproportioneel. Verdachte heeft tijdens een relatief eenvoudige vechtpartij waarbij er alleen geslagen en getrapt werd, gebruik gemaakt van een steekwapen. Verdachte heeft zich hierdoor ingrijpender verdedigd dan redelijkerwijs noodzakelijk was. Het beroep op noodweer dient gelet daarop te worden verworpen.


Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder het bij verdachte geconstateerde letsel, te weten een blauw oog links, een kleine scheurwond in zijn wenkbrauw links, een blauwe oorschelp links, een geringe bloeduitstorting aan de linker-elleboog en een fractuur aan de linkerpink, constateert de rechtbank dat de door [slachtoffer] en zijn vriendin [getuige] gegeven lezing daarmee onverenigbaar is. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij verdachte, die hem aanviel en stak, één keer heeft geslagen en één keer heeft geschopt. [getuige] heeft verklaard te hebben gezien dat [slachtoffer], nadat hij riep te zijn gestoken, verdachte één keer heeft geslagen met een vuist. Hij raakte verdachte daarbij volgens [getuige] op het linkeroog. Het is evident dat het bij verdachte geconstateerde letsel zich niet laat verklaren door een enkele stomp en/of trap. De verklaring van verdachte daarentegen past wel in alle opzichten bij het bij hem op dezelfde dag geconstateerde letsel. De rechtbank neemt tegen die achtergrond als vaststaand aan de volgende feitelijke gang van zaken.


Op 9 juli 2014 vindt tussen [slachtoffer] en verdachte, beiden als bestuurder van een auto deelnemend aan het verkeer, een zogenoemd “verkeersconflict” plaats. Beiden zijn op een gegeven moment in Losser gestopt. [slachtoffer] stapt als eerste uit zijn auto en geeft verdachte, die zijn portier heeft geopend, maar nog in de gordel in de auto zit, een of meerdere vuistslagen tegen de linkerzijde van diens hoofd. Verdachte stapt daarop uit de auto en grijpt vanuit een bakje in de middenconsole een daar toevallig liggende zogenoemde spanningzoeker. Nadat verdachte uit zijn auto is gestapt, ontstaat een handgemeen tussen beiden, waarbij [slachtoffer] verdachte stompt tegen het hoofd en trapt tegen het lichaam en waarbij verdachte op zijn beurt [slachtoffer] enkele malen steekt met de spanningzoeker.


Op grond van deze feiten en omstandigheden – [slachtoffer] die zijn auto voor de auto van verdachte heeft gepositioneerd en hem daarmee de vrije doorgang heeft belemmerd, [slachtoffer] die de confrontatie met verdachte heeft gezocht en verdachte onverhoeds een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, terwijl verdachte nog in de auto zat (aldus lager gepositioneerd dan [slachtoffer]), [slachtoffer] die buiten de auto het geweld tegen verdachte heeft voortgezet, – verkeerde verdachte naar het oordeel van de rechtbank objectief beschouwd in de situatie waarin hij werd aangevallen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze aanval door [slachtoffer] ook worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en goed, waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel (het steken met een spanningzoeker) in de gegeven omstandigheden als een gepaste verdediging kan worden beschouwd, die in verhouding staat tot het aangetaste rechtsbelang. De rechtbank betrekt in haar overwegingen ook het verschil in leeftijd en postuur van [slachtoffer] en verdachte, waarbij [slachtoffer] duidelijk als de meer vitale van de twee kan worden beschouwd. Met de raadsman is de rechtbank verder van oordeel dat in deze zaak in redelijkheid niet gesteld kan worden dat verdachte nog een alternatief had om zichzelf te verdedigen, bijvoorbeeld door zich op te sluiten in de auto dan wel (achterwaarts met de auto) te vluchten. Bij het zichzelf opsluiten in de auto zou hij immers nog steeds risico lopen op belaging door verdachte. Doordat de weg belemmerd was, de aanval onverhoeds en voortdurend, was vluchten ook niet langer een reële mogelijkheid.

De verdachte komt derhalve een beroep op noodweer toe, waardoor de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit in dit concrete geval wordt uitgesloten. De verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.


7De schade van benadeelden


De benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden materiële schade voor een bedrag van € 432,76 (€ 143,00 + € 296,88 – € 7,12) en van de geleden immateriële schade voor een bedrag van € 2.300,00.


Nu aan de verdachte –zonder toepassing van artikel 9a Sr– geen straf of maatregel wordt opgelegd, wordt de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


8De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en artikel 41 Sr.

9De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:meer subsidiair: het misdrijf: mishandeling;
  • - verklaart dat verdachte voor het tenlastegelegde niet strafbaar is en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer], wonende te [woonplaats] aan de [adres] in het geheel niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;


opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.




Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. M. Melaard en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Greven-Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2015.



Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer PL05KL 2014070067. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], van 10 juli 2014, pagina’s 57 t/m 59, inhoudende zakelijk weergegeven:


Op 9 juli 2014 in Losser zag ik dat een bestuurder van een rode auto uit zijn auto stapte. Ik stapte ook uit. Ik voelde een warm gevoel over mijn rug. Toen ik met mijn hand aan mijn rug voelde zag ik dat mijn hand onder bloed zat.


2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], van 9 juli 2014, pagina’s 85 en 86, inhoudende zakelijk weergegeven:


Op 9 juni [de rechtbank leest: juli] 2014 in Losser kwam de bestuurder van de rode Suzuki in onze richting gelopen. Ik hoorde [slachtoffer] schreeuwen: “Hij heeft me met iets gestoken [getuige]”. Het voorwerp was ongeveer 20 centimeter lang.


3.

Een geschrift aangeduid als “rapport forensisch geneeskundig onderzoek” van B.F.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts KNMG van 26 september 2014, inhoudende zakelijk weergegeven:


Bij lichamelijk onderzoek van [slachtoffer] werden drie huidperforaties waargenomen. Letsel A bevond zich links van de linker tepel. Letsel B en C bevonden zich op de rug. Tenminste één van de onder B en C beschreven perforaties reikte tot in het longvlies, oftewel had een lengte van tenminste 1 centimeter.


4.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 februari 2015, inhoudende zakelijk weergegeven:


Op 9 juli 2014 in Losser heb ik [slachtoffer] met een spanningzoeker gestoken.