Rechtbank Overijssel, 30-04-2015 / 08.952782-14 (P)


ECLI:NL:RBOVE:2015:2168

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een bestelauto van de Penitentiaire Inrichting waar hij op dat moment een eerder opgelegde ISD maatregel onderging en bedreiging van zijn ex-vriendin. Zoals blijkt uit de justitiële documentatie van 27 februari 2015 die 33 pagina’s telt, heeft verdachte al vele diefstallen gepleegd en ook al vaker mensen bedreigd. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen dit soort feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu verdachte op 22 april 2014 de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) is opgelegd en hij inmiddels in OBC Berkelland is geplaatst, zal het opleggen van een gevangenisstraf zijn beoogde positieve ontwikkelingen doorkruisen. Om die reden is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet passend. De rechtbank zal daarom de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-30
Publicatiedatum
2015-04-30
Zaaknummer
08.952782-14 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.952782-14 (P)

Datum vonnis: 30 april 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats],

verblijvende in OBC Berkelland te Rekken.



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 april 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. de Jong en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr.

W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer] heeft bedreigd;

feit 2: een Volkswagen Transporter van PI Esserheem heeft gestolen;

feit 3: zonder toestemming in de woning van [slachtoffer] is binnengedrongen.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

hij op of omstreeks 05 oktober 2014, in de gemeente Deventer en/of in de gemeente Almelo, althans in Nederland, zijn (ex)vriendin genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of met brandstichting,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd :"ik steek je huis in de fik" en/of "heb jij op televisie die familiedrama's gezien, dit gaat jullie ook gebeuren" en/of "ik schiet je een kogel door de kop", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


2.

hij op of omstreeks 3 oktober 2014, althans in of omstreeks de periode van 3 oktober 2014 tot en met 5 oktober 2014, te Veenhuizen, gemeente Noordenveld, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanaf een Penitentiaire Inrichting Esserheem heeft weggenomen een Volkswagen Transporter (met kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] en/of P.I. Esserheem, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;


3.

hij in of omstreeks de nacht van 3 op 4 oktober 2014, te [plaats], gemeente Deventer,

in een woning/appartement, gelegen aan het "[adres]" en in gebruik bij [slachtoffer], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van 3 jaren.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.


Voor de feiten 1 en 2 heeft de raadsman gesteld dat hij, net als de officier van justitie, tot de conclusie komt dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 3, omdat zijn cliënt stelt dat [slachtoffer] de deur voor hem heeft opengedaan en er naast de verklaring van [slachtoffer], geen bewijsmiddelen zijn waaruit blijkt dat zijn cliënt wederrechtelijk de woning is binnengedrongen.



5.2

De overwegingen van de rechtbank


Net als de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van deze ten laste gelegde feiten sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

Ten aanzien van feit 3 is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden waaruit geconcludeerd kan worden dat verdachte wederrechtelijk in de woning van [slachtoffer] is binnengedrongen. Feit 3 is dus niet wettig en overtuigend bewezen.


5.3

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.

hij op 05 oktober 2014, in de gemeente Deventer, zijn ex-vriendin genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd :"ik steek je huis in de fik", "heb jij op televisie die familiedrama's gezien, dit gaat jullie ook gebeuren" en "ik schiet je een kogel door de kop";


2.

hij op 3 oktober 2014, te Veenhuizen, gemeente Noordenveld, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf Penitentiaire Inrichting Esserheem heeft weggenomen een Volkswagen Transporter (met kenteken [kenteken]), toebehorende aan P.I. Esserheem, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.



6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting;


feit 2

het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel en de gronden daarvoor


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een bestelauto van de Penitentiaire Inrichting waar hij op dat moment een eerder opgelegde ISD maatregel onderging en bedreiging van zijn ex-vriendin. Zoals blijkt uit de justitiële documentatie van 27 februari 2015 die 33 pagina’s telt, heeft verdachte al vele diefstallen gepleegd en ook al vaker mensen bedreigd.

De rechtbank overweegt dat dit ernstige feiten zijn. Er ontstaat mogelijke financiële schade door de diefstal. De bedreiging veroorzaakt psychische schade in de vorm van angst bij de ex-vriendin en haar naasten.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen dit soort feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu verdachte op 22 april 2014 de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) is opgelegd en hij inmiddels in OBC Berkelland is geplaatst, zal het opleggen van een gevangenisstraf zijn beoogde positieve ontwikkelingen doorkruisen. Om die reden is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet passend. De rechtbank zal daarom de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.


10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit 1 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting;feit 2 diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 (zes) maanden, met een proeftijd van 3 (drie) jaren;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
  • - stelt daarbij als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. S. Taalman en mr.

R.A.M. Elbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2015.


Mr. Elbers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland, team Deventer-Centrum, met registratienummer PL0400-2014091935. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Als bewijsmiddelen gelden:

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering;

2. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], opgemaakt op 6 oktober 2014 door [verbalisant 1], hoofdagent, pag. 7;

3. het proces-verbaal van aangifte van [naam] namens PI Esserheem, opgemaakt op 7 oktober 2014 door [verbalisant 2], hoofdagent, pag. 14 en 15.