Rechtbank Overijssel, 20-03-2015 / ak_14_2676


ECLI:NL:RBOVE:2015:1408

Inhoudsindicatie
Beroep tegen verplichte deelname aan een alcoholslotprogramma gelet op recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gegrond verklaard.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-20
Publicatiedatum
2015-03-23
Zaaknummer
ak_14_2676
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • VR 2015/46
  • JWR 2015/48
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/2676


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]

wonende te Hengelo, eiser,


en


de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.



Procesverloop


Bij besluit van 14 juli 2014 heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard en hem verplicht tot deelname aan een alcoholslotprogramma (asp).


Bij besluit van 8 september 2014 heeft verweerder het hiertegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard.


Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door H. van Marle. Namens verweerder is, onder kennisgeving daarvan aan de rechtbank, niemand verschenen.



Overwegingen


1. Artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) bepaalt dat, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.


Artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wvw 1994 bepaalt dat, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen besluit tot oplegging van een asp.


Artikel 132b, eerste lid, van de Wvw 1994 bepaalt dat het CBR in de gevallen als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels bij het in dat artikellid bedoelde besluit betrokkene de verplichting oplegt deel te nemen aan een asp.


Ingevolge het tweede lid van artikel 132b verklaart het CBR bij het besluit als bedoeld in het eerste lid tevens het rijbewijs van betrokkene ongeldig en bepaalt daarbij dat de ongeldigverklaring betrekking heeft op alle categorieën waarvoor dat rijbewijs geldig was, met uitzondering van de categorie AM.


Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) bepaalt dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het asp indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3 ‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8 ‰.


2. Op 2 februari 2014 is door agenten van de politie Gelderland-Midden bij eiser een ademanalyse uitgevoerd, nadat hij als bestuurder had deelgenomen aan het verkeer. Daarop is bij hem een ademalcoholgehalte vastgesteld van 670 µg/l. Naar aanleiding van deze vaststelling heeft de korpschef van de politie Gelderland-Midden bij brief van

10 februari 2014 aan verweerder mededeling gedaan van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van motorrijtuigen uit de categorie B, E en AM. Op basis van deze mededeling heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard en hem de verplichting tot deelname aan een asp opgelegd.


3. Eiser voert, kort samengevat, in beroep aan dat verweerder het besluit van 14 juli 2014 onredelijk laat heeft genomen, omdat verweerder de mededeling van de korpschef al op

12 februari 2014 heeft ontvangen. Verweerder was volgens eiser op 14 juli 2014 niet meer bevoegd om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren en hem de verplichting tot deelname aan

een asp op te leggen. Verweerder dient op dit punt althans een nadere belangenafweging te maken. Daarnaast voert eiser aan dat zijn werkgever niet bereid is om in zijn bestelbus een alcoholslot te laten plaatsen. Hij wijst er voorts op dat verweerder sinds een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag geen besluiten tot oplegging van een asp meer heeft genomen.

Verder had verweerder volgens eiser zijn rijbewijs niet ongeldig mogen verklaren en hem niet de verplichting tot deelname aan een asp mogen opleggen, omdat hij ook strafrechtelijk is veroordeeld voor rijden onder invloed.


4. In de uitspraak van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622, concludeerde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat artikel 17 van de Regeling in een substantieel aantal gevallen onevenredig kan uitwerken, omdat het asp moet worden opgelegd aan bestuurders indien aan de toepassingsvoorwaarden uit dat artikel wordt voldaan, zonder dat daarbij rekening kan worden gehouden met hun persoonlijke omstandigheden. Volgens de Afdeling maakt de Regeling ten onrechte geen onderscheid tussen gevallen waarin het opleggen van een asp ingrijpende gevolgen voor de bestuurder heeft en gevallen waarin dergelijke gevolgen zich niet voordoen. Ook biedt de Regeling verweerder geen ruimte om in de gevallen waarin sprake is van ingrijpende gevolgen een geïndividualiseerde afweging te maken. Omdat voor de gevallen met ingrijpende gevolgen in de Regeling de evenredigheid van de opgelegde maatregel onvoldoende is gewaarborgd,

is artikel 17, eerste lid, van de Regeling volgens de Afdeling in strijd met artikel 3:4,

tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en daarom onverbindend.


5. Nu artikel 17, eerste lid, van de Regeling op grond van bovenvermelde uitspraak van de Afdeling onverbindend moet worden geacht, is de grondslag van de besluiten van

14 juli 2014 en 8 september 2014 komen te vervallen. De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen. Tevens ziet de rechtbank in het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en het besluit van 14 juli 2014 te schorsen tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser heeft besloten.


6. Op grond van het voorgaande hoeft hetgeen eiser voor het overige in beroep heeft aangevoerd, niet meer te worden besproken.


7. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding, omdat van de kant van eiser niet van proceskosten is gebleken.

Wel dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.



Beslissing


De rechtbank:


  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 8 september 2014;
  • - draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;
  • - schorst bij wijze van voorlopige voorziening verweerders besluit van 14 juli 2014 tot zes weken nadat een nieuw besluit op eisers bezwaar is genomen;
  • - gelast verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 165,- aan hem te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.J.H. Bijleveld, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.