Rechtbank Overijssel, 29-04-2015 / ak_14_3049


ECLI:NL:RBOVE:2015:2123

Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning verleend voor plaatsen van een geluidskunstwerk op perceel in Dalfsen; van blijvende aantrekkende werking is niet gebleken; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-05-01
Zaaknummer
ak_14_3049
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/3049


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], te Dalfsen, eiser,

gemachtigde: mr. E.T. Stevens,


en


het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen,

verweerder.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de gemeente Dalfsen.



Procesverloop


Bij besluit van 3 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen van een bouwwerk, bestaande uit het plaatsen van een geluidskunstwerk op het perceel De Stokte (voormalige vuilnisstortplaats) in Dalfsen.


Bij besluit van 22 september 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van onder meer eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat het bouwplan alsnog vergund wordt door middel van een afwijking van het bestemmingsplan. Verweerder heeft het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening’ in een besluit van dezelfde datum (het bestreden besluit II) neergelegd.


Eiser heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2015.

Eiser is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote, en bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door K.A. Lautenbach.

Derde-partij is verschenen in de persoon van E.J. Klunder.







Overwegingen


1. In 2012 heeft de Stichting Kunstwegen het geluidskunstwerk “Earthly Whispers” van Nathalie Bruys geschonken aan de gemeente Dalfsen. Kunstwegen is een kunstroute van Nordhorn naar Zwolle, waarbij de Vecht wordt gevolgd als rode draad. Het kunstwerk verbeeldt de geluiden die uit de aarde komen. Verweerder heeft ervoor gekozen dit kunstwerk te plaatsten op pleisterplaats De Stokte te Dalfsen, omdat deze pleisterplaats uitkijkt over de Vecht en er verschillende wandel- en fietsroutes samenkomen.


Het geluidskunstwerk bestaat uit 10 ondergrondse speakers die met een speakerdraad aan elkaar zijn verbonden en die worden ingegraven tussen de begroeiing van het centrale perk, tegen de graslijn aan, zodat de bebossing er overheen kan groeien en de techniek wordt gecamoufleerd. Het kunstwerk wordt van stroom voorzien door middel van een in het midden gelegen stalen paneelkast en wordt in werking gesteld door middel van twee bovengrondse sensoren. Deze sensoren kunnen van 08.00 tot 20.00 uur ingeschakeld worden door er langs te lopen.


Op 12 mei 2014 heeft de derde partij aan verweerder een omgevingsvergunning gevraagd voor het plaatsen van dit geluidskunstwerk op De Stokte te Dalfsen.


Bij besluit van 3 juni 2014 heeft verweerder aan de derde partij omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen van een bouwwerk. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Dalfsen” en de daarbij behorende voorschriften.


Eiser en andere omwonenden hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 5 augustus 2014 heeft bij de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften (de commissie) een hoorzitting plaatsgevonden, waarna de commissie op 21 augustus 2014 advies heeft uitgebracht.


Bij het bestreden besluit I heeft verweerder besloten om de overwegingen en het advies van de commissie over te nemen en het onder meer door eiser ingediende bezwaar ontvankelijk te verklaren, het bezwaarschrift gegrond te verklaren en het besluit van 3 juni 2014 te herroepen en het bouwplan alsnog te vergunnen door middel van een afwijking van het bestemmingsplan.

Verweerder heeft dit neergelegd in het bestreden besluit II.


2. De rechtbank dient allereerst de vraagt te beantwoorden of eiser aangemerkt kan worden als belanghebbende bij de aan de derde partij verleende omgevingsvergunning.


Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.


De commissie heeft in haar advies aangegeven dat de verschillende percelen van de bezwaarmakers, waaronder dat van eiser, geen van allen grenzen aan het perceel waarop het bouwwerk wordt geplaatst. Uitgaande van een lengte van het bouwwerk van 100 meter (zoals is aangegeven in het besluit II), is de afstand van de woning van eiser tot het bouwwerk 150 meter en van de perceelsgrens van eiser tot het bouwwerk 140 meter.

Gelet op de plaatsing van het bouwwerk in de grond is voldoende aannemelijk dat eiser vanaf zijn perceel geen of nauwelijks zicht heeft op het bouwwerk.

De commissie sluit echter op voorhand niet uit dat geluidshinder wordt ondervonden, nu theoretische modellen gebruikt zijn om het te verwachten geluidsniveau te bepalen, waarbij geen rekening is gehouden met de aard van de omgeving (kom-effect, weinig bebouwing).


De rechtbank neemt de overwegingen van de commissie over en merkt op grond hiervan eiser aan als belanghebbende bij het bestreden besluit.


3. Ingevolge het op onderhavig perceel van toepassing zijnde bestemmingsplan “Buitengebied gemeente Dalfsen” rust op dit perceel de bestemming ‘natuur’. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bestemd voor extensieve dagrecreatie. Ter plaatse mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten dienste van deze bestemming, waarbij voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt dat deze niet hoger mogen zijn dan 2,5 meter.


Tussen partijen is niet langer in geschil dat het geluidskunstwerk geen voorziening is die ten behoeve van een extensieve dagrecreatie binnen de bestemming ‘natuur’ kan worden geplaatst.


Indien sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan dient de aanvraag voor een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) mede aangemerkt te worden als een aanvraag om een vergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met onder andere een bestemmingsplan) en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.


Volgens artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, kan - kort gezegd - een omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan alleen worden verleend:

1° met toepassing van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden;

2° in de in artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen gevallen;

3° als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.


Verweerder heeft besloten op grond van de algemene afwijkingsmogelijkheden zoals gesteld in artikel 4 van bijlage II van het Bor, in afwijking van het bestemmingsplan de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.


4. Zoals uit het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen richt eisers beroep zich met name tegen de aantrekkende werking van het geluidskunstwerk, waardoor geen sprake meer zal zijn van extensieve recreatie, en tegen de bejegening door verweerder.


Eiser heeft gesteld dat het gebied ‘De Stokte’ een stilte gebied is, waar een pleisterplaats is gerealiseerd met uitzicht over de Vecht. Aldaar kunnen toeristen met een pontje de Vecht oversteken. Op zomerse dagen staat er een ijscokar. Door de aanleg van het geluidskunstwerk is er sprake van een aantrekkende werking. Er is meer verkeer en er komen bussen met toeristen, die met draaiende motor blijven wachten, terwijl de toeristen naar het kunstwerk gaan. Hierdoor is geen sprake meer van extensieve dagrecreatie.




De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste gronden de door de derde-partij gevraagde omgevingsvergunning, zoals neergelegd in het besluit II, heeft kunnen verlenen.

De door eiser aangevoerde argumenten doen niet af aan het feit dat verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo, in combinatie met artikel 4 van Bijlage II bij het Bor, van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken en de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.


Van een blijvende aantrekkende werking is niet gebleken. Zoals verweerder ter zitting heeft uitgelegd was er na realisatie van het geluidskunstwerk sprake van enige aantrekkende werking door de vele publiciteit hierover. Daarnaast is er eveneens sprake van andere voorzieningen die mensen trekken, zoals het pontje en het uitzicht over de Vecht.


De angst van eiser dat er steeds meer voorzieningen op dit punt zullen worden gerealiseerd, kan niet tot een andere oordeel leiden. Er is thans geen sprake van nieuw plannen die op De Stokte gerealiseerd zullen worden. Er kan geen rekening worden gehouden met onzekere gebeurtenissen in de toekomst.


Ook de bejegening door verweerder voordat het kunstwerk is gerealiseerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Duidelijk is dat er sprake is geweest van storingen en misverstanden in de communicatie tussen eiser en verweerder, maar dat doet niet af aan het feit dat verweerder op grond van de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.


5. Het beroep is ongegrond.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op






griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.