Rechtbank Overijssel, 17-03-2015 / 08/710133-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:1340

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft zijn inmiddels ex-echtgenote aangevallen en haar met een hamer meermalen op/tegen het hoofd geslagen. De rechbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van veertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk. Als bijzondere voorwaarden stelt de rechtbank onder meer dat de man zich moet laten behandelen en dat hij geen contact op mag nemen met het slachtoffer. Ook moet hij het slachtoffer een schadevergoeding betalen van in totaal €8.605,79.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
08/710133-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/710133-14

Datum vonnis: 17 maart 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in PI Nieuwegein – HvB locatie Nieuwegein in Nieuwegein.



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 maart 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Hermelink en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M. Kieft, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer] heeft geprobeerd te doden door haar meermalen met een hamer op het hoofd te slaan, dan wel die [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld, dan wel heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar te mishandelen.


feit 2: als bestuurder met zijn auto is doorgereden nadat hij daarmee een ongeval heeft veroorzaakt waarbij schade aan een ander is toegebracht.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

hij op of omstreeks 18 november 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O)

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen

met kracht met een hamer, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft

geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 18 november 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

aan zijn echtgenote [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te

weten schedeltrauma, heeft toegebracht door haar met kracht meermalen met een

hamer, althans een hard voorwerp op/tegen haar hoofd te slaan ;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 18 november 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O),

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan zijn echtegenote [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, die [slachtoffer] meermalen met kracht met een hamer op/tegen haar hoofd

heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken

was geweest bij een verkeersongeval

dat had plaatsgevonden in Deurningen, gemeente Dinkelland op/aan

Gammelkerstraat en/of de Deurningerstraat

op of omstreeks 18 november 2014 (omstreeks te 17:23 uur)

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten gemeente Dinkelland)

letsel en/of schade was toegebracht.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod, met aftrek van het voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 26.105,79 als voorschot en oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.








5. De beoordeling van het bewijs


5.1

feit 1


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de verklaring van aangeefster [slachtoffer], getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] en het gedrag van verdachte voorafgaand aan en na afloop van het gebeuren, kan worden bewezen dat verdachte meermalen met een hamer op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Voorts heeft zij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood nu met een hamer op het hoofd is geslagen en het hoofd zeer kwetsbaar is. De officier van justitie heeft gesteld dat aldus het onder 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen.


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair het standpunt ingenomen dat verdachte van het onder 1 - primair, subsidiair en meer subsidiair - tenlastegelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het ligt niet voor de hand dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. De raadsvrouw noemt als meest opvallend aspect dat [slachtoffer] zich aanvankelijk niets herinnert, vervolgens spreekt over “het is alsof ik in een droom met een hamer op mijn hoofd geslagen ben” en pas later in het ziekenhuis haar echtgenoot als dader aanwijst. De raadsvrouw heeft betoogd dat [slachtoffer], nu zij niet eerlijk heeft verteld over de wijze waarop zij haar nieuwe vriend heeft leren kennen, enigszins berekenende gesprekken met haar kinderen heeft gevoerd waarmee ze het met de waarheid niet zo nauw nam.

Vervolgens heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de hamer waarmee zou zijn geslagen niet is onderzocht. Hoewel in het hele proces-verbaal wordt aangenomen dat [slachtoffer] met een hamer op haar hoofd is geslagen en het letsel daar volgens de deskundigen bij past, ontbreekt in het dossier het wettig bewijsmiddel waaruit blijkt dat met een aangetroffen hamer op het hoofd van [slachtoffer] is geslagen. Er is geen technisch bewijs aangetroffen op het lichaam, op de kleding of in de auto van verdachte.

De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat het goed mogelijk is dat verdachte toen hij de woning heeft verlaten, naar de auto is gelopen en direct is vertrokken zonder in de garage te zijn geweest. De raadsvrouw heeft aannemelijker geacht dat een derde persoon in de garage van de familie [familienaam] aanwezig is geweest en dat deze persoon [slachtoffer] heeft mishandeld. Hierbij heeft de raadsvrouw betrokken dat volgens getuige [getuige 3] de poort altijd open is en de schuur nooit op slot. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de door de deskundige geschetste hypothese niet overtuigt.


De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Geweld

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op 18 november 2014 in de garage achter de woning van haar en verdachte aan de [straat] in Hengelo stond met iets van ijzer of staal in zijn rechterhand dat glom en leek op een staaf. [slachtoffer] heeft gezien dat verdachte op haar af kwam lopen en daarbij zijn rechterhand boven zijn hoofd tilde en een slaande beweging naar haar hoofd maakte. [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat zij hard op haar hoofd werd geraakt door de klap die verdachte haar gaf en dat ze door die klap een hevige pijn aan haar hoofd bij haar voorhoofd voelde. [slachtoffer] heeft gezien dat verdachte nog een keer met zijn rechterarm uithaalde en [slachtoffer] voelde dat ze opnieuw hard aan haar hoofd werd geraakt.


Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij zich nog steeds heel goed kon herinneren dat haar echtgenoot haar de eerste klappen met de hamer had gegeven.


Getuige [getuige 1] (hierna [getuige 1]) heeft verklaard dat hij op 18 november 2014 rond 16.40 uur of 16.45 uur tegelijk met zijn moeder (de rechtbank: lees [slachtoffer]) thuis kwam en dat zijn vader (de rechtbank: lees verdachte) thuis was. [getuige 1] heeft verklaard dat zijn moeder en zijn vader via de keuken en de bijkeuken rond 17.05/17.10 uur naar buiten liepen. Hij heeft om iets over 17.30 uur bloed aan de muur in de bijkeuken gezien en is vervolgens naar boven gerend en zag bloed op het kussen van zijn moeder in de slaapkamer van zijn ouders. [getuige 1] heeft verklaard dat hij de dekens wegtrok en dat hij zijn moeder bebloed onder de dekens vandaan zag komen. Hij zag dat het hele hoofd van zijn moeder rood was.


Getuige [getuige 2], ambulancebroeder, heeft verklaard dat hij op 18 november 2014 in een woning aan de [adres] in Hengelo een mevrouw (de rechtbank: lees [slachtoffer]) in bed zag liggen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat ze een actieve neusbloeding had en een bebloed hoofd had. Hij zag dat de vrouw een snijwond op haar linker voorhoofd en twee ronde wonden op haar rechterslaap had. Bij het voelen aan de wondranden voelde hij bot crepiteren. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de vrouw hem desgevraagd heeft gezegd dat het was alsof ze in een droom met een hamer op haar hoofd was geslagen. Hij dacht toen dat wat hij zag overeen kwam met wat de vrouw zei. Vervolgens heeft getuige [getuige 2] verklaard dat hij de collega’s van de politie heeft gevraagd of hij mocht zien waar het mogelijk gebeurd was en of de hamer er was en dat hij heeft gemeld dat het een klauwhamer moet zijn geweest omdat deze in de garage lag en dat er met een ronde kant is geslagen.


Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat zij achter [getuige 1] aan naar de garage zijn gegaan en dat zij in het midden van de garage een grote plas bloed op de vloer zagen liggen en dat er ongeveer een meter vanaf de plas bloed een klauwhamer op de grond lag en dat er druppels bloed op deze hamer zaten. Voorts hebben de verbalisanten verklaard dat de ambulancebroeder wilde zien wat voor wapen er was gebruikt en dat de ambulancebroeder een meter de garage is ingelopen, de klauwhamer heeft bekeken en heeft verklaard dat vermoedelijk met deze hamer is geslagen. De verbalisanten hebben verklaard dat de ambulancebroeder heeft gezegd dat hij bloed en haren op de hamer zag zitten.


De rechtbank merkt op dat noch uit het dossier, noch anderszins is gebleken van redenen om de juistheid van de (nadere) verklaring van [slachtoffer] in twijfel te trekken. Derhalve verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging hieromtrent.


Gelet op de hiervoor vermelde verklaringen van [slachtoffer], getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de verbalisanten stelt de rechtbank vast dat verdachte op 18 november 2014 in de garage van de echtelijke woning in Hengelo (O) met een hamer meermalen op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen.


Het door de verdediging aangehaalde alternatieve scenario dat sprake zou zijn van een in de garage aanwezige onbekende derde persoon die [slachtoffer] zou hebben geslagen, is niet nader onderbouwd. Voor aanname van de veronderstelling dat sprake is van een juist op dat moment aanwezige onbekende derde persoon is in het dossier geen enkele aanwijzing aanwezig. Uitgaande van dat gegeven zou het bovendien zo moeten zijn dat [slachtoffer] vervolgens bewust haar echtgenoot de schuld geeft van andermans daad. Ook daarvoor zijn in het dossier geen aanwijzingen aanwezig, terwijl ook overigens niet is gebleken van aanwijzingen op basis waarvan dit scenario als aannemelijk kan worden aangemerkt. Derhalve verwerpt de rechtbank dit standpunt van de verdediging.


Opzet

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat verdachte boos opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Daarom moet worden beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer], met andere woorden of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou sterven.


De rechtbank is van oordeel dat het toepassen van het hiervoor omschreven heftige geweld op het hoofd van een persoon, een onderdeel van het lichaam dat zeer kwetsbare plekken bevat, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich meebrengt dat deze persoon daardoor zal komen te overlijden.


Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Nu uit het dossier niet blijkt wat ten tijde van het geweld in verdachte is omgegaan, zijn de feitelijke omstandigheden van het geval bepalend voor het kunnen aannemen van voorwaardelijk opzet. Daarbij zijn de aard en de omstandigheden waaronder het feit is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het met een metalen hamer meermalen slaan tegen het hoofd, is naar het oordeel van de rechtbank zozeer gericht op het toebrengen van ernstig letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat hiermee een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] bestond. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Er is sprake van voorwaardelijk opzet om [slachtoffer] te doden.


Op basis van het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.


5.3

feit 2


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen. Zij heeft haar standpunt gebaseerd op de aanwezigheid van de auto van verdachte op de plaats van het ongeval, het afgegeven signalement van de bestuurder, als ook dat verdachte lopend bij de hondenclub is aangekomen.


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat het op 18 november 2014 rond 17:23 uur in Deurningen aan de Gammelkerstraat/Deurningerstraat aangetroffen motorrijtuig dat betrokken is geweest bij een ongeval zijn eigendom is en dat hij degene is die hier normaliter in rijdt.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij op dinsdag 18 november 2014 omstreeks 17.15 uur in zijn auto reed op de Gammelkerstraat in Deurningen ter hoogte van de kruising van de Deurningerstraat. [getuige 4] heeft gezien dat een voertuig op de Deurningerstraat reed en dat dit voertuig de kruising erg snel naderde. [getuige 4] heeft gezien dat het voertuig op de linker weghelft reed en dat het voertuig niet uitweek voor de middengeleider die op de kruising van de Deurningerstraat met de Gammelkerstraat ligt. Voorts heeft [getuige 4] gezien dat de auto een grijze Volkswagen Caddy was en dat deze frontaal met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur de middengeleider en de zich daarop bevindende lantaarnpaal raakte, waarna de lantaarnpaal afbrak en aan de linkerzijde in de berm belandde. [getuige 4] zag de bestuurder van de Caddy uitstappen en een weiland in lopen richting Oldenzaal. [getuige 4] heeft de bestuurder omschreven als een ongeveer 40 jarige, brildragende man met donker krullend haar, gekleed in een soort bodywarmer met een blouse met iets roods erin en een spijkerbroek.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij op 18 november 2014 omstreeks 19.10 uur arriveerde bij de [club] aan de [straat] te Oldenzaal. [getuige 5] heeft aldaar gesproken met verdachte. [getuige 5] heeft verklaard dat hij verdachte hoorde zeggen dat verdachte met zijn auto onderweg was naar [winkel] in Weerselo toen het ongeval plaatsvond.


Op basis van vorenstaande bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan.


5.4

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1 primair.

hij op 18 november 2014 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met kracht met een hamer op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Deurningen, gemeente Dinkelland op de Gammelkerstraat en/of de Deurningerstraat op 18 november 2014 (omstreeks 17:23 uur) voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten gemeente Dinkelland, schade was toegebracht.


De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 287 Sr en artikel 176 Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1 primair

het misdrijf: poging tot doodslag;


feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 7 eerste lid van de wegenverkeerswet 1994.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat er, gelet op de ernst van de feiten en feit 1 primair in het bijzonder en rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, moet worden opgelegd, met oplegging daarbij van een aantal bijzondere voorwaarden, te weten reclasseringstoezicht, een ambulante behandeling bij De Tender of soortgelijke instelling, een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de [straat] in Hengelo (O), dan wel een andere straat in het geval [slachtoffer] gaat verhuizen.


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een grotendeels voorwaardelijke straf gelet op de geringe recidivekans, het gegeven dat verdachte first offender is, de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, het gegeven dat hij inmiddels vanuit detentie reeds is begonnen met behandeling/begeleiding door een psycholoog en de noodzaak van hulp en behandeling. Met betrekking tot het gevraagde straatverbod heeft de raadsvrouw afwijzing bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de gezamenlijke woning inmiddels te koop staat en dat verdachte ermee heeft ingestemd dat het gebruiksrecht van deze woning voorlopig aan [slachtoffer] is toebedeeld. Voorts heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte in het geheel geen behoefte heeft om de confrontatie met [slachtoffer] aan te gaan. Gelet op onduidelijkheid over de toekomstige woonadressen van verdachte en [slachtoffer] acht de raadsvrouw een straatverbod niet praktisch en onwenselijk.


De overwegingen van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft zijn inmiddels ex-echtgenote, [slachtoffer], aangevallen en haar met een hamer meermalen op/tegen het hoofd geslagen. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en bovendien aanzienlijk letsel, te weten breuken in de schedel en oogkas, een hersenschudding en bloed in de hersenen, veroorzaakt. Naar de ervaring leert, is dergelijk excessief geweld veelal de oorzaak van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij de directe slachtoffers, zoals ook in de door [slachtoffer] opgestelde en ter terechtzitting door de voorzitter voorgedragen slachtofferverklaring is verwoord en zoals voorts blijkt uit het door [slachtoffer] ingediende verzoek om het opleggen van een contactverbod. Ook het feit dat één van de binnen het gezin aanwezige kinderen ongewild is geconfronteerd met de directe gevolgen van verdachte’s daad jegens hun moeder, nu zoon [getuige 1] zijn moeder heftig bloedend in de woning heeft aangetroffen en alarm heeft moeten slaan, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Verdachte zou als ouder juist degene moeten zijn die aan zijn kinderen een veilige en geborgen omgeving biedt waarin zij zonder angst kunnen leven.


De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Nu voor het onderhavige feit geen landelijke oriëntatiepunten straftoemeting zijn vastgesteld, heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die landelijk in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voor het toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) geldt wel een landelijk oriëntatiepunt, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar. De rechtbank heeft bij haar overwegingen voorts een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 augustus 2014 (ECLI:GHARL:2014:6185) betrokken. Hierin is door het Gerechtshof overwogen dat gedurende de laatste jaren voor doodslag gemiddeld een gevangenisstraf van acht jaren pleegt te worden opgelegd. Dit rechtvaardigt ook in onderhavig geval de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in deze zaak geen sprake is van een voltooid delict, doch van een poging tot doodslag.


De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verdachte na zijn daad is vertrokken zonder zich op enigerlei wijze om zijn echtgenote te bekommeren strafverzwarend is.


Uit het uittreksel uit het Justitiële Documentatie van 26 januari 2015 van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Dit weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee bij het bepalen van de strafmaat.


De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het psychologisch rapport van 19 februari 2015 dat deskundige R.A. Sterk, psycholoog, over verdachte heeft opgemaakt.

De deskundige heeft geconcludeerd dat bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming is geconstateerd, van welke stoornis ten tijde van de tenlastegelegde feiten geen sprake was. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende trekken, van welke stoornis ten tijde van de tenlastegelegde feiten wel sprake was. Er zou volgens de deskundige sprake kunnen zijn van een dissociatieve amnesie, maar deze lijkt niet aanwezig te zijn geweest ten tijde van het tenlastegelegde, doch de deskundige heeft hierop niet goed zicht verkregen.

Verdachte heeft zich in de relatie met zijn vrouw gekleineerd en machteloos gemaakt gevoeld, waarop verdachte een onderhuidse woede heeft ontwikkeld die hij vele jaren heeft gedempt met alcohol. Op bewust niveau heeft verdachte het gedrag van zijn vrouw proberen te accepteren, waarbij hij zijn eigen boosheid heeft weggedrukt. De ontdekking dat zijn vrouw stappen ondernam om een andere man te leren kennen heeft verdachte emotioneel ontregeld, het maakte hem boos en ontredderd. De mededeling van zijn vrouw dat zij van verdachte wilde scheiden op de avond voorafgaand aan het gebeuren heeft verdachte nog meer gekleineerd, machtelozer gemaakt en deed de verlatingsangst toenemen. De deskundige heeft een hypothese geponeerd inhoudende dat bij verdachte sprake is geweest van een impulsdoorbraak in reactie op het gedrag van zijn vrouw waardoor verdachte zich gekleineerd, machteloos en verlaten heeft gevoeld. Volgens de deskundige is bij verdachte sprake van een verstoorde coping ten aanzien van verhoogde innerlijke onrust. Verdachte heeft de neiging zich bij psychische problemen niet te uiten. Her resultaat is volgens de deskundige dat de innerlijke onrust bij verdachte toeneemt, zonder dat hij in staat is om deze te ventileren. Een agressiestuwing zet zich voort zonder dat hij zich hiervan echt bewust lijkt te zijn geweest. De mededelingen van zijn vrouw hebben verdachte waarschijnlijk woedend en angstig gemaakt, zonder dat hij in staat was dit te uiten. Verdachte is gaan rusten en nadat hij ontwaakte heeft er volgens de deskundige - indien bewezen – een ontlading plaatsgevonden. Bij een dergelijke vorm van woede dient de woede ertoe om de enorme kleinheid die wordt ervaren te overdekken met het tegendeel, een agressieve vorm van machtsvertoon, waarbij de eigen gevoelens van kleinheid worden overdekt door gevoelens van macht en kracht. De woede heeft tot doel om zijn geringe gevoel van eigenwaarde te compenseren door de ander klein te maken. De deskundige heeft opgetekend dat het agressieve gedrag van verdachte samenhangt met de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis, waarin krenking en ontwijkende (beperkte assertiviteit, angst voor conflict en afwijzing) trekken op de voorgrond staan.

De deskundige acht verdachte in staat om de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te kunnen zien, maar als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek moet hij niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig bovengenoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. De deskundige heeft geadviseerd om verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde - indien bewezen- verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De deskundige heeft geconcludeerd dat tezamen met het feit dat verdachte niet in staat kan worden geacht zelfstandig verandering te brengen in de geconstateerde psychische problematiek, de kans op herhaling vanuit psychopathologisch perspectief als licht verhoogd wordt ingeschat. Gestructureerde risicotaxatie wijst op een laag tot matig verhoogde kans op herhaling.

De deskundige heeft geadviseerd dat ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek behandeling is geïndiceerd. Tevens dient de behandeling gericht te zijn op de stemmingsproblemen die verdachte momenteel ten gevolge van de gebeurtenissen, waaronder het tenlastegelegde en de scheiding, ervaart. Volstaan kan worden met een ambulante behandeling bij een instelling als De Tender, forensische psychiatrische polikliniek, waarbij aan een soort behandeling kan worden gedacht als een delictscenarioprocedure waarbij het gedrag van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde het uitgangspunt vormt, waarna als nader behandeldoel kan worden gedacht aan een agressieregulatietraining. Tevens moet aandacht zijn voor de praktische problemen zoals huisvesting, inkomen en dagbesteding. De deskundige heeft geadviseerd om voornoemde behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf. Verdachte heeft tijdens de bespreking van het rapport met de deskundige te kennen gegeven dat hij zich herkent in het geschetste beeld van zijn persoonlijkheid, alsmede dat hij open staat voor behandeling voor zijn psychische problemen.


De rechtbank is van oordeel dat genoemd deskundigenrapport zorgvuldig tot stand is gekomen en stelt op basis daarvan vast dat verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdacht de noodzaak van behandeling inziet en hier positief tegenover staat.


Hoewel verdachte tegenover de deskundige, als ook ter terechtzitting, te kennen heeft gegeven zich niets meer van het tenlastegelegde te kunnen herinneren, acht de rechtbank verdachte wel toerekeningsvatbaar. De rechtbank voelt zich hierin gesteund door de deskundige en de hypothese met betrekking tot de ontstane impulsdoorbraak zoals hiervoor is uiteengezet, welke hypothese volgens de rechtbank past in hetgeen is voorgevallen.


Op grond van de hierboven genoemde overwegingen concludeert de rechtbank dat de ernst van de feiten en de omstandigheden zoals voornoemd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden rechtvaardigen. Naar aanleiding van hetgeen in het hierboven genoemde rapport over verdachte naar voren is gekomen, alsmede om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nogmaals strafbare feiten te plegen, is de rechtbank van oordeel dat een deel van voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, te weten een periode van 10 maanden, voorwaardelijk moet worden opgelegd, alsmede dat hieraan een aantal bijzondere voorwaarden moet worden gekoppeld. Om verdachte de noodzakelijke hulp en steun te bieden zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden bepalen dat verdachte zich moet houden aan de door de reclassering gestelde voorschriften en aanwijzingen, alsmede dat verdachte zijn medewerking verleend aan een ambulante behandeling bij De Tender of een soortgelijke instelling om zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsstoornis en hieraan gerelateerde agressieregulatie- en stemmingsproblematiek.

Ook acht de rechtbank van belang dat een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de [straat] in Hengelo (O), dan wel voor haar toekomstige woonadres, wordt opgelegd.


8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen


De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen hamer, vatbaar is voor verbeurdverklaring, aangezien met behulp van dit voorwerp het feit onder 1 primair is begaan. Bij de verbeurdverklaring heeft de rechtbank op de voet van artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.


9De schade van benadeelde


9.1

De vordering van de benadeelde partij


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in het geheel wordt toegewezen, met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit.


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de immateriële schade bepleit dat er nog geen sprake is van een medische eindtoestand waardoor de mogelijkheid bestaat dat de geschetste beperkingen nog kunnen verbeteren. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is van het door elkaar lopen van oude en nieuwe klachten. De raadsvrouw heeft betoogd dat de immateriële schade in geval van toewijzing fors moet worden gematigd tot een bedrag van

€ 2.500,00 met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.


De overwegingen van de rechtbank

[slachtoffer], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 26.105,79 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - Kleding € 230,00;
  • - Beddengoed € 121,50;
  • - Eigen risico 2014 € 339,29;
  • - Eigen risico 2015 € 375,00;
  • - Nieuwe sloten € 40,00;
  • - immateriële schade van € 25.000,00.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond.


Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 primair rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.


- materiële schade

De opgevoerde schadeposten kleding, beddengoed, eigen risico en nieuwe sloten zijn niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze posten voldoende onderbouwd, aannemelijk en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de posten die betrekking hebben op de materiële schade, zijnde in totaal een bedrag van € 1.105.79 derhalve toewijzen.


- immateriële schade

Door de raadsvrouw is een forse matiging van de immateriële schade bepleit. De rechtbank acht aannemelijk dat [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 7.500,00.


De rechtbank wijst aldus, gebaseerd op hetgeen hiervoor is uiteengezet, het gevorderde toe tot een totaalbedrag van € 8.605,79, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


De overige immateriële schade (te weten een bedrag van € 17.500,00) is door de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schade niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 primair is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 57, 91 Sr.

12De beslissing


De rechtbank:


bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit1 primair: het misdrijf: poging tot doodslag;feit 2: het misdrijf: overtreding van artikel 7 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden, waarvan 10 (tien) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;
  • - draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen van forensisch psychiatrische polikliniek De Tender, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsstoornis en hieraan gerelateerde agressieregulatieproblemen en stemmingsproblemen;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de [straat] te Hengelo (O), dan wel dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de straat waarin de toekomstige woning van [slachtoffer] gelegen is, tenzij het betreden van voornoemde locaties plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer], wonende te [woonplaats] aan de [adres] voor een deel van € 17.500,00 niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats] aan de [adres] van een bedrag van €8.605,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 november 2014;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van €8.605,79 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 78 dagen zal worden toegepast, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 november 2014;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen hamer.



Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. H. Bloebaum, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2014.



1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2014245216 van 8 januari 2015. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 20 november 2014, pagina 59 – 60.
3 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 30 december 2014, pagina 157.
4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 20 november 2014, pagina 129 – 130.
5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige 147 – 148.
6 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] van 18 november 2014, pagina 66.
7 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 (HIV I)
8 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 maart 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.
9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 18 november 2014, pagina 186 – 187.
10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] van 2 december 2014, pagina 150 – 151.