Rechtbank Overijssel, 01-04-2015 / 08/952983-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:1620

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt twee mannen tot gevangenisstraffen van 12 en 4 maanden omdat zij op het station van Almelo een conducteur en een machinist van de NS hebben mishandeld. De rechtbank rekent het beide mannen zwaar aan dat ze tijdens de treinreis van Rijssen naar Almelo bijzonder hinderlijk en provocerend waren en steeds de confrontatie zochten, terwijl de conducteur en machinist slechts hun werk deden en probeerden om de situatie niet te laten escaleren. De 30-jarige man uit Rijssen is de aanstichter, hij krijgt een celstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden voor een poging zware mishandeling, diefstal en belediging van de conducteur. Hij moet een schadevergoeding van 1360 euro betalen aan de conducteur. De 20-jarige man uit Schiedam had een kleiner aandeel, hij is veroordeeld tot 4 maanden gevangenis voor de mishandeling van de machinist en het betalen van een schadevergoeding van 600 euro.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-01
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
08/952983-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/952983-14

Datum vonnis: 1 april 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in PI Arnhem – De Berg, Arnhem Noord in Arnhem.


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 maart 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Waterman en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. M.P. Smit, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


feit 1 primair: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] (als machinist werkzaam bij de Nederlandse Spoorwegen) zwaar te mishandelen door deze [slachtoffer 1] te schoppen en te slaan tegen het hoofd/gezicht terwijl [slachtoffer 1] op de grond ligt;


feit 1 subsidiair: [slachtoffer 1] (als machinist werkzaam bij de Nederlandse Spoorwegen) heeft mishandeld;


feit 1 meer subsidiair: openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (resp. als conducteur en als machinist werkzaam bij de Nederlandse Spoorwegen).


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 02 december 2014 te Almelo,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1] (zijnde als machinist werkzaam bij de Nederlandse Spoorwegen)

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

een of meermalen met kracht [slachtoffer 1] in/op/tegen het gezicht en/of hoofd heeft

gestompt en/of geslagen ((ook) terwijl [slachtoffer 1] op de grond ligt),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 02 december 2014 te Almelo

een persoon, genaamd [slachtoffer 1] (zijnde als machinist werkzaam bij de Nederlandse

Spoorwegen) opzettelijk mishandelend

een of meermalen aan/tegen het lichaam heeft getrokken en/of geduwd en/of

- een of meermalen (met kracht) naar de grond heeft gewerkt en/of op de grond

heeft gegooid en/of

- een of meermalen (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd heeft

gestompt en/of geslagen ((ook) terwijl [slachtoffer 1] op de grond ligt),

waardoor [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 02 december 2014 te Almelo

openlijk, op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke

plaats, te weten op het perron van het treinstation te Almelo,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1]

(respectieve1ijk als conducteur en machinist werkzaam bij de Nederlandse

Spoorwegen),

welk geweld bestond uit het

- een of meermalen tegen het lichaam van [slachtoffer 2] duwen en/of

- een of meermalen aan het lichaam van [slachtoffer 2] trekken (ook terwijl [slachtoffer 2] op

de grond ligt) en/of

- een of meermalen schoppen en/of trappen tegen het gezicht en/of hoofd en/of

lichaam van [slachtoffer 2] ((ook) terwijl [slachtoffer 2] op de grond 1igt) en/of

- een of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen in/op/tegen het hoofd

en/of gezicht van [slachtoffer 2] ((ook) terwijl [slachtoffer 2] op de grond ligt)

en/of

- aan/tegen het lichaam van [slachtoffer 1] trekken en/of duwen en/of

- ( met kracht) naar de grond werken van [slachtoffer 1] en/of op de grond gooien van

[slachtoffer 1] en/of

en/of

- ( dreigend) naar [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] toelopen en/of

- zich (dreigend en/of intimiderend) opdringen aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of

- maken van slaande bewegingen naar/in de richting van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1];


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en het houden aan de aanwijzingen van de reclassering ook als dat een ambulante behandeling bij JusTact of De Tender inhoudt. De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 1.500,-- en oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr en niet ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

4. De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De feiten die niet ter discussie staan


De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.


Verdachte heeft op 2 december 2014 in Almelo met kracht een vuistslag gegeven tegen het gezicht en het hoofd van [slachtoffer 1] toen de machinist op de grond viel. [slachtoffer 1] is als machinist in dienst van de Nederlandse Spoorwegen. [slachtoffer 1] heeft hoofdpijn en pijn in de nek opgelopen, alsmede een blauw oog, een bloedende verwonding bij de wenkbrauw, een zwelling en kneuzing links op het hoofd, een hersenschudding en een zwaar gekneusde linker ringvinger.


5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde kan worden bewezen. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de camerabeelden en uit de getuigenverklaringen volgt dat verdachte de eerste vuistslag in het gezicht van de machinist [slachtoffer 1] heeft gegeven, waarna er is geduwd en getrokken en de machinist naar de grond is gewerkt, waarna door verdachte meermalen in het gezicht van de machinist is geslagen terwijl de machinist op de grond ligt. De officier van justitie heeft het met kracht slaan afgeleid uit de wijze van slaan. De officier van justitie heeft aangevoerd dat bij verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat vrijspraak moet volgen voor het primair tenlastegelegde, nu het uitdelen van een enkele klap geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. De raadsman heeft betoogd dat het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen.


5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Als vaststaand feit is aangemerkt dat verdachte op 2 december 2014 in Almelo één vuistslag tegen het gezicht dan wel het hoofd van de machinist heeft gegeven. Daarnaast staat vast dat verdachte de machinist aan het lichaam heeft getrokken en geduwd en dat hij de machinist naar de grond heeft gewerkt en op de grond heeft gegooid. Vorenbedoelde vuistslag heeft de verdachte aan de machinist gegeven toen hij vallende was.


Aangever [slachtoffer 1], getuige [slachtoffer 2] en getuige [getuige] hebben ieder afzonderlijk verklaard dat op het moment dat zij en de verdachten bij de ingang van de trein stonden, door verdachte uit het niets een vuistslag is uitgedeeld tegen het hoofd van de machinist. Op de camerabeelden van het perron in Almelo is te zien dat verdachte op het moment dat alle betrokkenen nog bij de treindeuren staan, als eerste zijn arm omhoog heft en een slaande beweging maakt ter hoogte van het gezicht van de machinist.


Op basis hiervan is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte degene is die als eerste heeft geslagen, alsmede dat door verdachte, voorafgaand aan de vuistslag die hiervoor onder vaststaande feiten is opgenomen, nog een vuistslag is gegeven tegen het gezicht dan wel het hoofd van de machinist.


Primair

Voor een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte de opzet had om de conducteur zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag die in dit verband beantwoord dient te worden, is of verdachte ten minste heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet, oftewel of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de conducteur door de handelingen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte dit (voorwaardelijke) opzet had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de twee door verdachte gegeven vuistslagen in de gegeven omstandigheden, dan wel de andere bewezenverklaarde geweldshandelingen (duwen, trekken en naar de grond werken/op de grond gooien) zodanig van aard zijn geweest dat de aanmerkelijke kans bestond dat de conducteur hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen de intensiteit van de gegeven vuistslagen en daarmee de impact van de slagen niet kan worden vastgesteld. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat geen sprake is van een poging zware mishandeling en zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.


Subsidiair

Zoals hierboven reeds uiteengezet staat vast dat verdachte, naast duwen/trekken aan het lichaam en naar de grond werken/op de grond gooien, twee maal een vuistslag in het gezicht dan wel tegen het hoofd van de machinist heeft gegeven. De machinist heeft als gevolg van deze dit geweld pijn en letsel ondervonden. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, door zo te handelen, zich aan (eenvoudige) mishandeling van de machinist heeft schuldig gemaakt.


5.4

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 02 december 2014 te Almelo een persoon, genaamd [slachtoffer 1], zijnde als machinist werkzaam bij de Nederlandse Spoorwegen, opzettelijk mishandelend

- aan het lichaam heeft getrokken en geduwd en

- met kracht naar de grond heeft gewerkt en op de grond heeft gegooid en

- meermalen met kracht tegen het gezicht en het hoofd heeft gestompt, ook terwijl [slachtoffer 1] op de grond ligt,

waardoor [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


6.1

Noodweer


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie meent dat aan verdachte geen beroep op noodweer toekomt en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zichzelf in die situatie heeft gemanoeuvreerd en zich hiervan vervolgens niet heeft gedistantieerd, hoewel hij hiertoe wel de mogelijkheid had. De officier van justitie is er vanuit gegaan dat verdachte is begonnen door een vuistslag te geven, waardoor geen sprake is van een noodzakelijke verdediging. Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat voor zover verdachte dacht zich in een situatie te bevinden waarin hij zich moest verdedigen, deze gedachte niet is gebaseerd op een voorstelling die hij redelijkerwijs mocht maken. Dat verdachte mogelijk bang was ten gevolge van zijn Post Traumatisch Stress Stoornis (hierna: PTSS) staat hieraan niet in de weg.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat sprake was van een noodweersituatie. Verdachte kon zich vanwege de bij hem op dat moment ontstane angst ten gevolge van de door de deskundige geconstateerde PTSS, zijn totale afhankelijkheid van medeverdachte [medeverdachte] en de omstandigheid dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, niet zomaar aan de situatie onttrekken. Tegen een onmiddellijke aanval door de machinist bestaande uit het duwen van verdachte, heeft verdachte zich verdedigd. De raadsman heeft voorts betoogd dat verdachte in zijn reactie is doorgeschoten en dat sprake is van een gerechtvaardigd beroep op noodweer exces.


De conclusie van de rechtbank

Voor de beantwoording van de vraag of het beroep op noodweer slaagt moet allereerst de vraag worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van de machinist of conducteur.


De rechtbank heeft bij de beoordeling daarvan meegewogen dat verdachte zelf een groot aandeel heeft gehad in de ontstane situatie. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte niet alleen degene is geweest die, door met medeverdachte [medeverdachte] mee te gaan en af te stappen op de conducteur en de machinist voor verhaal de confrontatie aanging, maar ook dat verdachte degene is geweest die de eerste geweldshandeling heeft gepleegd tegen de machinist. De rechtbank concludeert, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de machinist of de conducteur in dit geval geen sprake was. Voor zover de handelingen van de machinist in de richting van verdachte al als geweldshandelingen moeten worden beschouwd, zijn deze handelingen klaarblijkelijk verricht om verdachte, die als eerste sloeg en de machinist daarbij met kracht vol op de kaak had geraakt, van zich af te houden. Daarnaast is niet aannemelijk dat verdachte zich niet aan de geweldinwerking van die handelingen kon onttrekken door gewoon snel weg te lopen. Dat zijn gemoedstoestand daaraan in de weg stond is evenmin aannemelijk geworden. Aldus slaagt een beroep op noodweer niet.


Ook het beroep op noodweerexces faalt. Voor een gerechtvaardigd beroep op noodweerexces is vereist dat sprake is van een grensoverschrijdende handeling die het onmiddellijk gevolg is van een hevige, door een aanranding veroorzaakte, gemoedsbeweging. Zoals hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van een zodanige externe aanleiding of aanranding waaruit verdachtes reactie is te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat verdachtes daad veeleer is toe te schrijven aan de wil om zijn medeverdachte bij te staan in het aangaan van de confrontatie teneinde verhaal te halen hetgeen niet kan leiden tot het aannemen van noodweer exces. De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat geen sprake is van een strafuitsluitingsgrond en verwerpt aldus het verweer van de raadsman hieromtrent.


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 300 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


subsidiair

het misdrijf: mishandeling.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

toepassing van het jeugdstrafrecht


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de wegingslijst voor adolescentenstrafrecht deze zaak niet dermate zwaarwegend is dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat hoewel de deskundige jeugdstrafrecht nodig acht, de verdediging vertrouwen heeft in de volwassenenreclassering om, indien reclasseringstoezicht wordt opgelegd, verdachte te begeleiden.




Het advies van de deskundige

De deskundige mw. drs. C.M. Hopman-van Emmerik, psycholoog, heeft op 6 maart 2015 een rapportage uitgebracht. Daarin constateert de deskundige dat het aanbeveling verdient het minderjarigenstrafrecht toe te passen. De wegingslijst adolescentenstrafrecht is gebruikt.

Naar het oordeel van de deskundige komt verdachte jonger over dan kalenderleeftijd. Volgens de deskundige is sprake van forse tekorten in zelfredzaamheid, zelfstandigheid en flexibiliteit voortkomend uit een overbeschermende opvoedingssituatie in een relatief overzichtelijke leefomgeving, terwijl daarnaast de als bedreigend ervaren buitenwereld expansie en sociale ontwikkeling minimaliseerde. Zowel op grond van zijn leeftijd als op grond van zijn sociaal emotionele ontwikkelingsniveau is verdachte volgens de deskundige in sterke mate afhankelijk van de stut en steun van zijn directe omgeving en is de persoonlijkheid nog onvoldoende uitgerijpt. De deskundige acht voor verdachte van belang zijn opleiding te kunnen vervolgen. De specifieke deskundigheid van jeugdreclasseerders zal volgens de deskundige meer passend zijn bij de ontwikkeling en het gedrag van verdachte, dan de deskundigheid van de reclasseerders binnen de volwassenenzorg.


De overwegingen van de rechtbank

Na behandeling van de feiten en de persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank zich een eigen oordeel gevormd over de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank de bevindingen van de psycholoog, die ter terechtzitting zijn besproken, meegewogen. De rechtbank heeft overwogen dat de persoon van verdachte weliswaar nog niet is uitgerijpt en dat hij nog niet volwassen is, maar dat verdachte niet dusdanig in zijn ontwikkeling is achtergebleven, dat reeds daarom het jeugdstrafrecht moet worden toegepast.

De rechtbank voegt hieraan nog het volgende toe. Als hoofdregel geldt dat ten aanzien van verdachten van 18 jaar en ouder het strafrecht voor volwassenen van toepassing is. Voor toepassing van het jeugdstrafrecht moet een bijzondere reden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake. Derhalve volgt de rechtbank het advies van de psycholoog om het jeugdstrafrecht toe te passen niet.


8.2

De gronden voor een straf of maatregel


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat er, gelet op de ernst van het feit een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, moet worden opgelegd, met oplegging daarbij van een aantal bijzondere voorwaarden, te weten reclasseringstoezicht en het volgen van een ambulante behandeling.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest met oplegging daarbij van een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij de raadsman heeft opgemerkt dat verdachte bereid is zijn medewerking te verlenen aan reclasseringstoezicht en ook indien dit een ambulante behandeling bij De Tender zou inhouden.


De strafmaatoverwegingen van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling onder zeer kwalijke omstandigheden. Hij heeft een machinist van de Nederlandse Spoorwegen met zijn tot vuist gebalde hand plotseling tegen het gezicht/hoofd geslagen, naar de grond gewerkt en op de grond gegooid, en vervolgens, terwijl die machinist op de stenen van het perron viel, nog een keer met zijn tot vuist gebalde hand tegen het gezicht/hoofd geslagen. De rechtbank betitelt dergelijk gewelddadig gedrag als bijzonder ernstig, te meer nu het slachtoffer in deze slechts bezig was met het uitoefenen van zijn werkzaamheden als machinist. Daar komt nog bij dat verdachte voorafgaand aan zijn geweldsuitbarsting gedurende de treinreis vanuit Rijssen naar Almelo betrokken is geweest bij bijzonder hinderlijk en provocerend gedrag. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] vielen al op station Rijssen en tijdens deze treinreis een voor hen onbekend reizend meisje lastig door tegen haar wil contact met haar te zoeken. Medeverdachte [medeverdachte] ging bovendien herhaaldelijk bij het meisje zitten in een verder lege coupé en bleef haar volgen toen zij een andere zitplaats opzocht. Op enig moment wist het meisje de conducteur duidelijk te maken dat zij hiervan niet was gediend en heeft de conducteur, vanuit zijn hoedanigheid, het meisje in bescherming proberen te nemen door haar in een eerste klasse coupé te laten plaatsnemen. De conducteur had de machinist en de algemene veiligheidscentrale inmiddels van de situatie met de lastige reizigers op de hoogte gebracht. De machinist en de conducteur hebben op het station in Rijssen nog overwogen om de politie Rijssen te bellen, maar besloten de verdachten het voordeel van de twijfel te geven. Echter was de situatie voor de conducteur en machinist hiermee niet ten einde. Aangekomen op het station in Almelo, het eindstation, liet de conducteur het meisje en twee andere personen bij hem in de deuropening van de trein wachten tot de verdachten de trein en het perron hadden verlaten. Verdachte kwam echter samen met medeverdachte [medeverdachte], die laatste onderwijl druk agressief gebarend, op de conducteur aflopen. De inmiddels door de conducteur uit veiligheidsoverwegingen opnieuw ingeseinde machinist liep naar zijn collega en probeerde de aankomende escalatie af te wenden door verdachten te bewegen gewoon door te lopen. Medeverdachte [medeverdachte] was kennelijk niet voor rede vatbaar en bracht zijn gezicht op bijna neuslengte van de conducteur om, vergezeld van een bijzonder vervelende belediging, verhaal te halen. De machinist en de conducteur hebben de verdachten nog gezegd dat zij weg moesten gaan, waarna de conducteur, kennelijk om enige afstand tot de medeverdachte te creëren, deze van zich heeft afgeduwd. Verdachte heeft een vuistslag in de richting van de machinist gegeven, waarbij hij de machinist vol op de taak trof. Daarna liep de situatie uit op twee vechtpartijen, de ene tussen [medeverdachte] en de conducteur en de andere tussen verdachte en de machinist, waarbij de NS-medewerkers hun uiterste best hebben gedaan om de verdachten van zich af te weren. De machinist is hierbij door verdachte naar de grond gewerkt, waarbij verdachte een vuistslag op het gezicht van de conducteur uitdeelde. De rechtbank tilt, naast het telkens opnieuw zinloos opzoeken van de confrontatie, met name zwaar de omstandigheid dat de conducteur en machinist, beiden niet opgeleid als beveiliger, tegen wil en dank met deze niet af te wenden gewelddadige situatie zijn geconfronteerd, terwijl zij slechts hun werkzaamheden wilden verrichten en zich daarbij genoodzaakt zagen een passagier in bescherming te nemen. Het gebeuren heeft diepe impact gehad op de machinist en belemmert hem tot op heden nog in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zoals ook door de machinist in de door hem opgestelde en ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring is verwoord. Een dergelijk feit heeft niet alleen grote gevolgen voor de slachtoffers, maar heeft ook de getuigen en omstanders geschokt, zoals is gebleken uit de camerabeelden waarop is te zien dat meerdere mensen in paniek van het perron af rennen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat de aanleiding tot dit gewelddadig gebeuren voor een groot deel bij verdachte zelf ligt. Toen verdachte op het station in Almelo de mogelijkheid had om de situatie te beëindigen door weg te gaan, koos hij echter voor de op geweld uitgelopen confrontatie. Het gegeven dat verdachte, hoewel hij hiertoe meermalen de mogelijkheid heeft gehad, zich niet van de situatie heeft gedistantieerd weegt de rechtbank tevens mee bij haar strafmaatoverwegingen.


Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen ook de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover deze voor onderhavig feit is vastgesteld. De oriëntatiepunten geven aan als uitgangspunt voor een mishandeling, enig letsel ten gevolge hebbend een geldboete van € 750,--. Nu het feit is begaan tegen een functionaris in het openbaar vervoer kan het oriëntatiepunt met een percentage van 33% tot 100% worden verhoogd. Bij het in deze zaak bewezen verklaarde delict is, anders dan in het oriëntatiepunt, sprake van aanzienlijk letsel bij de machinist. De rechtbank realiseert zich dat het Openbaar Ministerie van andere richtlijnen is uitgegaan dan de uitgangspunten van rechtbank zoals hiervoor reeds uiteengezet. De rechtbank hanteert de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, welke dienen te worden beschouwd als een indicatie voor een gelijkwaardige straftoemeting. In deze zaak acht de rechtbank het bijzonder kwalijk dat het excessief geweld heeft plaatsgevonden in een openbare gelegenheid. Dit geweld heeft, naast de gevolgen voor de direct betrokkenen, ook een enorme impact gehad op de maatschappij en heeft reeds aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid bij alle medewerkers binnen de beroepsgroep, zoals recent veelvuldig in de diverse media is belicht, versterkt. Daar komt nog bij dat in dit geval de conducteur en de machinist vanuit hun hoedanigheid de zorg voor en veiligheid van de overige reizigers probeerden te waarborgen en daardoor letterlijk en figuurlijk voor deze reizigers moesten gaan staan. Op basis hiervan acht de rechtbank voornoemd oriëntatiepunt in dit geval in het geheel niet toereikend.


Uit het uittreksel uit het Justitiële Documentatie van verdachte van 12 februari 2015 blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.


Op basis van het vorenstaande doet naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden recht aan de ernst van dit feit.


De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte deskundigenrapport en reclasseringsadviezen. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder gelet op het rapport dat de gedragsdeskundige, mw. drs. C.M. Hopman-van Emmerik, psycholoog, op 6 maart 2015 heeft uitgebracht. Daarin constateert de deskundige dat verdachte een thans twintig jarige adolescent is, met een gemiddeld performaal intelligentieniveau, bij wie de verbale capaciteiten zijn achtergebleven. Er zijn, naast de ernstige traumatisering op 8-jarige leeftijd door de dood van zijn broer, geen bijzonderheden in de (vroege)ontwikkeling te melden.

Verdachte groeide op in een relatief stabiele gezinssituatie van een éénouder gezin waarbij moeder, na de dood van haar zoon, zich overbeschermend opstelde naar de overige kinderen. Naast de nadruk op de veiligheid van de familiecontacten, werd de buitenwereld als vijandig en bedreigend ervaren.

De deskundige heeft geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Door de chronische PTSS, in combinatie met zijn hoge mate van afhankelijkheid van zijn omgeving, i.c. de mededader en de hoge mate van kwetsbaarheid, is verdachte minder dan de gemiddelde mens in staat zijn gedrag bij te sturen bij het zien van heftige agressie en de consequenties van zijn handelen te kunnen overzien. Het geheel maakt dat te adviseren valt om verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Gezien het positieve ontwikkelingsverloop van verdachte, het ontbreken van eerdere justitiecontacten, het ontbreken van psychische problematiek en het feit dat hij een pro-actief en steunend sociaal netwerk heeft, maakt de prognose ten aanzien van de recidive-inschatting gunstig volgens de deskundige. De deskundige acht behandeling voor de PTSS geïndiceerd en verdachte geeft aan dat hij hiervoor open staat. Daarnaast acht de deskundige van belang dat in het behandeltraject ook aandacht wordt besteed aan het versterken van een eigen identiteit en het vergroten van de weerbaarheid en de zelfstandigheid, waarbij een verplicht reclasseringscontact vooral van belang is om verdachte ondersteuning te bieden alsook om controle op de voortgang uit te oefenen.


Door de reclassering wordt in het op 17 maart 2015 door V. Evelijn Veere opgemaakte rapport, geconcludeerd dat het recidiverisico als laag moet worden beschouwd. De reclassering stelt dat een reclasseringstoezicht een ondersteunend effect kan hebben bij een vervolgtraject, maar acht een toezicht in beginsel niet geïndiceerd. De reclassering heeft benoemd dat verdachte gemotiveerd is om mee te werken met een eventueel vervolgtraject, wellicht ook in een vrijwillig kader, hetwelk de reclassering tot de conclusie brengt dat de door de psycholoog geïndiceerde behandeling ook in een vrijwillig kader kan plaatsvinden. De reclassering adviseert om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zonder bijzondere voorwaarden.


De rechtbank is van oordeel dat genoemde rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen en stelt op basis daarvan vast dat verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Deze enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit en zijn achterliggende problematiek, hebben ook meegewogen bij de overwegingen van de rechtbank tot het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf of maatregel.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat het moeten meewerken aan behandelingen voor hem als teveel wordt ervaren. Hoewel de rechtbank de door de deskundige beschreven noodzaak aan behandeling in verband met de PTSS onderschrijft, ziet de rechtbank gelet op de bandbreedte van de strafmaat echter geen mogelijkheden deze behandeling binnen de kaders van dit strafproces op te leggen. De rechtbank wil verdachte derhalve meegeven een dergelijke behandeling in een vrijwillig kader te doen realiseren.


9De schade van benadeelden


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] voor vergoeding in aanmerking komt en vordert daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft aangevoerd dat sprake is van een ernstig feit, dat de immateriële schade goed is onderbouwd, redelijk is en toewijsbaar. Ten aanzien van de vordering van benadeelde [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gesteld dat deze niet ontvankelijk moet worden verklaard.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft over de vordering van [slachtoffer 1] opgemerkt dat er een rake klap is uitgedeeld door verdachte en heeft voorts onder verwijzing naar de geringe financiële draagkracht van verdachte verzocht om, in geval van toewijzing van de vordering, geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De raadsman heeft hierbij aangevoerd dat het schadefonds geweldsmisdrijven zich ook met de afhandeling van deze vordering kan bemoeien.


De overwegingen van de rechtbank


- [slachtoffer 1]

Gemachtigde [naam] heeft zich namens benadeelde [slachtoffer 1], wonende te [adres], voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de post immateriële schade: € 1.500,00.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond.


Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De rechtbank acht aannemelijk dat [slachtoffer 1] immateriële schade heeft geleden en acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 600,--. De rechtbank heeft daarbij voor zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij vergoedingen die in vergelijkbare zaken zijn toegewezen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


De overige gestelde schade ad € 900,-- is door de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure en daarmee tot een onevenredige belasting daarvan, zodat de rechtbank de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij [slachtoffer 1] kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


- [slachtoffer 2]

Gemachtigde [naam] heeft zich namens benadeelde [slachtoffer 2], wonende te [adres], voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.860,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - Eigen risico € 360,00;
  • - Immateriële schade € 1.500,00.

Op grond van art. 51a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. Daarnaast geldt dat degene die de schade heeft geleden, in de bewezenverklaring moet worden geduid of aan de hand van de bewezenverklaring moet kunnen worden aangewezen als direct slachtoffer van het delict. Hiermee is de kring van gerechtigden tot schadevergoeding in de strafprocedure beperkter dan in een civiele procedure. Anders dan de strafrechter, die gebonden is aan de tenlastelegging, kan de burgerlijke rechter de relativiteitseis corrigeren doordat tegelijkertijd ongeschreven zorgvuldigheidsnormen gelden die strekken ter bescherming tegen de geleden schade, ook al strekt de geschreven en tenlastegelegde norm daar niet toe. De strafrechter mag deze ongeschreven normen echter niet toepassen omdat hij dan buiten de grondslag van de tenlastelegging treedt.


Nu in de onderhavige zaak, gelet op de eisen van art. 51a, eerste lid, Sv, de heer [slachtoffer 2] niet aan de hand van de bewezenverklaring kan worden aangewezen als direct slachtoffer van het delict, dient de vordering, naar het oordeel van de rechtbank, wegens het ontbreken van rechtstreekse schade niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal bij voornoemde vordering van [slachtoffer 1] de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht en nu de rechtbank het in de onderhavige situatie niet wenselijk acht dat de benadeelde partij zelf wordt belast met inning van de vordering.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 24c, 27, 36f Sr.


12De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:subsidiair het misdrijf: mishandeling;verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) maanden;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres] van een bedrag van € 600,00;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 600,00 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer 1], met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 12 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1], wonende te [adres] voor een deel van € 900,00 niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2], wonende te [adres] in het geheel niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 6 april 2015.



Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. B.C. Maresch‑Evers, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2015.







Buiten staat

Mr. M.A.H. Heijink en mr. B.C. Maresch‑Evers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2015009280. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


- het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 maart 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik heb op 2 december 2014 in Almelo een slaande beweging naar de machinist gemaakt en toen heb ik de machinist naar de grond gewerkt. Ik heb de machinist een vuistslag gegeven toen hij vallende was.


- het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] van 10 december 2014, pagina 63, 64, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Op dinsdag 2 december 2014 was ik aan het werk als machinist voor de Nederlandsche Spoorwegen (NS). Ik was gekleed in mijn NS-uniform met daarop vermeld het NS-logo. Omstreeks 20:59 uur kwamen wij in Almelo op station Almelo aan. Ik zag toen, op maximaal vijf (5) meter afstand van mij dat een jongen tegenover de conducteur stond. Ik zag dat een tweede persoon op ongeveer anderhalve meter hier vanaf stond. Ik ben ook naar de jongens en de conducteur toe gelopen. Op het moment dat ik bij de conducteur stond heb ik nogmaals tegen de jongens gezegd: "Jongens, gewoon doorlopen." of woorden van gelijke strekking. Op dat moment werd ik vanuit het niets, zonder enige aanleiding, geslagen door de jongen die tot dan toe eerst wat op afstand stond. De jongen stond op dat moment ongeveer schuin rechts tegenover mij. Ik zag en voelde dat ik met kracht met een tot vuist gebalde hand geslagen werd. Ik zag en voelde dat ik op mijn kaak, aan de rechterkant van mijn gezicht, geraakt werd. Ik voelde pijn toen ik geslagen werd. Ik voelde dat ik door de klap in onbalans raakte. Ik viel daarbij half naar achteren. Om te voorkomen dat ik achterover zou vallen, greep ik de jongen die mij sloeg bij zijn kleding. Ik greep hem ter hoogte van zijn schouders. Ik zag en voelde vervolgens dat de jongen mij half op wist te tillen. Ik voelde wederom dat ik in onbalans kwam, half struikelde. Ik voelde door zijn gewicht dat ik echt meegenomen werd, de kant van het spoor op. Op dat moment ben ik volgens mij ook nog geslagen. Ik ben in elk geval een maal geslagen op de linkerkant van mijn hoofd. Ik zag en voelde dat ik met kracht en met een tot vuist gebalde hand geslagen werd op mijn linkerslaap. Ik voelde wederom pijn. Ik kwam in elk geval op de grond terecht. Ik kwam voor mijn gevoel half op mijn zij en buik op de grond terecht.

Ik ben meermaals in mijn gezicht geslagen. Ik heb daarbij pijn en letsel opgelopen. Ik heb diverse krassen in mijn gezicht. Ik heb links, ter hoogte van mijn slaap een pijnlijke plek.

Ik heb rechts een pijnlijke kaak. Ik heb bij mijn rechter wenkbrauw een bloedende verwonding. Ik heb heel erge hoofdpijn en pijn in mijn nek ten gevolge van de mishandeling.

Ik heb mij op het ziekenhuis in Almelo onder doktersbehandeling moeten stellen.

Ik heb mij na aanhoudende klachten op woensdag 3 december 2014 bij mijn huisarts gemeld. Uit zijn onderzoek bleek dat ik mijn linker ringvinger zwaar gekneusd heb. Voorts heb ik een zwelling en kneuzing links op mijn hoofd. De huisarts heeft geconstateerd dat ik een hersenschudding heb.


- het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] van 3 december 2014, pagina 75 zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Terwijl ik nog steeds in de deuropening op de treeplank stond zag ik dat die lange "Antilliaanse" knaap (de rechtbank: lees de medeverdachte) vlak voor mij ging staan. Die andere jongen (de rechtbank: lees verdachte) zag ik schuin achter hem staan. Ik zag dat de machinist van de trein inmiddels naast mij stond. Het eerder genoemde meisje en de jongen en het meisje die in Wierden waren ingestapt zag ik nog achter mij staan. De machinist stond naast mij maar buiten de trein op het perron. Plotseling zag ik dat de kleinere "Antilliaan" (de rechtbank: lees verdachte) ineens met zijn gebalde vuisten uithaalde in de richting van het hoofd van de machinist.


- de processen-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van resp. 2 december 2014 en 22 december 2014, pagina 127, 130 zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik zag dat de conducteur bij de deur van trein stond. Ik zag dat er een tweede conducteur (de rechtbank: lees de machinist [slachtoffer 1]) bij kwam. Ik zag dat de andere jongen met het korte haar eraan kwam lopen en de tweede conducteur in elkaar sloeg.

Degene die ik op de foto zie met een pleister op zijn rechterwenkbrauw, dat is de conducteur. De andere herken ik als de machinist. Deze noemde ik in mijn verklaring de 2e conducteur maar die bleek uiteindelijk de machinist te zijn.


- de eigen waarneming van de rechter aan de hand van bekeken beelden van camera’s gericht op het perron van het station in Almelo, genaamd “neushoorn” met nummer 2014198363 “highlights” (camera 104 en 108) zoals gedaan tijdens de terechtzitting van 18 maart 2015 , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Zichtbaar is dat twee mannen, van wie is vastgesteld dat dit verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn, over het perron lopen in de richting van een openstaande treindeur, alwaar zich twee personen bevinden, van wie is vastgesteld dat dit conducteur [slachtoffer 2] en machinist [slachtoffer 1] zijn. De medeverdachte loopt hevig gebarend richting de conducteur en staat pas op zeer korte afstand van de conducteur stil. Op een gegeven moment heft verdachte zijn rechterarm en maakt een slaande beweging in de richting van de machinist ter hoogte van het gezicht. Zichtbaar is dat verdachte en de machinist elkaar vasthouden dat er een worsteling plaatsvindt waarbij beiden zich over het perron bewegen. Vervolgens is te zien dat verdachte de machinist vast pakt ter hoogte van de schouders en nek en vervolgens de machinist rond draait en op de grond gooit. Verdachte haalt zijn arm naar achteren en beweegt deze arm in een slaande beweging vervolgens snel naar voren in de richting van het gezicht van de machinist.