Rechtbank Overijssel, 02-04-2015 / Awb 14/3264


ECLI:NL:RBOVE:2015:1681

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel oordeelt dat de vergunning voor het monument bij de Armeense kerk in Almelo blijft bestaan. Het college van B&W van Almelo hoeft de vergunning niet in te trekken zoals stichting ‘De Waarheid’ dat eist. Volgens de stichting had in de aanvraag moeten staan dat het ging om een Armeens genocide monument. De vergunning voor het monument is verleend op 14 januari 2014. Het monument werd op 24 mei 2014 onthuld bij de Armeense kerk in Almelo. Weigering intrekking verleende omgevingsvergunning voor oprichten Armeens monument te Almelo; geen sprake van vergunning die op grond van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
Awb 14/3264
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/3264


uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

Stichting "De Waarheid", te Almelo, eiseres,

gemachtigde: mr. E. Köse,


en


het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder,

gemachtigde: W. Loman.




Procesverloop


Bij besluit van 26 juni 2014 heeft verweerder geweigerd een verleende omgevings-vergunning in te trekken.

Bij besluit van 18 november 2014 (verzonden 24 november 2014) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2015.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1.Op 14 januari 2014 heeft verweerder aan de Armeens apostolische kerk Almelo een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het oprichten van een Armeens monument op het perceel Vriezenveenseweg 174 te Almelo.

Op 24 april 2014 is het monument onthuld. Op 30 mei 2014 heeft verweerder eiseres verzocht de verleende vergunning in te trekken. Bij het primaire besluit van 26 juni 2014 heeft verweerder dat geweigerd. Op 21 juli 2014 heeft eiseres daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar ter advisering voorgelegd aan de Commissie van advies voor de bezwaarschriften. Op 16 oktober 2014 heeft de Commissie advies uitgebracht, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Bij het door eiseres bestreden besluit van 18 november 2014 heeft verweerder conform beslist.


2. In artikel 5.19, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, de vergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken indien de vergunning of ontheffing ten gevolge van onjuiste of onvolledige opgave is verleend.


Ter zitting is namens eiseres bevestigd dat het bepaalde in dit artikel het toetsingskader voor haar verzoek om intrekking van de vergunning vormt. Reeds hierom kunnen de beroepsgronden van eiseres, die zien op de procedure van totstandkoming van de verleende omgevingsvergunning niet slagen.


Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie o.a. ECLI:NL:RVS:2014:56) is het intrekken van een vergunning geen verplichting maar een bevoegdheid. De beslissing om al dan niet een vergunning in te trekken op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter terughoudend dient te toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. daarbij dienen alle in aanmerking te nemen belangen te worden geïnventariseerd en tegen elkaar afgewogen. Daartoe behoren de door het bestuursorgaan gestelde belangen, maar ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder.


Verweerder heeft gesteld dat geen sprake is van een vergunning die op grond van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend. Als in de aanvraag voor de omgevingsvergunning

had gestaan dat de aanvraag zag op een Armeens genocide monument, had dat niet tot een andere beoordeling geleid, aldus verweerder. Het gaat immers om de activiteit bouwen, waarvoor het in artikel 2.10 van de Wabo neergelegde toetsingskader geldt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen en neemt daarbij het volgende mede in overweging.


Eiseres heeft betoogd dat de bouw van een Armeens genocide monument de belangen van alle Nederlandse en Duitse Turken in een straal van 200 kilometer rondom Almelo raakt. Door het niet opnemen van de term genocide in de aanvraag is hen de kans ontnomen tegen de omgevingsvergunning op te komen. Ook stelt eiseres dat een bedevaartsoord juridisch een andere lading heeft dan een gewoon monument; gelet op de mogelijke maatschappelijke onrust is hier ook het aspect van openbare orde als bedoeld in artikel 1.8 van de APV in geding, aldus eiseres.


De rechtbank overweegt dat voorstelbaar is dat mensen geraakt worden door de discussie die al geruime tijd rond dit onderwerp speelt. Dat neemt evenwel niet weg dat verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft te beoordelen aan het daarvoor geldende wettelijke toetsingskader; toetsing aan andere aspecten zoals die van openbare orde, is daarbij niet aan de orde. De in artikel 1.8 van de APV opgenomen weigeringsgronden gelden niet voor aanvragen op grond van de Wabo. Ook is het niet juist dat verweerder belanghebbenden – en dat zijn gelet op de definitie van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zeker niet alle personen die zich bij de kwestie betrokken voelen en die in een straal van 200 kilometer rond Almelo wonen – de kans heeft ontnomen tegen de omgevingsvergunning te ageren. Zij konden immers ook tegen de op 14 januari 2014 verleende vergunning opkomen, maar hebben dat niet gedaan.

Daar komt bij dat het monument alweer geruime tijd is gerealiseerd.

Tot slot heeft eiseres betoogd dat verweerder in de beslissing op bezwaar onvoldoende is ingegaan op de bezwaren met betrekking tot de bouwkosten en de politieke en sociale kwestie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gereageerd op alle punten die eiseres in bezwaar heeft aangevoerd.


Het beroep is ongegrond.


3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank


- verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter

























Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.