Rechtbank Overijssel, 25-02-2015 / C/08/132458 / HA ZA 12-377


ECLI:NL:RBOVE:2015:1617

Inhoudsindicatie
Renvooiprocedure. Discussie over uitleg arrest gerechtshof.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
C/08/132458 / HA ZA 12-377
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/132458 / HA ZA 12-377

datum vonnis: 25 februari 2015


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:



[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres tot verificatie,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. M. Moszkowicz jr. te Maastricht,


tegen


mr. A.C. Huisman q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [X],

kantoorhoudende te Enschede,

verweerder tot verificatie,

verder te noemen de curator,

advocaat: mr. A.C. Huisman te Enschede.



1Het procesverloop:


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van de rechtbank van 12 november 2014;
  • - de akte van [eiseres] van 9 december 2014;
  • - het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen van 12 januari 2015.

1.2

Thans zal vonnis worden gewezen.


2Het geschil


2.1

In deze renvooiprocedure dient de rechtbank vast te stellen tot welk bedrag [eiseres] kan worden toegelaten tot verificatie als schuldeiser in het faillissement van de heer[X].


2.2

Zoals reeds eerder in deze procedure is vastgesteld, was de hoogte van de vordering van [eiseres] afhankelijk van de uitkomst van de lopende boedelscheidingsprocedure in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.



Formule Gerechtshof


2.3

Het Gerechtshof heeft bij eindarrest van 24 april 2014 een berekening meegegeven, waarmee de hoogte van de vordering uit overbedeling van [eiseres] op [X] kan worden vastgesteld:


“De vordering wegens overbedeling van [eiseres] op [X] zal worden verhoogd respectievelijk verlaagd met de helft van het negatief respectievelijk positief verschil tussen de taxatiewaarde en de waarde van € 420.000,- waarvoor de rechtbank de woning aan [eiseres] heeft toegedeeld. De vordering wegens overbedeling van [eiseres] op [X] zal daarnaast worden verhoogd met de taxatiewaarde van de percelen 1892 en 1894. Voor het geval de aldus berekende vordering wegens overbedeling lager is dan € 203.366,50 zal het hof bepalen dat de vordering € 203.366,50 bedraagt, omdat [eiseres] niet slechter kan worden van haar hoger beroep (reformatio in peius).”


Berekening curator


2.4

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 november 2014 reeds geconstateerd dat de taxaties hebben plaatsgevonden. Ook is bij tussenvonnis het standpunt van de curator weergegeven. Aan de hand van de taxaties en de rekensom van het Gerechtshof komt de curator op een vordering uit overbedeling van € 380.026,00.


Berekening [eiseres]


2.5

Na het tussenvonnis van 12 november 2014 heeft [eiseres] aan de hand van het arrest van het Gerechtshof en de plaatsgevonden taxaties een berekening gemaakt. [eiseres] stelt dat haar vordering € 581.366,50 bedraagt. Zij berekent dit als volgt.


[eiseres] stelt de huwelijksgoederengemeenschap vast op € 1.023.733,00:


- Echtelijke woning € 197.000,00

- Aandeel maatschap [X] € 107.500,00

- Niet in maatschap ingebrachte goederen € 17.317,00

- Certificaten Friesland Foods € 29.755,00

- Stille reserves € 672.161,00 +

Totaal € 1.023.733,00


In deze huwelijksgoederengemeenschap is [eiseres] voor de helft gerechtigd tot een bedrag van € 511.866,50. Aan [eiseres] is de echtelijke woning toebedeeld met een waarde van € 197.000,00 zodat aan haar een bedrag toekomt van € 314.866,50 wegens overbedeling van [X].


[eiseres] stelt zich verder op het standpunt dat haar vordering moet worden verhoogd met de helft van het verschil tussen de taxatiewaarde en de waarde van € 420.000,00 waarvoor de rechtbank de woning aan [eiseres] heeft toebedeeld. Het verschil tussen deze waarde en de taxatiewaarde ad € 197.000,00 is € 223.000,00. De helft daarvan is € 111.500,00.




Voorts ziet [eiseres] in de hiervoor onder r.o. 2.4 weergegeven formule van het Gerechtshof aanleiding om haar vordering te verhogen met de taxatiewaarde van de percelen 1892 en 1894 van € 155.000,00.


[eiseres] concludeert dat haar vordering wegens overbedeling van € 314.866,50 moet worden verhoogd met € 111.500,00 (het verschil tussen € 420.000,00 en de getaxeerde waarde van de woning) en € 155.000,00 (de taxatiewaarde van de percelen 1892 en 1894), zodat haar een vordering wegens overbedeling van € 581.366,50 toekomt.


3De beoordeling


3.1

De rechtbank neemt over hetgeen zij reeds bij tussenvonnissen van 31 juli 2013 en 12 november 2014 heeft overwogen en beslist.


3.2

Hoewel partijen van dezelfde formule en taxaties uitgaan, ziet de rechtbank zich thans geconfronteerd met twee verschillende uitkomsten van de door het Gerechtshof meegegeven berekening.


De formule van het Gerechtshof


3.3

Naar het oordeel van de rechtbank dient de berekening van het Gerechtshof te worden gebruikt om de in 2009 door de rechtbank vastgestelde vordering wegens overbedeling aan te passen. Het Gerechtshof neemt deze door de rechtbank vastgestelde vordering als uitgangspunt en geeft vervolgens een formule om deze te verhogen dan wel te verlagen, met als ondergrens een vordering wegens overbedeling van € 203.366,50.


3.4

In de berekening van [eiseres] wordt niet de door de rechtbank vastgestelde vordering wegens overbedeling als uitgangspunt genomen, maar wordt de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap opnieuw berekend, aan de hand van de inmiddels plaatsgevonden taxaties. Vervolgens past [eiseres] de formule van het Gerechtshof toe.


3.5

Deze toepassing van de formule van het Gerechtshof is onjuist. Het is immers van tweeën één: de formule van het Gerechtshof wordt toegepast met de in 2009 door de rechtbank vastgestelde vordering als uitgangspunt óf de thans bekende gegevens worden gebruikt om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap opnieuw vast te stellen, zonder toepassing van de formule van het Gerechtshof.


3.6

De rechtbank zal bij de berekening gebruik maken van de formule van het Gerechtshof.


De lagere taxatie van het woonhuis


3.7

Uit de formule van het Gerechtshof volgt dat de vordering uit overbedeling dient te worden vermeerderd dan wel verminderd met de helft van het negatieve respectievelijk positieve verschil tussen de thans vastgestelde woningwaarde en de door de rechtbank vastgestelde waarde van het woonhuis ad € 420.000,00.


3.8

Aan de hand van de inmiddels plaatsgevonden taxatie kan worden vastgesteld dat het negatieve verschil € 223.000,00 bedraagt. De helft van dit verschil is € 111.500,00. De door de rechtbank vastgestelde vordering wegens overbedeling ad € 203.367,50 dient dan ook te worden vermeerderd met € 111.500,00.

De percelen 1892 en 1894


3.9

Aan de hand van de letterlijke tekst van r.o. 2.11 van het arrest van het Gerechtshof van 24 april 2014 verhoogt [eiseres] haar vordering wegens overbedeling met de volledige waarde van de percelen 1892 en 1894.


3.10

Naar het oordeel van de rechtbank dient de formule van het Gerechtshof niet op die wijze te worden uitgelegd. In r.o. 2.9 van het arrest overweegt het Gerechtshof:


“Daarnaast dient eveneens nog een taxatie plaats te vinden van de percelen 1892 en 1894, die naar het hof uit het taxatierapport van Hendriksen opmaakt niet in de taxatie van het ondernemingsvermogen zijn opgenomen. Deze percelen komen uiteindelijk voor hun geheel toe aan [X] die gehouden is de helft van de waarde daarvan aan [eiseres] te vergoeden.”


3.11

Voorts blijkt uit het dictum van het arrest eveneens dat het Gerechtshof een verdeling van de waarde van de percelen 1892 en 1894 voor ogen heeft gehad:


“gelast partijen over te gaan tot verdeling van de percelen kadastraal bekend gemeente [A] sectie [Y] nummers 1892 en 1894, voor zover deze behoren tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen, als hiervoor in rechtsoverweging 2.10 is bepaald;”


3.12

Een verdeling van de waarde van de percelen 1892 en 1894 strookt ook met een correcte verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Niet valt in te zien, waarom de waarde van de percelen 1892 en 1894 volledig aan [eiseres] toekomt. Teneinde de waarde van de percelen correct te verdelen, dient de door de rechtbank vastgestelde vordering wegens overbedeling te worden vermeerderd met de helft van de getaxeerde waarde van de percelen die in de huwelijksgoederengemeenschap valt.


3.13

De totale waarde van de percelen 1892 en 1894 bedraagt € 155.000,00. Deze percelen vallen niet geheel in de huwelijksgoederengemeenschap. De totale omvang van de percelen gezamenlijk is 31 are en 40 centiare (perceel 1892 is 4 are en 65 centiare en perceel 1894 is 26 are en 75 centiare). Voorts heeft het Gerechtshof vastgesteld dat uit de akte van inbreng blijkt dat van perceel 1892 een deel groot 2 are en 50 centiare in de maatschap is ingebracht en dat van perceel 1894 een gedeelte van 7 are en 50 centiare in de maatschap is ingebracht. De in de maatschap ingebrachte gronden vallen niet in de huwelijksgoederengemeenschap. Wel valt het hieraan gekoppelde maatschapsaandeel van 50% van [X] in de huwelijksgoederengemeenschap.


3.14

Uit r.o. 2.10 van het arrest van het Gerechtshof kan worden opgemaakt dat het Gerechtshof voor ogen heeft gehad dat vastgesteld zou moeten worden wat de waarde is van de in de maatschap ingebrachte gronden en die van de gronden die niet zijn ingebracht. Deze redenering steunt op de mogelijkheid om thans vast te stellen welke gedeelten van de percelen zijn ingebracht en welke waarden aan de verschillende gedeelten kunnen worden toegekend.


3.15

Inmiddels is gebleken dat het niet mogelijk is om vast te stellen welke gedeelten van de percelen zijn ingebracht en welke delen niet. Evenmin kan worden vastgesteld of deze gedeelten verschillend moeten worden gewaardeerd. [eiseres] heeft hier ook geen feiten of omstandigheden voor aangevoerd.


3.16

De rechtbank is dan ook – met de curator – van oordeel dat slechts kan worden uitgegaan van een gemiddelde waarde per centiare, zodat de grondwaarde naar evenredigheid wordt verdeeld over de in de maatschap ingebrachte delen en de in de huwelijksgoederengemeenschap vallende delen van de percelen 1892 en 1894.


3.17

Het voorgaande leidt tot de volgende berekening. De percelen zijn gezamenlijk 31 are en 40 centiare groot. De totale waarde van de percelen bedraagt € 155.000,00. De waarde van de verschillende delen van de percelen kan worden berekend aan de hand van de volgende formule: € 155.000,00 / 3.140 x [centiares deel X]. Deze berekening leidt tot de volgende waardering (afgerond op hele euro’s):


- Maatschapsdeel 1892 groot 250 centiares (2.5 a) € 12.341,00

- Maatschapsdeel 1894 groot 750 centiares (7.5 a) € 37.022,00 +

Totale waarde in de maatschap ingebrachte gronden € 49.363,00


- Resterend deel 1892 groot 215 centiares (2.15 a) € 10.613,00

- Resterend deel 1894 groot 1925 centiares (19.25 a) € 95.024,00 +

Totale waarde niet ingebrachte gronden € 105.637,00


3.18

[X] heeft een aandeel van 50% in de maatschap. De helft van de waarde van de in de maatschap ingebrachte gronden ad € 24.681,50 valt derhalve via dit maatschapsaandeel in de huwelijksgoederengemeenschap. De overige gronden met een waarde van € 105.637,00 vallen geheel in de huwelijksgoederengemeenschap.


3.19

Zoals hiervoor in r.o. 3.12 overwogen, dient in het kader van de verdeling en ter correctie van de door de rechtbank vastgestelde vordering uit overbedeling, deze vordering te worden vermeerderd met de helft van de waarde van de in de huwelijksgoederengemeenschap vallende percelen grond. Dit betreft dan dus de helft van de som van € 24.681,50 en € 105.637,00, te weten € 65.159,25.


Vermeerdering maatschapsaandeel [X]

3.20

Het voorgaande resulteert in twee wijzigingen van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [eiseres] en [X] ten opzichte van de beslissing van de rechtbank in 2009. Het maatschapsaandeel van [X] blijkt € 24.681,50 hoger en de waarde van de niet ingebrachte gronden wordt verhoogd met € 105.637,00.


3.21

Door [eiseres] is betoogd dat deze eerste wijziging niet mogelijk is, omdat het Gerechtshof in zijn tussenbeschikking de grief van [eiseres] betreffende het maatschapsaandeel van [X] heeft verworpen, zodat vast zou staan dat het maatschapsaandeel van [X] € 107.000,00 bedraagt en niet kan worden vermeerderd met de waarde van de in de maatschap ingebrachte gronden.


3.22

Naar het oordeel van de rechtbank is deze opvatting van [eiseres] onjuist. Weliswaar heeft het Gerechtshof in haar tussenbeschikking de tweede grief van [eiseres] verworpen, maar naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit niet worden afgeleid dat het Gerechtshof heeft geconcludeerd dat het maatschapsaandeel van [X] niet dient te worden verhoogd met de waarde van de ingebrachte percelen. De hiervoor onder r.o. 3.9 en 3.10 weergegeven overwegingen van het Gerechtshof dienaangaande in het eindarrest spreken een dergelijke uitleg van de verwerping van grief 2 tegen.

Vordering [eiseres]


3.23

Voorts heeft [eiseres] (eerst) bij akte van 9 december 2014 en vervolgens ter comparitie van 12 januari 2015 opgemerkt dat haar “vóór alle schuldeisers” een bedrag toekomt en dat zij “een bijzondere schuldeiser en geen eenvoudige concurrente” schuldeiser is.


3.24

In het geheel wordt door [eiseres] geen onderbouwing gegeven van de door haar gestelde preferentie in het faillissement van [X]. Het niet onderbouwde standpunt dat [eiseres] als “bijzonder” schuldeiser heeft te gelden, vindt overigens geen steun in de wet of jurisprudentie. Er is geen sprake van een voorrecht in het faillissement van [X] voor [eiseres].


3.25

Naar het oordeel van de rechtbank is [eiseres] een concurrent schuldeiser.


Conclusie


3.26

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de vordering wegens overbedeling, zoals in 2009 door de rechtbank is vastgesteld, als volgt moet worden aangepast:


€ 203.366,50 De door de rechtbank in 2009 vastgestelde vordering wegens

overbedeling;

+ € 111.500,00 De helft van het negatieve verschil tussen de huidige

taxatiewaarde van woning ad € 197.000,00 en de door de rechtbank gehanteerde waarde ad € 420.000,00;

+ € 65.159,25 De helft van de waarde van de in de huwelijksgoederen-

gemeenschap vallende percelen en de helft van het maatschapsaandeel van [X] in het kader van de in de maatschap ingebrachte gronden.

===========================================================

€ 380.025,75 Herziene vordering wegens overbedeling [eiseres].


3.27

De rechtbank constateert dat toepassing van deze formule hetzelfde resultaat geeft als de berekening van de verdeelde huwelijksgoederengemeenschap, indien wordt uitgegaan van alle thans bekende gegevens:


- Echtelijke woning € 197.000,00

- Aandeel van de man in de maatschap € 132.181,50

(€ 107.500,00 + 50% waarde ingebrachte gronden)

- Niet in de maatschap ingebrachte gronden € 122.954,00(€ 17.317,00 + waarde resterende gronden)

- Certificaten Friesland Foods € 29.755,00

- Stille reserves € 672.161,00 +

===========================================================

Omvang huwelijksgoederengemeenschap € 1.154.051,50


In deze huwelijksgoederengemeenschap is [eiseres] voor de helft gerechtigd tot een bedrag van € 577.025,75. Aan [eiseres] is de echtelijke woning toebedeeld met een waarde van € 197.000,00 zodat aan haar een bedrag toekomt van € 380.025,75 wegens overbedeling van [X].

3.28

Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiseres] kan worden toegelaten tot verificatie als concurrent schuldeiser in het faillissement van [X] tot een bedrag van € 380.026,00 (afgerond op hele euro’s).


3.29

Omdat partijen, alles afwegende, over en weer in het gelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren, zodat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt.


4De beslissing


De rechtbank:


I. Laat [eiseres] in het faillissement van [X] toe tot verificatie als concurrent schuldeiser tot een bedrag van € 380.026,00.


II. Compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


III. Wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Bosch en op 25 februari 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.