Rechtbank Overijssel, 07-04-2015 / C/08/168773 / KG ZA 15-72


ECLI:NL:RBOVE:2015:1723

Inhoudsindicatie
843a Rv verzoek – phishing expedition – geen ‘bepaalde bescheiden’.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-07
Publicatiedatum
2015-04-08
Zaaknummer
C/08/168773 / KG ZA 15-72
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/168773 / KG ZA 15-72

datum vonnis: 7 april 2015


Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:



[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. J.M. Wagenaar te Enschede,


tegen


de coöperatie

Coöperatieve Rabobank Enschede-Haaksbergen U.A.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

advocaat: mr. T.M.D. van den Beld te Utrecht.


Partijen zullen hierna als ‘[eiser]’ en ‘Rabobank’ worden aangeduid.


1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, inclusief producties

- akte houdende overlegging producties zijdens [eiser]

- akte houdende overlegging producties zijdens Rabobank

- de bij brief van 18 maart 2015 overgelegde aanvullende productie zijdens Rabobank

- de pleitnotitie van Rabobank

- de mondelinge behandeling


1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.


2De feiten


2.1.

In deze zaak staat het navolgende vast.


2.2.

[eiser] voert een commerciële vastgoed onderneming in [vestigingsplaats].


2.3.

[eiser] heeft een jarenlange contractuele relatie met Rabobank, in welk kader Rabobank [eiser] zowel privé als zakelijke kredieten heeft verstrekt.


3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- Rabobank te veroordelen tot afgifte aan [eiser] van de onder nummers 25 tot en met 29 in de dagvaarding genoemde bescheiden welke de voorzieningenrechter redelijk acht om te verstrekken, binnen een termijn van 4 weken na datum vonnis, dan wel een andere redelijke nader vast te stellen termijn;

- en met veroordeling van Rabobank in de kosten van deze procedure, alsmede de wettelijke rente daarover.


3.2.

Kort gezegd stelt [eiser] daartoe dat hij twijfels heeft bij de optuiging en de uitvoering van de Kredietovereenkomst 2008, rente swap, kredietovereenkomst [naam]/rekening courant krediet, nieuw financieringsvoorstel 2009 en de “nieuwe afspraken” die in mei zijn overeengekomen. [eiser] stelt voorts dat hij een rechtmatig belang heeft om inzicht te krijgen in de stukken die betrekking hebben op genoemde overeenkomsten dan wel door de Rabobank geleverde diensten en/of producten in dat kader. [eiser] is van mening dat Rabobank de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden met betrekking tot het aangaan van voornoemde overeenkomsten en de uitvoering daarvan. De stukken die [eiser] thans vordert heeft hij reeds eerder bij de Rabobank opgevraagd, echter Rabobank weigert om de verzochte informatie en/of stukken te verstrekken. Meer specifiek is [eiser] van mening dat de Rabobank hem onder druk heeft gezet om zo de voorwaarden van de kredietovereenkomst 2008 en de overige financieringsovereenkomsten te wijzigen in die zin dat daarop een rente swap van toepassing zou zijn. [eiser] heeft nooit een rente swap gewild en om die reden wil hij inzage in de stukken van de Rabobank, zodat hij zijn claim nader kan onderbouwen.


3.3.

Rabobank voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling


4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het door [eiser] gestelde spoedeisend belang voort uit de aard van het gevorderde.


4.2.

Kern van het geschil is de vraag of Rabobank gehouden is tot afgifte van de in de dagvaarding onder nummers 25 tot en met 29 genoemde bescheiden. Als uitgangspunt geldt dat de vordering beoordeeld dient te worden naar de inhoud en strekking van het bepaalde in art. 843a Rv.


4.3.

Uit art. 843a Rv blijkt dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan voordat [eiser] aan deze bepaling jegens Rabobank een recht op verstrekking van de gevraagde bescheiden kan ontlenen. Er dient - kort gezegd - sprake te zijn van een rechtmatig belang op kennisneming (i) van bepaalde bescheiden (ii), aangaande een rechtsbetrekking waarbij [eiser] partij is (iii). Bovendien dient de Rabobank over de bescheiden te beschikken of deze onder haar berusting te hebben (iv).

Lid 2 van voornoemd artikel bepaalt voorts dat laatstgenoemde niet is gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.4.

Tussen partijen staat vast dat er (nog steeds) sprake is van een contractuele relatie tussen [eiser] en de Rabobank, zodat aan die voorwaarde is voldaan.


4.5.

De stelling van [eiser] dat hij de gevorderde bescheiden wenst te ontvangen met het oog op het bepalen van zijn rechtspositie is niet zonder meer als een rechtmatig belang te kwalificeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het inzichtelijk krijgen van verhaalsmogelijkheden geen betrekking op de verplichting om inzage te geven in bescheiden ten behoeve van bewijslevering, nu gesteld noch gebleken is in hoeverre de gegevens zouden kunnen bijdragen aan een ondersteuning van de standpunten van [eiser] in het geschil tussen partijen.


4.6.

De voorzieningenrechter is het voorts met Rabobank eens dat de gevorderde bescheiden onvoldoende concreet zijn omschreven om voor toewijzing in aanmerking te komen, nu geen sprake is van ‘bepaalde bescheiden’. Ter zitting is door [eiser] bovendien onderschreven, het standpunt van Rabobank dat interne stukken voor overleg en beraad de strekking van onderhavig geding te buiten gaan. De vorderingen van [eiser] lijken in die zin meer het karakter van een phishing expedition te hebben. Er worden immers geen verslagen gevorderd van gesprekken die op bepaalde zouden hebben plaatsgevonden en ditzelfde geldt voor bandopnames van telefonische gesprekken. De gevorderde ‘kopieën of gegevensdragers van de besluitvorming en/of memo’s en/of gespreksverslagen en/of bandopnames van telefonische gesprekken en/of correspondentie en/of onderbouwing van Rabobank ten aanzien van de door haar geleverde producten/diensten zijn dermate onvoldoende concreet dat het risico op executieproblemen bij toewijzing bovendien te groot zou zijn. Reeds hierom dienen de vorderingen van [eiser] te worden afgewezen.

Rabobank heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij alle bescheiden, waaronder bandopnames, die zij in haar bezit heeft reeds aan [eiser] heeft gegeven en ook als producties in onderhavig kort geding procedure heeft ingebracht. Daarmee heeft zij in ruime mate voldaan aan het informatieverzoek van [eiser], nu ook stukken voor intern beraad zijn overgelegd. Er is simpelweg niet meer.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van de Rabobank en de stukken die zij heeft overgelegd, had het op de weg van [eiser] gelegen om nader te concretiseren welke stukken hij nog wenst te ontvangen. [eiser] heeft gezegd dat de expliciete mededeling dat er geen andere stukken meer zijn ook tot de mogelijkheden kan behoren, maar dat hij dit dan wel van de Rabobank moet vernemen. Deze uiting heeft de Rabobank in ieder geval ter zitting gedaan en nu [eiser] geen concrete stukken (als bandopnames van gesprekken of gespreksverslagen dan wel bepaalde correspondentie) kan benoemen, liggen de vorderingen ook hierom voor afwijzing gereed.


4.8.

Gelet op het vorenstaande dienen de vorderingen van [eiser] te worden afgewezen en zal [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.


De beslissing


De voorzieningenrechter:


I. wijst de vorderingen af.


II. veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 613,- aan verschotten en € 816,- aan salaris van de advocaat.

III. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.