Rechtbank Overijssel, 07-04-2015 / ak_zwo_14_3040


ECLI:NL:RBOVE:2015:1699

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om openbaarmaking van namen en adressen van bedrijven behorende bij specifiek genoemde nummers uit het CBBS-systeem; sprake van bedrijfs- en fabricagegegevens; voorts kan systeem niet meer adequaat gebruikt worden; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-07
Publicatiedatum
2015-04-08
Zaaknummer
ak_zwo_14_3040
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/3040


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser][eiser] te Almelo, eiser,


en


Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder.




Procesverloop


Bij besluit van 15 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser, om openbaarmaking van namen en adressen van bedrijven behorende bij specifiek genoemde nummers uit het CBBS-systeem, afgewezen.


Bij besluit van 25 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om de stukken, die niet openbaar zijn gemaakt, bij haar oordeelsvorming te betrekken.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam]Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. dos Santos, M.I.H. Overberg en G.J. IJdema.



Overwegingen


1. Artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) bepaalt

dat een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten, over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.


Artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.


Artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.


Artikel 1a, eerste lid, van de Wob bepaalt deze wet van toepassing is op de volgende bestuursorganen:

a. Onze Ministers;

b. de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties;

c. bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de onder a en b genoemde organen werkzaam zijn;

d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.


2. Bij brief van 18 augustus 2014 heeft eiser, onder verwijzing naar de Wob, verweerder verzocht om de namen en adressen van bedrijven, welke zijn gekoppeld aan

(op een bijlage opgenomen) nummers uit het CBBS-systeem, openbaar te maken.


In het primaire besluit heeft verweerder geweigerd de namen en adressen van de corresponderende bedrijven openbaar te maken. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming

de weigeringsgronden ex artikel 10, eerste lid, onder c, en artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wob ten grondslag gelegd. Verweerder heeft dit standpunt gehandhaafd in het bestreden besluit.


3. Verweerder heeft zijn besluitvorming gebaseerd op drie weigeringsgronden,

te weten de absolute weigeringsgrond ex artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob en

de twee relatieve weigeringsgronden ex artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wob.


De rechtbank zal eerst de absolute weigeringsgrond bespreken en daarna de twee relatieve weigeringsgronden.


3.1.

Ten aanzien van de weigeringsgrond ex artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob overweegt de rechtbank het volgende.


Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een lijst met namen en adressen van bedrijven niet zonder meer inzicht geeft in fabricage- en/of bedrijfsgegevens maar dat de koppeling van deze namen en adressen aan gegevens die zijn opgenomen in het CBBS,

dit inzicht wel geven. De functieomschrijvingen in het CBBS zijn immers gebaseerd op informatie over bedrijfsprocessen en procedures binnen de desbetreffende bedrijven.



Eiser stelt ten eerste dat hij niet heeft gevraagd om bedrijfsgegevens. Ten tweede stelt eiser dat veel bedrijfs- en fabricagegegevens reeds door de bedrijven openbaar wordt gemaakt om ‘klanten te lokken’.


Na met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennis te hebben genomen van de niet-openbaar gemaakte stukken, overweegt de rechtbank het volgende.


Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 3 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1831) dient artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardig- heden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.


De rechtbank onderschrijft verweerder standpunt dat een lijst sec met namen en adressen van bedrijven niet zonder meer inzicht geeft in bedrijfs- en fabricagegegevens. Evenwel door de koppeling van nummers uit het CBBS-systeem met de namen en adressen van de corresponderende bedrijven is er naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob. De zeer gedetailleerde functieomschrijvingen geven immers informatie over, onder andere, hoe de werkprocessen zijn georganiseerd, welke arbeidsmiddelen worden ingezet, welke specifieke vaardigheden het personeel dient te bezitten, welke productie-inzet van het personeel wordt geëist, welke productie-aantallen met deze inzet kunnen worden gegenereerd en welke beloning aan deze eisen wordt verbonden. Uit deze gegevens kunnen wetenswaardigheden met betrekking tot de technische bedrijfsvoering en het productieproces worden afgeleid. Deze bedrijfs- en fabricagegegevens zijn vertrouwelijk aan verweerder verstrekt en de bedrijven die medewerking verlenen aan het operationeel en geactualiseerd houden van het CBBS-systeem, mochten er bij het verstrekken van uit gaan dat deze gegevens ook als zodanig zouden worden behandeld.


De bedrijfsinformatie die bedrijven op internet plaatsen om ‘klanten te lokken’, zoals eiser stelt, zijn niet vergelijkbaar met de gegevens die in de functieomschrijvingen zijn opgenomen. De gegevens op internet betreffen algemene, positief getinte, gegevens die worden gebruikt als reclame-uiting voor het betreffende bedrijf.


Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er, vanwege de koppeling tussen nummers uit het CBBS-systeem en de corresponderende namen en adressen van bedrijven, sprake is van bedrijfs- en fabricage-gegevens die door rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn verstrekt. Nu deze weigeringsgrond is geformuleerd als een absolute weigeringsgrond, is er voor een afweging van belangen geen plaats.


Alhoewel deze weigeringsgrond de besluitvorming kan dragen, zal de rechtbank de overige twee (relatieve) weigeringsgronden eveneens bespreken.


3.2.

Ten aanzien van de weigeringsgronden ex artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wob, overweegt de rechtbank het volgende.


Verweerder stelt dat indien de namen en de adressen van bedrijven openbaar worden gemaakt, deze bedrijven geen medewerking meer zullen verlenen waardoor het voor hem moeilijk, zo niet onmogelijk, wordt om het CBBS actueel te houden. Hierdoor wordt verweerder in zijn taakuitvoering belemmerd. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de toenmalige rechtbank Arnhem van 20 januari 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AV1040.


Ter zitting heeft verweerder verder verwezen naar een door hem in 1999 uitgevoerde enquête, uitgezet onder 3.500 bedrijven die hun medewerking verlenen aan het CBBS-systeem. Aan deze bedrijven is de vraag voorgelegd of zij nog mee willen werken indien hun namen en adressen, en daarmee samenhangend de door hen verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens, openbaar worden gemaakt. 75% van de benaderde bedrijven heeft de enquête ingevuld. 33% van de bedrijven deelde mee geen bezwaar te hebben tegen openbaarmaking. Van de 67% die wel bezwaar had tegen openbaarmaking, deelde een groot deel van de bedrijven mee dat zij alsdan hun medewerking aan het CBBS-systeem zullen beëindigen. Verweerder concludeerde uit deze enquête dat 50% van het bedrijvenbestand dat thans medewerking verleent aan het CBBS-systeem, deze medewerking zal beëindigen indien hun namen en adressen, en daarmee samenhangend de door hen verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens, openbaar worden gemaakt.


Een verlies van 50% van de deelnemende bedrijven heeft tot gevolg dat, gelet op de eisen in het Schattingsbesluit, er niet meer voldoende functies kunnen worden geduid. Hiermee komt het gehele CBBS-systeem ‘op losse schroeven’ te staan. Dit heeft financiële consequenties voor zowel de socialeverzekeringskassen als voor diegenen die in het kader van een WIA-aanvraag moeten worden beoordeeld, aldus verweerder.


Eiser stelt dat niet duidelijk is welke economische en financiële belangen van verweerder in het geding zijn. Verder is niet duidelijk welke onevenredige bevoordeling en benadeling aan de orde zou zijn.


Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de niet-openbaar gemaakte stukken, overweegt de rechtbank het volgende.


Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd dat openbaarmaking van de namen en adressen van bedrijven, en daarmee samenhangend

de door deze bedrijven verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens, tot gevolg heeft dat het CBBS-systeem niet meer adequaat kan worden gebruikt om de hoogte van het arbeids-ongeschiktheidspercentage van zieke werknemers vast te stellen. Hierdoor wordt verweerder belemmerd in de aan hem opgedragen taken in het kader van de socialezekerheidswetgeving. Daarnaast kan een ontoereikend beoordelingssysteem resulteren in een ongebreideld beroep op de socialezekerheidskassen nu de arbeidsongeschiktheidspercentages, en daarmee samenhangend de hoogte van WAO- en WIA-uitkeringen, (veel) hoger kunnen uitvallen. Hierdoor worden de economische of financiële belangen van de overheid geschaad.


De rechtbank oordeelt verder dat het openbaar maken van namen en adressen van bedrijven, en daarmee samenhangend de door hen verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens, waardoor deze gegevens ‘op straat komen te liggen’, resulteert in onevenredige benadeling van deelnemende bedrijven en onevenredige bevoordeling van concurrerende bedrijven die niet meewerken aan het CBBS-systeem.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het openbaarheidsbelang in casu minder zwaar weegt dan het belang van de economische en financiële belangen van de overheid alsmede het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling en benadeling van deelnemende bedrijven en niet-deelnemende bedrijven.


3.3.

Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, en artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wob van toepassing zijn. Verder heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het openbaarheidsbelang in casu minder zwaar weegt dan de belangen zoals opgenomen in artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wob.


4. Het beroep is ongegrond.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op







griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.