Rechtbank Overijssel, 21-01-2015 / C-07-155184 - HZ ZA 09-313


ECLI:NL:RBOVE:2015:152

Inhoudsindicatie
Schade aan monumentaal woonhuis na werkzaamheden IJsselkade te Deventer. De vraag of de schade aan het pand is veroorzaakt door de werkzaamheden wordt – na deskundigenberichten – ontkennend beantwoord
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
C-07-155184 - HZ ZA 09-313
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


Vonnis van 21 januari 2015


in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/07/155184 / HZ ZA 09-313 van


[eiser],

wonende te [plaats 3],

eiser,

advocaat mr. R. Vissink te Amsterdam,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] RAADGEVENDE INGENIEURS B.V.,

gevestigd te [plaats 3],

gedaagde,

advocaat mr. A. ter Mors te Enschede,


en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/07/155323 / HZ ZA 09-333 van


[eiser],

wonende te [plaats 3],

eiser,

advocaat mr. R. Vissink te Amsterdam,


tegen


de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DEVENTER,

zetelend te Deventer,

gedaagde,

advocaat mr. J.H. Tuit te Almere,


en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/07/157786 / HA ZA 09-711 van


[eiser],

wonende te [plaats 3],

eiser,

advocaat mr. R. Vissink te Amsterdam,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] KUST- EN OEVERWERKEN B.V.,

gevestigd te [plaats 2],

gedaagde,

Advocaat mr. J.H. Tuit te Almere



Partijen zullen hierna [eiser], [A], Gemeente Deventer en [B] genoemd worden.


1De procedure in de zaak 09-313

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 20 februari 2013
  • - het deskundigenbericht
  • - de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
  • - de conclusie na deskundigenbericht van [A]
  • - de conclusie van antwoord na deskundigenbericht van [A]
  • - de antwoord-conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
  • - de akte uitlaten producties van [A].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De procedure in de zaak 09-333

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 20 februari 2013
  • - het deskundigenbericht
  • - de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
  • - de conclusie na deskundigenbericht van Gemeente Deventer
  • - de antwoord-conclusie na deskundigenbericht van Gemeente Deventer
  • - de antwoord-conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
  • - de akte uitlaten producties van Gemeente Deventer.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


3De procedure in de zaak 09-711

3.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 20 februari 2013
  • - het deskundigenbericht
  • - de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
  • - de conclusie na deskundigenbericht van [B]
  • - de antwoord-conclusie na deskundigenbericht van [B]
  • - de antwoord-conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
  • - de akte uitlaten producties van [B].

3.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


4De verdere beoordeling in de drie bovenvermelde zaken

4.1.

Bij het tussenvonnis van 20 februari 2013 heeft de rechtbank een onderzoek bevolen door drie deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:

Zijn, door de (hei)werkzaamheden die in het kader van de renovatie van de Wellekade hebben plaatsgevonden, trillingen veroorzaakt die de grenswaarden, volgend uit de SBR-A-richtlijnen zoals deze golden ten tijde van deze trillingen, hebben overschreden? Zo ja, hoe aannemelijk is het dat (een deel van) de (beweerdelijk geleden) schade aan de woning van [eiser] is veroorzaakt door voormelde trillingen?

Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

Ter beantwoording van deze vragen heeft de rechtbank tot deskundige benoemd de heren

ir. C.J. Ostendorf, ir. A.F. van Weele en ing. A. de Prouw.


4.2.

De rechtbank heeft vraag 1 zo geformuleerd omdat [eiser] een beroep heeft gedaan op de zogeheten “omkeringsregel”, voor de toepassing waarvan is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade (in dit geval de SBRA-richtlijnen, hier richt het eerste deel van de vraag zich op, door de deskundigen vraag 1a genoemd), en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (hierop is het tweede deel van de vraag, door de deskundigen 1b genoemd, gericht). Dit betekent dat (in dit geval) slechts sprake kan zijn van toepassing van de omkeringsregel als beide onderdelen (vraag 1a en b) met “ja” zijn beantwoord.


4.3.

De deskundigen hebben op 9 oktober 2013 hun rapport (verder: deskundigenbericht) uitgebracht. Voor de beantwoording van de vragen hebben de deskundigen, zoals hiervoor reeds aangegeven, vraag 1 gesplitst in 1a en 1b.

Vraag 1a luidt: Zijn, door de (heiwerkzaamheden die in het kader van de renovatie van de Wellekade hebben plaatsgevonden, trillingen veroorzaakt die de grenswaarden, volgend uit de SBR-A-richtlijnen zoals deze golden ten tijde van deze trillingen, hebben overschreden?

Vraag 1b luidt: Zo ja, hoe aannemelijk is het dat (een deel van) de (beweerdelijk geleden) schade aan de woning van [eiser] is veroorzaakt door voormelde trillingen?


4.4.

Het antwoord van de deskundigen op vraag 1a luidt als volgt:

Op basis van de trillingsmetingen is het mogelijk dat het heiwerk op 4 of 5 december heeft geleid tot een overschrijding van de grenswaarden uit SBR A voor het pand [adres]. Het is niet aannemelijk dat de grenswaarde voor de fundering met betrekking tot de kans op zettingen is overschreden.

Het antwoord van de deskundigen op vraag 1b luidt als volgt:

Het is niet aannemelijk dat (een deel van) de (beweerdelijk geleden) schade aan het pand [adres] is veroorzaakt door trillingen als gevolg van de heiwerkzaamheden die in het kader van de renovatie van de Wellekade hebben plaatsgevonden.

Vraag 2 hebben de deskundigen met “neen” beantwoord.


4.5.

In het concept van het deskundigenbericht d.d. 29 augustus 2013 is het antwoord op vraag 1a als volgt geformuleerd:

Concluderend: op basis van de trillingsmetingen is het aannemelijk dat het heiwerk op 4 december heeft geleid tot een overschrijding van de grenswaarden uit SBR A voor het pand [adres] met betrekking tot de kans op schade aan bouwkundige constructie. De grenswaarde voor de fundering met betrekking tot de kans op zettingen is niet overschreden.

Naar aanleiding van de reacties van gedaagden op het concept hebben de deskundigen hun antwoord aangepast. Ter motivering hebben de deskundigen daarover het navolgende in hun rapport opgenomen onder 3.2.5.:

Zowel door [A] (bijlage I) als de gemeente Deventer en [B] (bijlage II) is in hun reactie aangegeven dat het heiwerk niet op 4 december kan hebben plaats gevonden maar op 5 december moet hebben plaatsgevonden. In het overleg van 17 mei 2013 is geen directe melding gemaakt van de onjuistheid van de datum van 4 december en evenmin na schriftelijke toezending van het verslag van 17 mei. De heidatum is pas in de reacties ter discussie gesteld.


Consequentie van een andere heidatum is dat de in paragraaf gehanteerde trillingsniveaus en afstanden veranderen en daarmee ook de berekende trillingsniveaus voor de woning [adres] in paragraaf 3.2.4.

In de reactie van [A] is een aangepaste berekening uitgevoerd waaruit blijkt dat voor de woning [adres] geen overschrijding van de grenswaarde wordt berekend. De door [A] gehanteerde afstand wijkt enigszins af van de gegevens in voorliggend rapport:

- Afstand woning Lindenstraat 13 tot de meest noordelijke meerpaal (nummer 6 in voorliggend rapport, nummer 7 in de reactie van [A]) bedraagt 42 meter op basis van tekening in de reactie van [A] en de ter plaatse gemeten afstand (zie tabel 3.1) en geen 49 meter zoals in reactie [A].

Op basis van een afstand van 42 meter en een maximale trillingssnelheid van circa 0,9 mm/s (bijlage 03 uit trillingsrapport MUC), bedraagt de te beoordelen trillingssnelheid 1.61 mm/s op de woning [adres] (inclusief veiligheidsfactor). Daarmee treedt geen overschrijding van de grenswaarde op. Het antwoord op vraag 1a zou daarmee nee zijn.


Uit het bovenstaande volgt dat er tussen partijen verschil van mening bestaat over de juiste datum en tijd van het heiwerk aan de meerstoel recht voor de woning [adres]. Partijen geven als onderbouwing hun eigen interpretatie van de volgorde en wijze waarop het heiwerk zou hebben kunnen plaatsvinden zonder dat deze interpretatie kan worden onderbouwd door middel van dagrapporten, logboeken of andere registraties van het heiwerk. In het overleg van 17 mei is nog specifiek gevraagd om dergelijke registraties maar die bleken niet voorhanden.


De nu ontstane kwestie past qua beantwoording niet binnen de door de rechtbank geformuleerde opdracht. Derhalve is volstaan met het melden van de kwestie en het inzichtelijk maken van de consequenties. Paragraaf 3.3 gaat hier nog verder op in.

(…)


3.3

Antwoord vraag 1a

Door het verschil in mening tussen partijen inzake de juiste datum van het heiwerk en de daaraan gekoppelde trillingsniveau, is het antwoord op vraag 1a aangepast.


Op basis van de trillingsmetingen is het mogelijk dat het heiwerk op 4 of 5 december heeft geleid tot een overschrijding van de grenswaarden uit SBR A voor het pand [adres]. Het is niet aannemelijk dat de grenswaarde voor de fundering met betrekking tot de kans op zettingen is overschreden.


Hoewel beantwoording van vraag 1a met “niet aannemelijk” zou betekenen dat de beantwoording van vraag 1b overbodig zou worden, is vraag 1b toch beantwoord gezien de onzekerheid die hoort bij het antwoord op vraag 1a.


4.6.

Partijen hebben in hun conclusies na deskundigenbericht verder gedebatteerd over het antwoord op de vraag wat de juiste datum is van het heiwerk aan de meerstoel recht tegenover de woning van [eiser]. [eiser] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat dit 4 december 2002 was en de gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat dit op 5 december 2002 heeft plaatsgevonden. Hoewel voor de toepassing van de omkeringsregel niet van belang (zie 4.2.), oordeelt de rechtbank hieromtrent als volgt.


4.7.

In het deskundigenbericht is onder 3.2.4 het navolgende opgenomen:

Volgens eiser is de schade aan het pand Onder de Linden onder meer ontstaan op 4 december 2002 tussen 15.00 uur en 16.00 uur tijdens het heien van één van de meerpalen. De eiser kan zich genoemd tijdstip met zekerheid herinneren in verband met Sinterklaas.

Aan de hand van de resultaten van trillingsmetingen die door MUC aan panden langs Onder de Linden zijn uitgevoerd blijkt dat op dat tijdstip heiwerkzaamheden door Van der Herik werden uitgevoerd. De trillingsmetingen werden op dat moment door MUC aan het pand Onder de Linden nr. 1 uitgevoerd. Ook op andere tijdstippen zijn relatief hoge trillingssnelheden vastgelegd. (…)


De trillingsmetingen zijn gestart om 09.00 uur (uur 0). Dit betekent dat de trillingen die tot de beweerdelijke schade zouden hebben geleid, hebben plaatsgevonden tussen uur 6 en 7. De maximale trillingssnelheid bedraagt circa 2,2 mm/s bij de woning Onder de Linden 1.


Helaas bleek het voor Van der Herik niet mogelijk om dagrapporten van de werkzaamheden in de periode december 2002 te overleggen. Daardoor kan niet eenduidig vastgesteld worden wanneer, welke heiwerkzaamheden, waar hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat niet bekend is van welke meerstoel de palen werden geheid tussen 16.00 en 17.00 uur. Daardoor is evenmin de afstand tussen de trillingsbron en de woning [adres] eenduidig vast te stellen.

Daarom is een aanname gedaan op basis van de volgende gegevens:

In hoofdstuk 2 van het MUC rapport wordt gesteld dat steeds op de kortst mogelijk afstand tot de bron is gemeten;

De metingen op 4 december zijn uitgevoerd bij Onder de Linden 1 waaruit is af te leiden dat de heiwerkzaamheden toen bij meerstoel 1 of 2 zijn begonnen;

Op 5 december de meetpositie halverwege de dag is verplaatst naar de woning Lindenstraat 13. Hieruit is af te leiden dat de bron zich toen kennelijk op de kortste afstand van Lindenstraat 13 bevond;

Door de eiser is aangegeven dat de heiwerkzaamheden op 4 december recht voor zijn woning plaatsvonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] de gemotiveerde stelling van gedaagden dat de meerstoel voor zijn woning op 5 december (2002) is aangebracht onvoldoende betwist, zodat van die datum moet worden uitgegaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Door gedaagden is, door [eiser] onweersproken, gesteld dat de meerstoel voor zijn woning tijdens de intocht van Sinterklaas werd aangebracht. Voorts heeft [eiser] de met stukken onderbouwde stelling van gedaagden dat Sinterklaas (in 2002) op 5 december in Deventer is aangekomen eveneens niet weersproken.

Verder heeft [eiser] het met een tekening en foto’s onderbouwde (en overtuigende) betoog van gedaagden over de aanvangsdatum van de heiwerkzaamheden, de volgorde en richting van deze werkzaamheden en de meetlocaties, welk betoog eveneens tot de conclusie leidt dat de heipaal voor de woning van [eiser] op 5 december 2002 is aangebracht, onvoldoende betwist.

Dit betekent dit dat (ook) vraag 1a met neen moet worden beantwoord.


4.8.

[eiser] stelt dat het deskundigenrapport op essentiële onderdelen tekort schiet. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een in zijn opdracht door 3D BluePrint Architect & Engineers, gevestigd te Utrecht (verder: BluePrint) vervaardigde “second opinion” in het geding gebracht (productie 86), alsmede twee rapporten van BluePrint van 25 november 2013. Het eerste rapport (productie 87) is genaamd “Bepaling van de zakkingen van het Pand [adres] te [plaats 3] als gevolg van de werkzaamheden aan de kademuur in de periode 1999-2005”. Het tweede rapport (productie 88) betreft de “Bepaling van de trillingsbelasting van het pand [adres] te Deventer bij het heien van de meerstoelen op 4, 5 en 6 december 2002”. Volgens [eiser] ontstaat uit het onderzoek van BluePrint het volgende beeld:

De woning van [eiser] is op staal gefundeerd. Doordat daarnaast sprake is van een gedeeltelijke funderingswijze op de oude stadwallen, verkeert de woning in een relatief kwetsbare staat. Aldus Crux.

Als gevolg van de instorting van de kademuur en de uitstroom van zand en de verzakking die dat tot gevolg heeft gehad, is de vastheid/weerstand van de grond onder de woning van [eiser] ernstig afgenomen. Wanneer de grond vervolgens inklinkt, ontstaan zettingen.

De trillingen als gevolg van de heiwerkzaamheden hebben voor de woning van [eiser] de grenswaarde voor verdichting van de ondergrond in zeer ruime mate overschreden. Daardoor is de grond gaan inklinken en zijn zettingen ontstaan. Juist omdat de woning van [eiser] op staal is gefundeerd, werken zij direct door in de fundatie van de woning, waardoor de fundatie sneller kan knakken.

e trillingen als gevolg van de heiwerkzaamheden hebben voor de woning van [eiser] de grenswaarde voor bouwkundige schade in nog veel ruimere mate overschreden en hebben ervoor gezorgd dat de fundering van de woning van [eiser] daadwerkelijk is “geknakt”.

[eiser] stelt dat juist in een periode waarin de draagkracht van de ondergrond van de woning ernstig was verzwakt, de fundering van de woning heiklappen heeft moeten opvangen die de maximaal toegestane trillingswaarde ernstig hebben overschreden.

Hij stelt dat voldoende is bewezen dat de schade aan zijn woning is veroorzaakt door trillingen als gevolg van de heiwerkzaamheden die in het kader van de renovatie hebben plaatsgevonden, waarmee hij in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. Voorts stelt hij dat voldoende bewezen is dat sprake is van heitrillingen die de toegestane norm (aanzienlijk) hebben overschreden en die in verband kunnen worden gebracht met de schade aan zijn woning; niet alleen op 4 december 2002, maar ook op 5 en 6 december 2002. Daarmee is volgens [eiser] sprake van een normschending die leidt tot een omkering van de bewijslast.


4.9.

Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen het in dit stadium van de procedure in het geding brengen van de rapporten van BluePrint. Zij stellen dat zulks in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank gaat aan dit bezwaar voorbij. De gedaagden zijn in de gelegenheid gesteld op de rapportages te reageren, van welke gelegenheid zij ook gebruik hebben gemaakt. Zij zijn derhalve niet in hun verdediging geschaad.


4.10.

Bij de beoordeling van het betoog van [eiser] en de daaraan ten grondslag gelegde rapportages van BluePrint stelt de rechtbank voorop dat zij met betrekking tot de onderspoeling in haar vonnis van 13 april 2011 reeds heeft beslist dat aan [eiser] bewijs dient te worden opgedragen van zijn stelling dat voormelde onderspoeling aan zijn woning schade heeft veroorzaakt. Daartoe heeft de rechtbank in dat vonnis ook een aan de deskundigen te stellen vraag geformuleerd (namelijk: Is aannemelijk dat (een deel van) de (beweerdelijk geleden) schade aan de woning van [eiser] is veroorzaakt door de onderspoeling van 10 februari 2000? Zo ja, in welke mate?). In haar tussenvonnis van 20 februari 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] heeft afgezien van bewijslevering ter zake de vraag of de onderspoeling de litigieuze schade heeft veroorzaakt. De rechtbank heeft de daarop gerichte vraag uit het vonnis van 13 april 2011 dan ook niet aan de deskundigen voorgelegd. Voor zover [eiser] thans nog stelt dat als gevolg van de onderspoeling schade aan zijn woning is ontstaan - waaronder begrepen de door [eiser] gestelde verminderde draagkracht van de ondergrond als gevolg van die onderspoeling - dient de rechtbank daaraan voorbij te gaan. Dit geldt dus eveneens voor de rapportage van BluePrint voor zover zij hierin heeft aangegeven dat onderspoeling tot zakkingen (van de fundering) kan (of heeft kunnen) leiden. Gelet op de vraagstelling aan de deskundigen behoorden enkel de zettingen/zakkingen ten gevolge van trillingen tot de onderzoeksopdracht en niet de zettingen/zakkingen als gevolg van andere oorzaken. Dit betekent dat de stellingen van [eiser] en de rapportage van BluePrint (de bepalingen van de zakkingen) die [eiser] aan zijn stellingen ten grondslag heeft gelegd, zijn gebaseerd op verkeerde uitgangspunten.


4.11.

Met de gedaagden is de rechtbank van oordeel dat (ook) het tweede rapport van BluePrint (de bepaling van de trillingsbelasting) niet overtuigt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Blueprint moet als partijdeskundige worden aangemerkt, die uitsluitend door [eiser] van informatie is voorzien. Voorts is gesteld noch gebleken dat BluePrint - anders dan de door de rechtbank benoemde deskundigen - expertise heeft op het gebied van geotechniek en/of funderingstechniek. Alleen al om die redenen legt het rapport van BluePrint weinig gewicht in de schaal.

Voorts stelt [eiser] dat anders dan de door de rechtbank benoemde deskundigen BluePrint wel rekening heeft gehouden met de kortere afstand van de woning van [eiser] tot de trillingsbron. BluePrint heeft volgens [eiser] de trillingen specifiek aan de woning van [eiser] bepaald, door niet uit te gaan van de (verder van de woning van [eiser] gelegen) meerstoelen 2 en 3, maar van de trillingen die zijn opgewekt bij het heien van meerstoel 6 (de dichtst bij de woning van [eiser] gelegen meerstoel). Met de gedaagden kan de rechtbank [eiser] hierin niet volgen. Van meet af aan is immers duidelijk geweest dat destijds niet aan de woning van [eiser] is gemeten. Dit blijkt uit het rapport van M.U.C. die destijds de metingen heeft uitgevoerd (zie pag. 4 van dit rapport, productie 6 bij conclusie van antwoord van Gemeente Deventer). Wel is telkens op de kortste afstand van de bron gemeten, zo blijkt uit dit rapport. De door de rechtbank benoemde deskundigen hebben de gemeten trillingen op de locaties waar gemeten is herberekend naar de woning van [eiser]. Uit hoofdstuk 3.2.5 van het deskundigenbericht blijkt dat de deskundigen bij hun berekeningen wel degelijk zijn uitgegaan van de meerstoel welke direct voor de woning van [eiser] is gelegen.

Verder stelt [eiser] dat de rapportage van 3D BluePrint aantoont dat bij een juiste toepassing van de meetregistratie van M.U.C. de woning van [eiser] is belast door heitrillingen, waarbij de grenswaarde voor verdichting van de ondergrond in zeer ruime mate is overschreden. Hij wijst hierbij op het navolgende citaat uit de rapportage van Blueprint:

Tabel 5 laat zien dat bij het heien van de meerstoel 6 op 4 december de grenswaarde voor bouwkundige schade met factoren tussen de 8 en 470 overschreden zijn en dat de grenswaarde voor de verdichting van de ondergrond met factoren tussen 1,1 en 60 overschreden zijn afhankelijk van de demping van de ondergrond. Met een gemiddelde demping van 0,03 wordt de grenswaarde voor verdichting van de ondergrond (optreden van zakking) overschreden met ruim een factor 10. De grenswaarde voor bouwkundige schade wordt overschreden met een factor 60. Hierdoor is ernstige bouwkundige schade en verzakking van het pand [adres] te verwachten.

Uit de rapportages van M.U.C., Crux Engineering B.V.(producties 5 en 7 bij conclusie van antwoord Gemeente Deventer) en het deskundigenbericht blijkt evenwel dat geen dan wel hoogstens sprake is geweest van een geringe overschrijding van de grenswaarden. Waar BluePrint concludeert tot een overschrijding met een factor 470, moet sprake zijn van een verkeerde interpretatie of berekening.


4.12.

Al met al gaat de rechtbank aan hetgeen [eiser] heeft ingebracht tegen het deskundigenbericht voorbij. De rechtbank neemt het deskundigenbericht, waarin de bevindingen van de deskundigen uitvoerig en overtuigend worden gemotiveerd, als uitgangspunt voor de verdere beoordeling. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de schade aan de woning van [eiser] is veroorzaakt door zettingen. De deskundigen onderbouwen dit als volgt:

Uit de combinatie van conclusies volgend uit het bouwkundige onderzoek, het onderzoek naar de ondergrond en het onderzoek ten behoeve van de beantwoording van vraag 1a (hoofdstuk 3) valt af te leiden dat:

De aanwezige schade aan de woning veroorzaakt is door zettingen;

De ondergrond door trillingen nauwelijks valt te verdichten waardoor trillingen als oorzaak voor de zettingen niet in aanmerking komt;

De berekende trillingsniveaus op de fundering evenmin geleid kunnen hebben tot zettingen;

Het moment van het ontstaan van de schade in veel gevallen niet is te bepalen;

Er andere schademechanismen zijn aan te wijzen (ondergrond, funderingswijze) die tot het geconstateerde schadebeeld hebben geleid;

Het niet is uit te sluiten dat de opgetreden trillingen als gevolg van de heiwerkzaamheden hebben geleid tot een (beperkte) vergroting van sommige gebreken.

Het niet mogelijk is om vast te stellen welk deel van de gebreken door trillingen zijn beïnvloed.

Uit het bovenstaande volgt dat er geen reden is om aan te nemen dat er een causaal verband bestaat tussen de heiwerkzaamheden in het kader van de renovatie van de Wellekade en het opgetreden schadebeeld.


4.13.

NU [eiser] geen (nader) bewijs heeft aangeboden van zijn stelling dat de heiwerkzaamheden aan de Wellekade schade aan zijn woning hebben veroorzaakt moeten de vorderingen tegen alle gedaagden worden afgewezen.


4.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- griffierecht € 1.175,00

- salaris advocaat 4.023,00 (4,5 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 5.198,00


De kosten aan de zijde van Gemeente Deventer worden begroot op

- griffierecht € 1.810,00

- salaris advocaat 4.023,00 (4,5 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 5.833,00


De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op

- griffierecht € 1.810,00

- salaris advocaat 4.023,00 (4,5 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 5.833,00



5De beslissing

De rechtbank


in de zaak 09-313

5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 5.198,00,


5.3.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in de zaak 09-333

5.4.

wijst de vorderingen af,


5.5.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Deventer tot op heden begroot op € 5.833,00,


5.6.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in de zaak 09-711


5.7.

wijst de vorderingen af,


5.8.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 5.833,00,


5.9.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. J. van der Hulst en mr. S.J.S. Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2015.