Rechtbank Overijssel, 16-04-2015 / AWB 15/758


ECLI:NL:RBOVE:2015:1941

Inhoudsindicatie
De festivals Hardshock en Lovely Sunday, die op 18 april en 19 april worden gehouden bij de Wijthmenerplas in Zwolle mogen doorgaan. Dat oordeelt de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel. Omwonenden hadden gevraagd om de vergunningen te schorsen, vooral omdat zij vrezen voor geluidsoverlast. De rechter oordeelt dat er geen aanknopingspunten zijn dat er sprake is van onduldbare hinder. Ook hoeven de geluidsnormen voor deze twee dagen niet naar beneden te worden bijgesteld. Wel moet de gemeente Zwolle strenger toezien op de voorschriften. De geluidsnormen waren door de gemeente Zwolle na eerdere rechtszaken lager gesteld dan bij eerdere edities.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-16
Publicatiedatum
2015-04-16
Zaaknummer
AWB 15/758
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/758


uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoekster], te Zwolle, verzoekster,

gemachtigde: mr. K.A. Luehof, te Assen,


en


het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Hardshock B.V., te Zwolle,

gemachtigde: mr. M. Diepenhorst, advocaat te Amsterdam.


Procesverloop


Bij besluiten van 2 april 2015 heeft verweerder op grond van het bepaalde in artikel 4.1.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Zwolle (hierna: APV) ontheffing verleend voor het gebruik van geluidsversterkende apparatuur tijdens het Hardshock Festival op 18 april 2015, van 12.00 uur tot 24.00 uur, en tijdens het Lovely Sunday Festival op 19 april 2015, van 13.00 uur tot 23.00 uur, bij de Wijthmenerplas te Zwolle. Aan de ontheffingen zijn voorschriften verbonden.


Tevens heeft verweerder bij besluiten van 2 april 2015 evenementenvergunningen verleend ten behoeve van het houden van beide hiervoor genoemde festivals. Aan de evenementen-vergunningen zijn eveneens voorschriften verbonden.


Verzoekster heeft tegen de hiervoor genoemde besluiten bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Luehof. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C.S. van Dop, C. Blanken, B.A. van der Gronde en I. Tuqan. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door mr. M. Diepenhorst.



Overwegingen


1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter heeft zich in dit kader een voorlopig rechtmatigheidsoordeel ten aanzien van het bestreden besluit gevormd, in het licht van de wederzijdse (spoedeisende) belangen.


2.1

Verzoekster woont aan de [adres] te Zwolle. De woning van eiseres is vrijstaand en is gelegen in het landelijke buitengebied van de gemeente Zwolle, in de nabijheid van de Wijthmenerplas.


2.2

De derde-partij wil op zaterdag en zondag 18 en 19 april 2015 op het recreatieterrein grootschalige muziekevenementen organiseren, het Hardshock Festival, en Lovely Sunday. Tijdens de festivals worden hardcore muziek en aanverwante muziekstijlen met veel zware bastonen ten gehore gebracht. Het muziekevenement op zaterdag zal duren van 12.00 uur tot 24.00 uur en het muziekevenement op zondag van 13.00 tot 23.00 uur. Ten behoeve van de muziekevenementen zijn evenementenvergunningen verleend. Voorts zijn geluidsontheffingen op grond van artikel 4.1.6 van de APV verleend. Aan de ontheffingen zijn voorschriften verbonden.


2.3

Verzoekster vreest voor geluidsoverlast ten gevolge van het muziekevenement. Verzoekster heeft er op gewezen dat zij bij eerdere muziekevenementen op deze locatie ook geluidsoverlast heeft ervaren.


3.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat gronden zijn aangevoerd die betrekking hebben op de voorschriften 2, 3, 4 en 8, die aan de ontheffing zijn verbonden. De voorzieningenrechter zal deze voorschriften achtereenvolgens beoordelen.


3.2

In voorschrift 2 is bepaald dat het energetisch gemiddeld geluidsniveau gedurende een beoordelingstijd van 5 minuten, uitgedrukt in dB(A), op de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen, veroorzaakt door de in de aanvraag genoemde activiteiten en/of muziek, niet meer mag bedragen dan 75 dB(A). Tevens is bepaald dat het energetische gemiddeld geluidsniveau, gedurende een beoordelingstijd van 5 minuten, uitgedrukt in dB(C), op de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen, veroorzaakt door de in de aanvraag genoemde activiteiten en/of muziek, niet meer mag bedragen dan 90 dB(C).


3.3

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van dit verzoek voorop dat voor evenementen met een luidruchtig karakter, anders dan voor inrichtingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, geen landelijk geluidsnormen gelden. Wat aanvaardbaar wordt geacht, is ter beoordeling van het (lokale) bestuursorgaan, dat belast is met het verlenen van vergunningen en ontheffingen. De rechter kan de door het bestuursorgaan gemaakte afweging met betrekking tot het geluidsniveau dat aanvaardbaar wordt geacht slechts marginaal toetsen, waarbij het criterium is of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.


3.4

De voorzieningenrechter gaat uit van wat in dit kader is overwogen en geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank van 5 december 2014 (Awb 13/2070; ECLI: NL:RBOVE:2014:6440), met betrekking tot het Hardshock Festival 2013, en in de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:834), met betrekking tot het nieuwe bestemmingsplan “Wijthmenerplas”. Uit deze uitspraken volgt in de eerste plaats dat de uiterste grens bij de beoordeling of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een omgevingsvergunning te verlenen voor een dergelijk evenement met een luidruchtig karakter, is of sprake is van ‘onduldbare hinder’ voor belanghebbenden die in de directe omgeving wonen. Dat, zoals in het gebied rond de Wijthmenerplas, sprake is van een relatief dunbevolkt gebied, maakt dit niet anders. Voorts volgt uit de uitspraak van deze rechtbank dat de geluidsnormen, zoals genoemd in de nota “Evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg, van januari 1996 (Nota Evenementen), in algemene zin kunnen gelden als geluidsnormen waarvan, bij de bepaling of sprake is van ‘onduldbare hinder’ kan worden uitgegaan. In rechtsoverweging 4.1.3 van de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt aan de geluidsnormen, genoemd in de Nota Evenementen, op gelijke wijze gerefereerd. In de Nota Evenementen is aangegeven dat, rekening houdend met een gevelisolatie van 20 a 25 dB(A), om de grens van het optreden van ‘onduldbare hinder’ niet te overschrijden, moet worden uitgegaan van een maximaal equivalent geluidsniveau (LAeq) op de gevel van woningen overdag en ’s avonds van 70 a 75 dB(A) en ’s nachts van 65 a 70 dB(A) en binnen de woningen van 50 dB(A) respectievelijk 45 dB(A), met dien verstande dat voor dagen waarop een vrije dag volgt, het tijdstip waarop de normstelling voor nachtperiode ingaat, met 1 of 2 uur kan worden verschoven naar 24.00 of 01.00 uur.


3.5

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de geluidsnormen die verweerder in voorschrift 2 aan de ontheffing heeft verbonden, strenger zijn dan de geluidsnormen die in voorafgaande jaren voor het Hardshock Festival en vergelijkbare muziekevenementen zijn gehanteerd en in zoverre ook lager zijn dan de geluidsnormen die in de hiervoor genoemde uitspraken ter beoordeling voorlagen.


3.6

De in het bestreden besluit neergelegde norm van 75 dB(A) op de gevel van woningen is op zichzelf in overeenstemming met de Nota Evenementen. Voor wat betreft de geluidsbelasting uitgedrukt in dB(C) bevat de Nota Evenementen geen normen. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat de norm van 90 dB(C) gerelateerd is aan de dB(A)-norm en dat het verschil van 15 dB tussen de dB(A)-norm en de dB(C)-norm is gebaseerd op het soort muziek dat tijdens dit evenement ten gehore wordt gebracht en op concrete metingen die bij eerdere muziekevenementen hebben plaatsgevonden. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat de dB(C)-norm in zoverre op onjuiste aannames berust. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet het er voor worden gehouden dat de geluidsnormen vervat in voorschrift 2 in zoverre overeenstemmen met de in de Nota Evenementen gehanteerde geluidsnormen voor geluidsbelasting op de gevel van woningen.


3.7

Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat de onderscheidenlijke geluidswering van de woningen in het gebied rond de Wijthmenerplas varieert en dat deze niet overal gelijk is aan 20 a 25 dB(A), waar in de Nota Evenementen, bij het bepalen van de geluidsnormen binnen de woningen van 50 dB(A) respectievelijk 45 dB(A), vanuit is gegaan. Haar eigen woning is slecht geïsoleerd. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat uit het rapport van Bureau DGMR van 17 februari 2015, dat derhalve dateert van na de uitspraak van deze rechtbank van 5 december 2014, blijkt dat de onderscheidenlijke geluidswering van de maatgevende woningen in de directe omgeving in beeld is gebracht, evenals de geluidsbelasting op de gevel van deze maatgevende woningen, zoals tijdens eerdere muziekevenementen is gemeten. Op basis van deze gegevens is de geluidsbelasting binnen de maatgevende woningen berekend. Daaruit blijkt dat de 50 dB(A)-norm niet is overschreden. De berekeningen zijn weliswaar gebaseerd op een maatgevende gevelbelasting die lager is dan de geluidsnormen die in voorschrift 2 zijn vervat, maar de voorzieningenrechter is niet gebleken van concrete aanknopingspunten waaruit zou volgen dat de geluidsbelasting binnen de woning van verzoekster de 50 dB(A) zal overschrijden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter voorts in aanmerking genomen dat uit het rapport, pagina 5, blijkt dat als een geluidruimte van 95 dB(C) op de gevel van woningen volledig wordt opgevuld, dit zal resulteren in een toename van de geluidsbelasting van ongeveer 10 dB, ook binnen de woningen. Met inachtneming van de in beeld gebrachte geluidwering van de woningen, zou daaruit echter volgen dat bijna alle geluidsgevoelige ruimten in bijna alle maatgevende woningen kunnen voldoen aan de geluidsnorm van 50 dB(A). De geluidruimte die ingevolge voorschrift 2 is toegestaan, bedraagt echter niet 95 dB(C), maar 90 dB(C). De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat voldoende is gebleken dat met deze lagere geluidsnorm, de geluidsbelasting binnen de woningen van verzoekers de 50 dB(A)-norm, niet wordt overschreden. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het rapport is opgesteld door een onafhankelijke deskundige en verweerder in beginsel mag uitgaan van de volledigheid en juistheid daarvan. De voorzieningenrechter is niet gebleken van concrete aanknopingspunten waaruit zou volgen dat het rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen dan wel niet volledig of onjuist zou zijn.


3.8

Voor zover verzoekers in verband hiermee nog hebben betoogd dat uit het rapport van DGMR blijkt dat ook met strengere geluidsnormen kan worden volstaan, namelijk met de maatgevende geluidsbelasting die tijdens eerdere muziekevenementen is gemeten, althans op basis van de meetgegevens is berekend, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ter zitting vooralsnog genoegzaam heeft toegelicht dat de maatgevende gevelbelasting zoals vermeld in het rapport niet in voorschrift 2 is vervat, omdat het rapport de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in dB(A) en dB(C) vermeldt (de gemiddelde geluidsbelasting gedurende het gehele muziekevenement), terwijl de onderhavige geluidsnormen het energetisch gemiddeld geluidsniveau gedurende een beoordelingstijd van 5 minuten uitdrukken. Voor een nadere beoordeling van de vraag of met strengere geluidsnormen kan worden volstaan, leent het verzoek om een voorlopige voorziening zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans niet.


3.9

Verzoekster heeft voorts betoogd dat ten onrechte en in afwijking van de hiervoor genoemde nota van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg, in de voorschriften 2 en 3 een beoordelingstijd van 5 minuten voor het energetisch gemiddelde geluidsniveau is vastgelegd. Het geluid dat bij een dergelijk muziekevenement geproduceerd wordt heeft een grillig karakter en kent uitschieters, die doordringen in de woning van verzoekster. In voornoemde nota van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg wordt uitgegaan van een beoordelingstijd van één minuut voor het energetisch gemiddelde geluidsniveau. Met een beoordelingstijd van één minuut kunnen dergelijke uitschieters beter voorkomen worden.


3.9

De voorzieningenrechter is, in het kader van dit verzoek om een voorlopige voorziening, van oordeel dat er op voorhand geen reden is om de in voorschrift 2 neergelegde beoordelingstijd van 5 minuten onredelijk te achten. Zoals ter zitting is toegelicht is voor wat betreft de beoordelingstijd aangesloten bij de Handreiking Meten en Rekenen Industrielawaai en sluit deze beoordelingstijd aan op de controles die tijdens het muziekevenement worden verricht. Daarbij komt dat er geen concrete aanknopingspunten zijn op grond waarvan thans dient te worden aangenomen dat bij een beoordelingstijd van één minuut wel sprake zal zijn van overschrijding van het te waarborgen binnenniveau van 50 dB(A) voor de woningen in het gebied rond de Wijthmenerplas.


3.10

De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat geen aanleiding bestaat om ten aanzien van de voorschriften 2 en 3 bij de ontheffing een voorlopige voorziening te treffen.

3.11

In voorschrift 4 bij de ontheffing is bepaald dat bij een overschrijding van het toegestane geluidsniveau gekeken wordt naar achtereenvolgende perioden van 3 x 5 minuten.


3.12

De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van dit voorschrift dat in artikel 1.4, eerste lid, van de APV, voor zover hier van belang, is bepaald dat voorschriften en beperkingen die verbonden worden aan een vergunning of ontheffing slechts mogen strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is verleend.


3.13

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter strekt voorschrift 4 niet tot bescherming van een of meer belangen in verband waarmee de vergunning is verleend. Veeleer beperkt het voorschrift op voorhand de mogelijkheid om handhavend op te treden in het geval van een eenmalige overschrijding van het toegestane geluidsniveau gedurende 5 minuten. Dit is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bij de verlening van de ontheffing niet aanvaardbaar. Dat ter zitting namens verweerder is verklaard dat voorschrift 4 niet betekent dat in het geheel geen actie wordt ondernomen in geval van een eenmalige overschrijding, doet aan het voorgaande niet af. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat dit voorschrift zal worden geschorst.


3.14

In voorschrift 8 bij de ontheffing is bepaald dat het evenement duurt van 12.00 uur tot 24.00 uur. De afstand waarover gemeten wordt bedraagt ca. 550 tot 1000 meter. Overschrijdingen van maximaal 1 à 2 dB vallen binnen de aanvaardbare meet- en rekennauwkeurigheid.


3.15

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de laatste volzin van voorschrift 8 evenmin een voorschrift dat strekt tot bescherming van een of meer belangen in verband waarmee de vergunning is verleend. Daarbij komt dat het voorschrift er toe leidt dat overschrijdingen tot 2 dB van de in voorschrift 2 neergelegde normen op voorhand aanvaardbaar zijn. Feitelijk leidt dit voorschrift dan ook tot een hogere normstelling dan de normen zoals neergelegd in voorschrift 2 bij de ontheffing. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de laatste volzin van dit voorschrift zal worden geschorst.


4.1

Verzoekster heeft tevens betoogd dat de evenementenvergunning ten behoeve van beide evenementen niet had mogen worden verleend. Verzoekster stelt dat onvoldoende voorwaarden en maatregelen zijn genomen om het verkeer van en naar de festivals te reguleren. Verder stelt verzoekster dat onvoldoende is onderzocht of in het gebied jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn en wat de gevolgen van de evenementen hiervoor zijn.


4.2

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de evenementenvergunningen voorschriften zijn opgenomen ter regulering van het verkeer van en naar de festivals. Tevens is in opdracht van de derde partij door Traffic Support een verkeers- en vervoersplan opgesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de infrastructuur rond het gebied waar de festivals plaatsvinden voldoende is om het verkeer van en naar de festivals op een goede wijze af te kunnen wikkelen.


4.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat Dillerop Natuuradvies (hierna: Dillerop) op 1 april 2015 onderzoek heeft verricht naar de effecten van de festivals op vogels in dit gebied. Blijkens het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapport zijn, met uitzondering van één meerkoetnest in aanbouw aan de rand van de plas in de aanwezige rietkragen, op het festivalterrein geen bezette nesten aangetroffen. In de bomen op het parkeerterrein, langs de toegangsweg naar het festivalterrein en in de bosschages aan de rand van het festivalterrein zijn geen bezette en/of jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Blijkens het rapport van Dillerop vallen, op basis van de bevindingen ter plaatse, geen negatieve effecten van de festivals te verwachten op broedende vogels en hun vaste verblijfplaatsen.


4.4

Voor een schorsing van de evenementenvergunningen dan wel voor het, bij wijze van voorlopige voorziening, aanvullen van de voorschriften die verbonden zijn aan deze vergunningen bestaat dan ook geen aanleiding.


5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek (gedeeltelijk) toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het verzoek en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 980,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.



Beslissing


De voorzieningenrechter:


  • - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in zoverre dat de voorzieningenrechter de voorschriften 4 en 8, laatste volzin, van de ontheffing schorst,
  • - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening voor het overige af,
  • - draagt verweerder op om aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht, ten bedrage van € 167,--, te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster, tot een bedrag van

€ 980,--.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op




griffier voorzieningenrechter




Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.