Rechtbank Overijssel, 07-04-2015 / 08/952932-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:1683

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 43-jarige man uit Almelo tot een gevangenisstraf van zeven jaar wegens doodslag op zijn vriendin. De rechtbank acht bewezen dat hij de 37-jarige vrouw na een worsteling met een mes om het leven heeft gebracht. De vrouw werd op 15 november vorig jaar dood aangetroffen in haar appartement in Almelo.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-07
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
08/952932-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/952932-14

Datum vonnis: 7 april 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] (Turkije),

nu verblijvende in P.I. Overijssel, Penitentiair Psychiatrisch Centrum Zwolle te Zwolle.



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 maart 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. I. Mercanoglu, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

15 november 2014 in Almelo:

feit 1: primair al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft gedood, subsidiair die [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) opzettelijk zodanig zwaar mishandeld heeft, dat zij als gevolg daarvan is overleden;

feit 2: uit/nabij een woning aan de [adres 1] een mobiele telefoon en een Ipad/tablet, horloge(s), sieraden, sleutel(s), een bankpas en de personenauto van het slachtoffer heeft gestolen.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte - na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging - dat:


1.

hij op of omstreeks 15 november 2014 in de gemeente Almelo een vrouw, genaamd [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp voorwerp in de borst en/of de hals/nek en/of de zij en/althans het lichaam te steken/snijden;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat


hij op of omstreeks 15 november 2014 in de gemeente Almelo aan een vrouw, genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer steekverwonding(en) in de zij/het lichaam, heeft toegebracht, door toen daar opzettelijk meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp voorwerp in de borst en/of de hals/nek en/of de zij en/althans het lichaam te steken/snijden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;


2.

hij op of omstreeks 15 november 2014 in de gemeente Almelo (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/nabij een woning aan de [adres 1] en/of vanaf een parkeerplaats in de nabijheid van die woning aan de [adres 1] heeft weggenomen een mobiele telefoon en/of een Ipad en/of een of meer horloge(s) en/of siera(a)d(en) en/of (een) sleutel(s) en/of een bankpas en/of een personenauto (merk Mercedes), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte (telkens) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1 primair in de eerste plaats tenlastegelegde moord en voor de onder 2 tenlastegelegde diefstal wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft verder toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] tot een bedrag van € 1.313,25 en [benadeelde 2] tot een bedrag van € 6.426,64, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft hierbij telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te vermeerderen met de wettelijke rente gevorderd.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.




5.1

Feit 1


5.1.1

Het standpunten van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir - op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair in de eerste plaats tenlastegelegde moord wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Er is sprake geweest van voorbedachten rade, nu verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven. Hij heeft bovendien niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.


5.1.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich - overeenkomstig zijn op geschrift gestelde pleitnota - primair op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair in de eerste plaats tenlastegelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu geen sprake is geweest van voorbedachten rade. Verdachte heeft geen gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven, omdat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden. Hierdoor was er slechts sprake van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering. Doordat verdachte zelf is aangevallen zal de gelegenheid tot beraad pas ontstaan zijn tijdens de uitvoering van het besluit. Gelet op de plotselinge hevige drift van verdachte is de tijd niet voldoende geweest om een gelegenheid tot nadenken te bieden. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde doodslag en de meer subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, stelt de raadsman bovendien dat bij verdachte iedere vorm van opzet op het veroorzaken van de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft ontbroken. De raadsman eindigt zijn pleidooi met de volgende conclusies. Primair zou verdachte moeten worden vrijgesproken omdat het opzet - ook in de zin van voorwaardelijk opzet - op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zou ontbreken. Subsidiair zou verdachte moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweer. Meer subsidiair zou verdachte moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweerexces. Nog meer subsidiair zou “slechts” een veroordeling kunnen volgen voor zware mishandeling.


5.1.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Op 15 november 2014, omstreeks 18.45 uur, werd het slachtoffer door haar vriend [benadeelde 2] aangetroffen in haar woning aan de [adres 1]. Zij lag in de keuken van haar woning, op haar rug met aan haar rechterkant een plas bloed. [benadeelde 2] knielde neer, probeerde haar om te draaien en voelde dat ze helemaal verstijfd was. Hij belde vervolgens 112 en zag toen een mes in de linkerzijkant van haar lichaam. Aan de centraliste van 112 meldde hij dat zijn vriendin zelfmoord had gepleegd. Even later merkte [benadeelde 2] dat zijn hand hevig bloedde. De politie kwam enige tijd later ter plaatse en trof het levenloze lichaam van het slachtoffer aan. [benadeelde 2] werd aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij haar dood.

[benadeelde 2] werd overgebracht naar het Politie Arrestantencentrum Twente te Borne en in verzekering gesteld. Op 16 november 2014 ontving de politie een melding van [getuige]. [getuige]’s zus is getrouwd met de broer van verdachte. Getuige [getuige] meldde de politie dat verdachte zich bij de politie wilde aangeven voor de moord op zijn vriendin in Almelo. Verdachte bevond zich op dat moment in de woning van zijn moeder aan de [adres 2] in [plaats]. De politie ging ter plaatse en trof daar verdachte aan. De politie hoorde dat verdachte zei: “Ik heb haar vermoord”. Verdachte is die dag rond 14.10 uur aangehouden voor moord dan wel doodslag op het slachtoffer. [benadeelde 2] werd vanaf zondag 16 november 2014 om 20.35 uur niet langer aangemerkt als verdachte.


Op het lichaam van het slachtoffer is sectie verricht. Bij deze sectie is vastgesteld dat het slachtoffer eenentwintig keer met een mes is gestoken. Zij is gestoken in de borst, hals/nek, zij en elders in het lichaam. Het intreden van de dood werd zonder meer verklaard door algehele weefselschade door doorgemaakt bloedverlies in combinatie met functiestoornissen van de linkerlong ten gevolge van het steekletsel.


Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard (zakelijk weergegeven) dat hij het slachtoffer kende, omdat zij, net als hij, bij [bedrijf] werkte. Ze kregen een relatie, die op het moment van het plegen van het feit zo’n anderhalf jaar duurde. Verdachte was er enige tijd voor de fatale datum achter gekomen dat het slachtoffer er nog een andere relatie op nahield, namelijk met [benadeelde 2]. [benadeelde 2] wist niet van het bestaan van de relatie tussen het slachtoffer en verdachte af. Er waren spanningen over deze relatie tussen verdachte en het slachtoffer, maar op het moment dat verdachte op 14 november 2014 naar de woning van het slachtoffer aan de [adres 1] in Almelo ging, was er geen grote ruzie. Verdachte wilde met haar praten, haar ervan overtuigen niet weg te gaan. Het slachtoffer vertrok die avond om 23:00 uur naar haar werk bij [bedrijf]. Verdachte heeft tegelijkertijd met haar de woning verlaten en heeft enige tijd buiten rond gelopen, waarna hij weer terug naar haar woning is gegaan. Op 15 november 2014 omstreeks 7:00 uur is het slachtoffer thuisgekomen. Het slachtoffer wilde weg naar [benadeelde 2]. Verdachte wilde dat zij thuis bleef en er ontstond een woordenwisseling. Het slachtoffer zei dat ze het lingeriesetje aantrok dat verdachte voor haar had gekocht in Essen en dat zij naar [benadeelde 2] zou gaan. Ze liep naar de kleedkamer om haar lingeriesetje te pakken. Verdachte wilde haar tegenhouden en pakte haar beet. Het slachtoffer was een sterke vrouw, aldus verdachte, en zij sloeg verdachte. Er ontstond een worsteling. Het slachtoffer pakte daarop een mes. Zij stak of sneed verdachte met dat mes in de hand. Verdachte pakte het mes vervolgens van haar af. Volgens verdachte in zijn verklaring bij de politie op 2 december 2014 heeft hij haar ook nog geslagen. Verdachte en slachtoffer vielen op de grond. Verdachte mist herinneringen aan wat er daarna gebeurde. Het volgende wat hij namelijk zag, was dat het slachtoffer dood op de keukenvloer lag met het mes in haar linkerzij. Verdachte verliet vervolgens de woning aan de [adres 1], waarbij hij de auto, de bankpas en de mobiele telefoon van het slachtoffer meenam.




Moord, doodslag of zware mishandeling met de dood ten gevolge

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er sprake is van moord of doodslag. Om tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair in de eerste plaats tenlastegelegde moord te komen, dient vast komen te staan dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156).


De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het slachtoffer op 15 november 2014 omstreeks 7:00 uur is teruggekomen van haar werk. Het slachtoffer heeft op dat moment tegen verdachte gezegd dat ze weg wilde. Ze heeft gezegd dat ze de lingerie die verdachte voor haar had gekocht in Essen aantrok en naar [benadeelde 2] zou gaan. Verdachte wilde haar niet laten gaan en er ontstond ruzie. Op dat moment is er iets bij verdachte ‘geknakt’, aldus verdachte. Verdachte heeft verklaard dat het was alsof zijn geest uit zijn lichaam was gerukt. Verdachte kan zich herinneren dat het slachtoffer een mes heeft gepakt en dat hij het mes van haar heeft afgepakt. Daarna kan verdachte zich niets meer herinneren tot op het moment dat hij het slachtoffer dood op de keukenvloer zag liggen met het mes in haar linkerzij. Aan alles wat er zich in de periode daartussen gelegen heeft afgespeeld, heeft verdachte volgens zijn verklaring ter terechtzitting geen herinnering.


Uit de bewijsmiddelen heeft de rechtbank afgeleid, dat sprake was van een woordenwisseling, waarbij het slachtoffer op enig moment tegen verdachte heeft gezegd dat ze weg wilde naar [benadeelde 2] en dat zij de lingerie zou aantrekken die verdachte voor haar had gekocht. Vervolgens werd door beiden fysiek geweld gebruikt, waarbij het slachtoffer op enig moment een mes heeft gepakt. Verdachte heeft daarop het mes van haar afgepakt en het slachtoffer meermalen gestoken. Op grond van de bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat verdachte in die zich snel elkaar opvolgende gebeurtenissen de tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven. Hij heeft derhalve ook niet de gelegenheid gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht daarom de voorbedachte raad niet bewezen, zodat verdachte van hetgeen hem onder 1 primair in de eerste plaats is tenlastegelegd, te weten moord, behoort te worden vrijgesproken.


Wel is de rechtbank, gelet op alle omstandigheden, van oordeel dat er sprake is van doodslag. Verdachte heeft met een mes eenentwintig keren op het slachtoffer ingestoken. Hierbij heeft zij in zowel haar borst, hals/nek, zij en elders in het lichaam steekwonden opgelopen. Het op dergelijke wijze op het slachtoffer insteken met een mes kan bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan te zijn gericht op de dood van het slachtoffer. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in de borst en hals diverse vitale organen en slagaders bevinden en dat wanneer deze worden geraakt met een mes, de kans op verbloeding zeker niet ondenkbeeldig is.

Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van verdachte vanwege het ontbreken van enige vorm van opzet op de dood van het slachtoffer wordt dan ook verworpen.


5.2

Feit 2


5.2.1

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich -overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir- op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, te weten dat verdachte zich heeft schuldig heeft gemaakt aan diefstal.


5.2.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich -overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota- op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde nu verdachte met het slachtoffer in de woning aan de [adres 1] in Almelo samenwoonde en verdachte veel geld aan haar had gespendeerd.


5.2.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


[benadeelde 2] heeft verklaard dat hij, toen hij op 15 november 2014 omstreeks 18:45 uur bij de woning van het slachtoffer arriveerde, zag dat haar auto, een grijze Mercedes, niet voor de woning geparkeerd stond.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in het proces-verbaal van bevindingen het volgende gerelateerd. Op 15 november 2014 omstreeks 8:02 uur is geprobeerd te pinnen met de pinpas van het slachtoffer bij de Rabobank aan De Werf in Almelo. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op de beelden van de camera van de pinautomaat gezien dat er op het tijdstip van de transactie een voertuig, erg gelijkend op het voertuig van het slachtoffer, zijnde een grijze Mercedes, voor de pinautomaat is gestopt. De verbalisant zag dat er een man uitstapte en in de richting van de pinautomaat liep. De verbalisant herkende verdachte als zijnde de man op de beelden.

Uit onderzoek is verder gebleken dat verdachte even daarvoor omstreeks 8:00 uur drie maal met de pinpas van het slachtoffer probeerde te pinnen bij de ING bank aan de Wierdensestraat in Almelo.

Op zondag 16 november 2014 troffen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in de Zwaluwenstraat op de parkeerplaats van de voormalige Zwaluwenschool in Almelo de grijze Mercedes Benz van het slachtoffer aan.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, nadat hij het slachtoffer had doodgestoken, haar mobiele telefoon, bankpas en haar personenauto, een grijze Mercedes, heeft meegenomen. Verdachte is met die auto naar de pinautomaat van de ING gereden om daar met haar pinpas te pinnen. Verdachte heeft verklaard dat hij wilde kijken of het geld dat hij aan haar had gegeven nog op de rekening stond. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij met de mobiele telefoon van het slachtoffer appjes heeft gestuurd naar de mobiele telefoon van [benadeelde 2].


Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van de mobiele telefoon, de bankpas alsmede van de personenauto, te weten een grijze Mercedes, toebehorende aan het slachtoffer. Het verweer van de raadsman, dat verdachte met het slachtoffer in de woning aan de [adres 1] in Almelo samenwoonde, vindt geen steun in de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en zou indien al van samenwoning sprake zou zijn het oordeel van de rechtbank ook niet anders maken. Het verweer wordt dan ook verworpen. De rechtbank overweegt dat verdachte zich zonder dat hij daartoe gerechtigd was als heer en meester over de mobiele telefoon, bankpas en de personenauto van het slachtoffer heeft beschikt.

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.


5.3

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair in de eerste plaats is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het onder 1 primair in de tweede plaats en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.

hij op 15 november 2014 in de gemeente Almelo een vrouw, genaamd [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, met een mes, in de borst en de hals/nek en de zij en elders in het lichaam te steken;


2.

hij op 15 november 2014 in de gemeente Almelo met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres 1] een mobiele telefoon en een bankpas en vanaf een parkeerplaats in de nabijheid van die woning aan de [adres 1] een personenauto (merk Mercedes) heeft weggenomen, toebehorende aan [slachtoffer]

[slachtoffer].


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair in de tweede plaats en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.








6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


6.1.

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitnota, betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld.

Verdachte heeft disproportioneel gehandeld. Echter, moet dit worden bezien in de context dat het hem niet is gelukt om aan de aanranding een einde te maken door met zijn vuist hard in het gezicht te slaan van het slachtoffer, terwijl verdere geweldsescalatie van haar kant dreigde.

Gezien het agressieve gedrag van het slachtoffer was er sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor verdachte zodanig dat de handelswijze van verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging. Verdachte had immers geen andere uitweg kunnen vinden. Het slachtoffer gaf verdachte een trap in zijn kruis en heeft hem daarna met een mes aangevallen.

Verdachte heeft daarop ter noodzakelijke verdediging geprobeerd het mes terug te pakken, waarbij vervolgens een worsteling is ontstaan tussen verdachte en het slachtoffer.

De omstandigheid dat verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een tegenreactie van het slachtoffer te verwachten was, staat aan het slagen van het beroep op noodweer niet in de weg.


6.2

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat als al aangenomen zou worden dat verdachte door het slachtoffer is gestoken met het mes, hij zich dan nog niet met vrucht op noodweer kan beroepen. Verdachte wachtte het slachtoffer op in haar woning om haar te confronteren. Het slachtoffer heeft dan alle reden zich tegen hem te verweren. Verdachte heeft bovendien op enig moment het mes in zijn handen. Op dat moment is er al helemaal geen sprake meer van een noodweersituatie.


6.3

Het oordeel van de rechtbank


Voor het aannemen van een noodweersituatie is vereist dat aannemelijk wordt dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer waartegen de verdediging geboden was.

Omdat er, behalve verdachte en het overleden slachtoffer, geen ooggetuigen zijn van het steekincident, neemt de rechtbank bij de beoordeling van het verweer de verklaring van verdachte, zoals hiervoor weergegeven onder 5.1.3, als uitgangspunt. Uitgaande van deze verklaring levert het door het slachtoffer ter hand nemen van een mes en daarmee steken of snijden in de hand van verdachte op zichzelf een feitelijke aantasting van verdachte’s lijf op, waartegen hij zich mocht verdedigen. De rechtbank acht derhalve aannemelijk geworden dat op dat moment sprake was van een noodweersituatie. Verdachte heeft vervolgens het mes van haar af kunnen pakken. Op dat moment eindigt naar het oordeel van de rechtbank de noodweersituatie. Verdachte heeft immers de controle gekregen over het wapen en de situatie. De steekpartij daarna, waarbij verdachte het slachtoffer 21 steekletsels heeft toegebracht, is naar het oordeel van de rechtbank een nieuwe situatie die ontstaan is nadat de noodweersituatie ten einde is. Deze nieuwe situatie waarin verdachte na het afpakken van het mes van het slachtoffer de volledige controle had, kan niet als een noodweersituatie gekwalificeerd worden waarin verdachte gelegitimeerd was zich te verdedigen door te steken met een mes. Het beroep van verdachte op noodweer wordt om die reden dan ook verworpen.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat voor zover zou worden aangenomen dat van een cesuur tussen de elkaar snel opvolgende en escalerende handelingen geen sprake was en derhalve uitgegaan moet worden van een doorlopende noodweersituatie, de rechtbank zich vervolgens voor de vraag gesteld ziet of de wijze van verdediging die de verdachte heeft gekozen, voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte in een worsteling terecht is gekomen met het slachtoffer waarbij hij aan het slachtoffer fatale steekwonden heeft toegebracht. Uit het dossier leidt de rechtbank voorts af dat het slachtoffer verdachte even daarvóór had weggeduwd, geslagen en met een mes in de hand van verdachte had gesneden/gestoken.

Uit het forensisch rapport volgt ten aanzien van het letsel van het slachtoffer dat zij vele en ernstige steekverwondingen had aan hals, nek en borst.

De rechtbank leidt uit voorgaande af dat verdachte bij de worsteling licht gewond is geraakt terwijl aan het slachtoffer tijdens de worsteling dodelijke steekwonden zijn toegebracht.

Aangezien verdachte gesteld heeft dat hij zich van de momenten waarop is gestoken niets meer kan herinneren en het slachtoffer daarover niet heeft kunnen verklaren, is de rechtbank ook niet meer bekend dan het opgelopen letsel bij verdachte en het slachtoffer, alsmede de aanleiding voor dat letsel. De rechtbank merkt in dit verband overigens op dat nergens uit het dossier of uit verdachtes verklaring ter terechtzitting blijkt, dat verdachte vlak vóór of op enig moment tijdens de worsteling met het slachtoffer, bang is geweest. Hij heeft verklaard over wat hij voelde toen het slachtoffer hem vertelde dat zij bij hem weg zou gaan. Onmiddellijk daarop ontstond het handgemeen tussen verdachte en slachtoffer met de fatale afloop voor het slachtoffer. Verdachte voelde zich door haar weggegooid, als oud vuil in de prullenbak. Hij had alles opzij gezet, alles in de steek gelaten voor haar en zij gooit hem dan weg als oud vuil. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij sterker was dan zij en zij dus van hem verloor.

Aldus kan noch uit de aanleiding voor het plegen van het geweld tegen het slachtoffer, noch uit de bij verdachte geconstateerde verwondingen, worden afgeleid dat de fatale messteken een proportionele reactie vormden op het geweld van de kant van het slachtoffer, waarover verdachte heeft verklaard.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat voor zover wordt aangenomen dat sprake was van een voortdurende noodweersituatie, het door verdachte toegepaste geweld disproportioneel was. Het beroep op noodweer faalt ook om die reden.

Er zijn de rechtbank ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


Het bewezenverklaarde onder 1 in de tweede plaats is strafbaar gesteld bij artikel 287 Sr. Het bewezenverklaarde onder 2 is strafbaar gesteld bij artikel 310 Sr. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1 primair in de tweede plaats

het misdrijf: doodslag;


feit 2

het misdrijf: diefstal.

7. De strafbaarheid van de verdachte

7.1.

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitnota, betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld. Voor de toelichting op dat standpunt wordt verwezen naar hetgeen onder 6.1 is opgenomen.


7.2

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarop afstuit.


7.3

Het oordeel van de rechtbank


Aangezien van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging -noodweerexces- slechts sprake kan zijn indien de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een noodweersituatie en de rechtbank – zoals hiervoor onder 6.3 is gesteld - van oordeel is dat van zo’n situatie geen sprake was, faalt ook het beroep op noodweerexces.


Voor zover zou worden aangenomen dat wel van het bestaan van een – voortdurende – noodweersituatie sprake is geweest, overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende.

Gelet op het feit dat door verdachte buitengewoon gewelddadig is opgetreden tegen zijn vriendin, terwijl verdachte niet bekend staat als gewelddadig, is voor de rechtbank aannemelijk dat sprake moet zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging. Deze hevige gemoedsbeweging kan veroorzaakt zijn door het feit dat het slachtoffer geweld heeft gebruikt tegen verdachte door hem weg te duwen, te slaan en met een mes in de hand te steken of te snijden, naast het feit dat het slachtoffer hem kort daarvoor in een woordenwisseling te kennen had gegeven naar een vriend te gaan en met die vriend het bed te delen in de lingerie die verdachte voor haar had gekocht.

Gelet op de verklaring van verdachte voor de aanleiding van het gevecht, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat het (geringe) geweld dat na de woordenwisseling door het slachtoffer werd uitgeoefend een ‘trigger’ was voor de hevige gemoedstoestand die heeft geleid tot het uitoefenen van het buitensporige geweld door verdachte.

Het is evenwel niet zo dat in geval sprake is van een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door een geweldshandeling van het slachtoffer, elk geweld van de kant van de verdachte verontschuldigbaar is. In het onderhavige geval is, gelet op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld bij de bespreking van het beroep op noodweer, zodanig disproportioneel gehandeld door verdachte dat het beroep van verdachte op noodweerexces ook om die reden verworpen dient te worden.


Het voorgaande betekent dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

8. De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft op 15 november 2014 zijn toen 37-jarige vriendin, in haar woning van het leven beroofd. Verdachte heeft het mes waarmee zij hem bedreigde van haar afgepakt en er is iets in hem ‘geknakt’. Verdachte heeft het slachtoffer eenentwintig keer in het lichaam gestoken en haar aan haar lot overgelaten. Vervolgens heeft verdachte haar auto, haar mobiele telefoon en haar bankpas weggenomen.

Door aldus te handelen heeft verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen. Het slachtoffer heeft een minderjarige zoon die nu geen moeder meer heeft. Voor de nabestaanden is haar volkomen onverwachte overlijden en de wijze waarop dit is gebeurd zeer ingrijpend. Haar dood heeft hen onherstelbaar leed berokkend.

Een delict als het onderhavige draagt ook een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt daarnaast in de samenleving angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.


Verdachte is blijkens het uittreksel van de Justitiële Documentatie van 19 januari 2015 niet eerder met justitie in aanraking is geweest.


Bij de bepaling van de soort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de inhoud van het:

  • - Pro Justitia rapport van 10 maart 2015, opgesteld door de deskundige D. Breuker, forensisch psycholoog;
  • - Pro Justitia rapport van 18 maart 2015, opgesteld door de deskundige A.C.M. Kleinsman, psychiater.

De deskundigen hebben in deze rapporten geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een aanpassingsstoornis met depressieve stemmingsklachten, ontstaan in reactie op de heftige gebeurtenissen rondom de onnatuurlijke dood van het slachtoffer. Er zijn geen aanwijzingen dat een psychiatrisch toestandsbeeld of persoonlijkheidsproblematiek ten tijde van de tenlastegelegde feiten een rol heeft gespeeld. De deskundigen hebben geadviseerd verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank acht het rapport zorgvuldig tot stand gekomen en stelt op grond daarvan vast dat verdacht voor het bewezenverklaarde volledig toerekeningsvatbaar is.


Omdat de rechtbank anders dan de officier van justitie niet moord, maar doodslag bewezen acht, komt zij tot oplegging van een aanzienlijk lagere straf dan geëist is door de officier van justitie.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de ernst van de feiten, met name het onder feit 1 bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte oordeelt de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden.




9De schade van benadeelden


[benadeelde 1]

[benadeelde 1], wonende in [woonplaats] aan de [adres 3], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.093,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - extra huurkosten € 780,14;
  • - kosten verklaring erfrecht € 400,01;
  • - kosten opmaak testament € 500,00;
  • - kosten aanvaarding erfenis € 122,00;
  • - griffiekosten € 78,00;
  • - kosten huur aanhanger € 125,00;
  • - kosten opslag huisraad € 88,24.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Extra huurkosten

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen voor het gedeelte van de vordering dat ziet op de “extra huurkosten” , nu ter terechtzitting is gebleken dat deze schadepost is betaald.


Overige posten

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in de rest van zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde doodslag rechtstreeks schade heeft toegebracht aan benadeelde, zijnde de wettelijke erfgenaam van het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.313,25, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de door verdachte gepleegde doodslag is toegebracht.


[benadeelde 2]

[benadeelde 2], wonende te [adres 3] aan het [adres 4], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 9.426,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - verlies arbeidsvermogen € 1.325,00;
  • - reiskosten € 101,64;
  • - immateriële schade € 8.000,00.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het plegen van de bewezenverklaarde doodslag rechtstreeks schade heeft toegebracht aan benadeelde.


Verlies arbeidsvermogen en immateriële schade

De opgevoerde schadeposten “verlies arbeidsvermogen en immateriële schade” zijn door verdachte betwist en in het licht van deze betwisting onvoldoende feitelijk onderbouwd. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding voor verlies van arbeidsvermogen en shockschade overweegt de rechtbank dat niet zonder meer vast te stellen is of en in hoeverre de gestelde schade is veroorzaakt door de plotselinge en onvrijwillige confrontatie van verzoeker tot schadevergoeding met het stoffelijk overschot of door de daarna gevolgde aanhouding en inverzekeringstelling als vermeende verdachte ter zake de gewelddadige dood van het slachtoffer of door het feit dat verzoeker pas op 15 november 2014 na een jarenlange affectieve relatie met het slachtoffer ontdekte dat zij daarnaast al geruime tijd een relatie met verdachte onderhield of door een combinatie van een of meer van deze factoren. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


Reiskosten

De opgevoerde schadepost “reiskosten” is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 101,64, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de benadeelde naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die verdachte door het plegen van de bewezenverklaarde doodslag aan de benadeelde heeft toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27 en 57 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair in de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair in de tweede plaats en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair in de tweede plaats en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit 1 primair in de tweede plaats: het misdrijf: doodslag; feit 2: het misdrijf: diefstal;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 in de tweede plaats en onder 2 bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

[benadeelde 1]

  • - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1], wonende in [woonplaats] aan de [adres 3], van een bedrag van € 1.313,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 november 2014;
  • - veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake het bewezenverklaarde onder 1 primair in de tweede plaats tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.313,25 ten behoeve van de benadeelde, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 november 2014, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 23 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij: [benadeelde 1], wonende in [woonplaats] aan de [adres 3] voor een deel van € 780,14 wordt afgewezen;

[benadeelde 2]

  • - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2], wonende in [adres 3] aan het [adres 4], van een bedrag van € 101,64, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 november 2014;
  • - veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde onder 1 primair in de tweede plaats tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 101,64 ten behoeve van de benadeelde, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 november 2014, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 2 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [benadeelde 2], wonende in [adres 3] aan het [adres 4] voor een deel van € 9.325,00 niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.


Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Greven-Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2015.





1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 05WIT14035 (Panter) van 19 januari 2015. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2 Het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 2], van 16 november 2014, pagina’s 544 t/m 553;
3 Het proces-verbaal van aanhouding [benadeelde 2], van 15 november 2014, pagina’s 19 t/m 21;
4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], van 16 november 2014, pagina’s 590 t/m 595;
5 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] en [verbalisant 5], van 16 november 2014, pagina’s 418 en 419;
6 Het proces-verbaal van aanhouding van [verbalisant 4] en [verbalisant 5], van 16 november 2014, pagina’s 273 en 274;
7 Het proces-verbaal van relaas van verbalisant [verbalisant 6] van 19 januari 2015, pagina 7;
8 Het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog van 19 maart 2015;
9 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 maart 2015;
10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 2 december 2014, pagina’s 316 t/m 322;
11 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 maart 2015;
12 Het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 2], van 16 november 2014, pagina’s 544 t/m 553;
13 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], van 13 januari 2015, pagina 432;
14 Een bescheid, te weten een aanvraag van een opname met giro nummer [rekeningnummer] tussen 1 november 2014 en 30 november 2014;
15 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], van 2 januari 2015, pagina 414;
16 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 maart 2015;
17 HR 8 april 2008, LJN BC4459