Rechtbank Overijssel, 18-05-2015 / AK_15_380


ECLI:NL:RBOVE:2015:2318

Inhoudsindicatie
Weigering VOG voor lidmaatschap van een schietsportvereniging; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-18
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
AK_15_380
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/380


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te Hengelo, eiser,


en


de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.




Procesverloop


Bij besluit van 31 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) voor het lidmaatschap van een schietsportvereniging bij Schietvereniging Enschede en Lonneker te Enschede, afgewezen.


Bij besluit van 13 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit pro forma beroep ingesteld. De gronden zijn op

18 maart 2015 bij de rechtbank binnengekomen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2015. Eiser is verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Chaudron.



Overwegingen


1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een verklaring omtrent het gedrag een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.


Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Staatscourant 2013, nr. 5409; hierna: de Beleidsregels).


Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels ontvangt het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: COVOG) alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS). Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.


Volgens paragraaf 3.1 van de Beleidsregels wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen. Indien een VOG wordt aangevraagd voor lidmaatschap van een schietvereniging bedraagt de terugkijktermijn acht jaren.


Volgens paragraaf 3.2 van de Beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.


Volgens paragraaf 3.2.1 worden de relevante justitiële gegevens die voorkomen in het JDS op naam van de aanvrager bij de beoordeling betrokken. Ook de inhoud van een dagvaarding, een kennisgeving van (niet) verdere vervolging en beleidssepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag. De zogenaamde technische sepots worden niet in de beoordeling van een VOG-aanvraag betrokken.


Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.


In casu is het specifieke screeningsprofiel ‘lidmaatschap schietvereniging’ van toepassing.


Volgens dit screeningsprofiel kan men bij de schietvereniging gebruik maken van wapens en munitie. Het toegang hebben tot wapens en munitie kan een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid van de samenleving. Het oneigenlijke gebruik van wapens en munitie kan ernstige geweldsmisdrijven, chantage en andere ernstige verstoringen van de rechtsorde tot gevolg hebben. Daarom worden aanvragen streng beoordeeld.


Verder staat in dit screeningsprofiel vermeld dat een lid van een schietvereniging een bijzondere positie heeft ten opzichte van zijn/haar medeburgers, aangezien die geen wapens of munitie ter beschikking hebben. Door oneigenlijk gebruik te maken van wapens en munitie kan misbruik worden gemaakt van deze bijzondere positie. Hierom wordt strikte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften verlangd.


Volgens paragraaf 3.3 van de Beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.


Volgens paragraaf 3.3.1 van de Beleidsregels ziet het subjectieve criterium, voor zover hier van belang, op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.


In het geval dat het COVOG na afweging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.


2. Aan het primaire besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in het JDS op naam van eiser, binnen de terugkijktermijn van acht jaren, het navolgende relevante justitiële gegeven is geregistreerd:

- op 27 mei 2010 is een transactie overeengekomen van € 150,- wegens overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm).


Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien herhaald in de hoedanigheid van lid van een schietvereniging, een risico bestaat voor de veiligheid van personen, onder wie de leden van de schietvereniging. Van een (potentieel) lid van een schietvereniging wordt bovendien verwacht dat hij/zij zich onthoudt van het plegen van overtredingen van de Wwm. Dergelijke overtredingen zijn niet te verenigen met het lidmaatschap van een schietvereniging. Dat eiser achteraf gezien beter niet had kunnen ingaan op het transactievoorstel doet hieraan niet af. Er is immers sprake van een aanvaarde transactie die volgens de jurisprudentie bij de beoordeling wordt betrokken. Verweerder heeft geconcludeerd dat is voldaan aan het objectieve criterium.


Verweerder heeft vervolgens aan het subjectieve criterium getoetst. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een vergrijp dat hem door de officier van justitie weliswaar licht is aangerekend maar dat de verstreken periode (vanaf 27 mei 2010) te kort is, gelet op de terugkijktermijn van acht jaren. Bovendien heeft eiser de VOG aangevraagd voor ‘slechts’ het kunnen beoefenen van een hobby. Verweerder heeft daarop geconcludeerd dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico’s, zwaarder dient te wegen dan het belang dat eiser heeft bij de afgifte van de VOG.


In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.


3. Eiser heeft de navolgende beroepsgronden naar voren gebracht.


3.1.

Eiser heeft aangevoerd dat uit een recente uitspraak van een strafrechter blijkt dat hij niet strafbaar heeft gehandeld. Immers, de rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van

6 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:527, geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat een hogedruk-persluchtwapen (van het merk Shin Sung Fire 202, kaliber 9 mm) kan worden aangemerkt als een wapen van categorie I, onder 7, van artikel 2 van de Wwm. Dit betreft exact hetzelfde type luchtdrukgeweer als waar de transactie van 27 mei 2010 betrekking op had. Dit betekent dat er nooit sprake is geweest van een strafbaar feit. Het aanvaarden van het transactievoorstel mag hem niet worden tegengeworpen omdat dergelijke voorstellen onduidelijk zijn, zo blijkt uit een rapport van de Nationale ombudsman van 4 mei 2011, rapportnummer 2011/136.


De rechtbank duidt deze beroepsgrond aldus dat eiser stelt dat er, bij nader inzien, geen sprake is van een justitieel gegeven dat in het JDS had moeten worden geregistreerd. Zo er al sprake zou zijn van een justitieel gegeven, had verweerder zijn besluitvorming hierop niet mogen baseren omdat er, bij nader inzien, geen strafbaar feit aan dit justitiële gegeven ten grondslag ligt. Dit heeft tot gevolg dat er zonder meer een VOG aan hem had moeten worden afgegeven en dat een beoordeling aan het objectieve criterium helemaal niet had mogen plaatsvinden.


De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.


In casu is er sprake van een aanvaarde transactie wegens overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wwm. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:205, volgt dat een aanvaarde transactie moet worden geduid als een justitieel gegeven.


Verweerder mag afgaan op de justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het JDS. Deze gegevens zijn voor verweerder vaststaande feiten en verweerder behoeft, in het kader van een aanvraag om afgifte van een VOG, geen nader onderzoek naar de juistheid van deze gegevens uit te voeren. Dit is eerst anders indien de geregistreerde justitiële gegevens evident en aantoonbaar onjuist zijn. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie dat een aanvaarde transactie is geregistreerd, terwijl de aanvrager kan aantonen dat hij de zaak heeft voorgelegd aan de strafrechter en deze hem/haar heeft vrijgesproken.


In casu is er geen discrepantie tussen de stukken (het proces-verbaal en het transactievoorstel) die eiser heeft ingebracht en het uittreksel uit het JDS dat verweerder in het geding heeft gebracht. Van een evident en aantoonbaar onjuist geregistreerd justitieel gegeven is dan ook geen sprake.


Het feit dat een strafrechter in 2014 heeft geoordeeld dat een (hogedruk-perslucht)wapen van het merk Shin Sung Fire 202, kaliber 9 mm niet kan worden geduid als een wapen van categorie I, onder 7, van artikel 2, eerste lid, van de Wwm, betekent niet dat aan eerdere, andersluidende, oordelen de rechtskracht is komen te vervallen. Dit betekent dat de door eiser aanvaarde transactie zijn rechtskracht heeft behouden.


Dat eiser achteraf betreurt dat hij het transactievoorstel heeft aanvaard, doet hieraan niets af.


Gelet op vorenstaande heeft verweerder dan ook terecht een beoordeling aan het objectieve criterium uitgevoerd.


3.2.

Ten aanzien van de toets aan het objectieve criterium heeft eiser aangevoerd dat verweerder niet afdoende heeft gemotiveerd waarom hij een gevaar zou opleveren voor de leden van de schietvereniging omdat daar elk wapen als gevaarlijk en geladen wordt beschouwd. Eiser heeft in dit kader verder gesteld dat een lidmaatschap bij een schietvereniging juist veiliger is voor de samenleving omdat hij, bij gebreke aan een dergelijk lidmaatschap, genoodzaakt is om met een luchtdrukgeweer te gaan oefenen in achtertuintjes en dergelijke.


De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat eiser stelt dat er niet aan het objectieve criterium is voldaan omdat er geen risico voor de samenleving is.


De rechtbank overweegt dat de beoordeling of aan het objectieve criterium wordt voldaan een objectieve toets inhoudt. Immers, verweerder moet bezien of de strafbare feiten, op zichzelf en los staande van de persoon van de aanvrager, een behoorlijke uitoefening van de beoogde bezigheid zouden verhinderen. Of eiser sec een risico oplevert voor de samenleving is bij deze toets niet relevant.


De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wwm, indien herhaald in de hoedanigheid van lid van een schietvereniging, een risico bestaat voor de veiligheid van personen, waaronder de leden van de schietvereniging. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat een overtreding van de Wwm niet verenigbaar is met het lidmaatschap van een schietvereniging.


Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan.


3.3.

Met betrekking tot de toets aan het subjectieve criterium heeft eiser aangevoerd dat, nu hij achteraf gezien helemaal geen strafbaar feit heeft gepleegd, de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Het aanvaarden van het transactievoorstel mag hem niet worden tegengeworpen omdat dergelijke voorstellen onduidelijk zijn, zo blijkt uit een rapport van de Nationale ombudsman van 4 mei 2011, rapportnummer 2011/136. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat het transactievoorstel misleidende informatie bevat en verder onvolledig is.


De rechtbank overweegt allereerst dat zij hiervoor, bij overweging 3.1, reeds heeft overwogen dat door een nadien gewezen vonnis in een andere strafzaak, de rechtskracht aan een eerder aanvaarde transactie (bij een andere strafrechtelijke overtreding) niet komt te ontvallen. Dat de Nationale ombudsman heeft geoordeeld dat de informatie over de gevolgen van het niet betalen van het transactiebedrag een ‘zwak punt’ (en dus niet misleidend en onvolledig) is, betekent niet dat aan aanvaarde transacties geen betekenis meer toekomt.


Terzijde overweegt de rechtbank dat in het transactievoorstel expliciet staat vermeld dat ingaan op het transactievoorstel gevolgen kan hebben voor toekomstige zaken omdat er alsdan sprake is van recidive, zijnde een herhaling van een strafbaar feit. Dat in dit transactievoorstel niet expliciet staat vermeld dat de transactie bij acceptatie zal worden geregistreerd in de justitiële documentatie van betrokkene, zoals thans wel het geval is, betekent niet dat de belangenafweging bij de beoordeling aan het subjectieve criterium in het voordeel moet uitvallen van degene die een transactie ‘oude stijl’ heeft aanvaard.


De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het subjectieve criterium geen aanleiding geeft om tot afgifte van een VOG over te gaan.


3.4.

Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan. Voorts oordeelt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de afweging van belangen in het kader van het subjectieve criterium een zwaarder gewicht toekomt aan het beperken van het risico voor de samenleving dan aan het belang van eiser bij afgifte van een VOG.


4. Het beroep is ongegrond.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op








griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.