Rechtbank Overijssel, 18-02-2015 / C/08/152875 / FA RK 14-529


ECLI:NL:RBOVE:2015:2365

Inhoudsindicatie
Vaststellen van de bijdrage in de opvoeding van kind. Verzoek van de man om de bijdrage voor het kind (deels) in natura te betalen afgewezen. De vrouw zit in de schuldsanering en zou door betaling in natura problemen kunnen krijgen met de bewindvoerder i.v.m. mogelijke benadeling van schuldeisers.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-05-20
Zaaknummer
C/08/152875 / FA RK 14-529
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2015-0181
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht


Zittingsplaats Almelo


Zaaknummer: C/08/152875 / FA RK 14-529


Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 18 februari 2015, in de zaak van:


[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres 1],

verzoekster,

advocaat: mr. A.A.M. Oude Ophuis te Enschede,


tegen


[belanghebbende],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. A.J.A. Assink te Enschede.



Het procesverloop


Dit verloop blijkt uit:

  • - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 5 maart 2014, gevolgd door aanvullende stukken, ingekomen op 7 maart 2014;
  • - het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 06 augustus 2014;
  • - een akte naar aanleiding van het verweerschrift, binnengekomen op 24 oktober 2014.

Op 3 november 2014 is een brief met bijlagen van mr. Assink ingekomen.


De zaak is behandeld ter zitting van 6 november 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


De feiten


Partijen zijn op [2004] met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk van partijen is geboren het navolgende minderjarige kind:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2002].

Partijen zijn gezamenlijk belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag. De minderjarige heeft hoofdverblijf bij de vrouw.


Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door hen beiden op 11 februari 2008 ondertekende echtscheidingsconvenant. In dit convenant zijn partijen, voor zover thans van belang, als volgt overeengekomen:


Artikel 1. Gezag, omgang en contact, woonplaats en bijdrage kosten kind


(…..)


1.5

Met ingang van de datum waarop de vrouw met de dochter van partijen gaat wonen aan de [adres 3] te [plaats], doch naar inschatting van partijen uiterlijk 1 juni 2008, en zolang [minderjarige] bij de vrouw woont, betaalt de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] van

€ 1.100,--. Deze bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2009. (…..)

Van dit bedrag betaalt de vrouw per maand, premie vanwege een kapitaalverzekering groot € 100,-- welke opbouw is bedoeld voor [minderjarige], ter bestrijding van bijvoorbeeld studiekosten aan het einde van de looptijd, en (…..).


Artikel 2. Partneralimentatie


2.1

De man zal met ingang van de hiervoor in artikel 1.5 genoemde datum, bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.000,-- bruto, welk bedrag door de man bij vooruitbetaling maandelijks aan de vrouw zal worden voldaan.


2.2

Bij de vaststelling van het in artikel 2.1 genoemde bedrag zijn de partijen welbewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. De vrouw heeft geen inkomen ontvangen in de periode voor het uiteengaan van partijen. De man verdiende het inkomen voor het gezin als zelfstandige in de periode voor het uiteengaan van partijen. Met name zijn partijen afgeweken van de hiervoor genoemde wettelijke maatstaven, in die zin dat geen berekening is gemaakt van het gemiddelde inkomen van de man als zelfstandige (gemiddelde van laatste driekalenderjaren), maar dat partijen een inschatting maakten van het gemiddeld te besteden inkomen per maand (welk inkomen wisselde per jaar en per maand) in combinatie met de behoefte van de vrouw aan inkomen na het uiteengaan van partijen.


(…..)


Artikel 4. Regeling inzake (niet-)wijziging van alimentatie


Het in de artikel 2 en 3 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in art. 1:159 lid 3 BW is bepaald, waaronder begrepen: het geval dat de man kan aantonen dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen.


(…..)

Bij beschikking van 27 februari 2008 heeft de rechtbank Almelo de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 4 maart 2008 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand. Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat:

  • - de inhoud van hiervoor bedoeld echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van die beschikking,
  • - de man aan de vrouw met ingang van de datum waarop de vrouw met de dochter van partijen gaat wonen aan de [adres 3] te [plaats], doch naar inschatting van partijen uiterlijk 1 juni 2008, mits de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud een bedrag van € 1.000,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en
  • - dat de man met ingang van de datum waarop de vrouw met de dochter van partijen gaat wonen aan de [adres 3] te [plaats], doch naar inschatting van partijen uiterlijk 1 juni 2008, aan de vrouw zal verstrekken als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige een bedrag van € 1.100,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 8 juni 2010 is de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man uitgesproken.


Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 6 april 2011, bekrachtigd bij beschikking van het gerechtshof Arnhem van 23 februari 2012, is de beschikking van deze rechtbank van

27 februari 2008 gewijzigd in die zin dat de man vanaf 1 juli 2010 en totdat de wettelijke schuldsaneringsregeling zal zijn beëindigd aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] een bedrag van € 136,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts is die beschikking van 27 februari 2008 gewijzigd in die zin dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 8 juni 2010 wordt bepaald op nihil.


Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 18 december 2012 is de vrouw toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling


De wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man is op 2 juli 2013 beëindigd.


Het verzoek


De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van het gerechtshof Arnhem van 23 februari 2012, waarin de beschikking van de rechtbank Almelo van 6 april 2011 is bekrachtigd, te wijzigen en te bepalen dat de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 3 juli 2013 wordt vastgesteld op € 1.226,31 per maand, althans op € 1.100,-- per maand, en de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 3 juli 2013 op € 1.114,82 per maand, althans € 1.000,-- per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht, kosten rechtens.

De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan en dat de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage.


Het verweer tevens zelfstandig verzoek


De man verzoekt de rechtbank primair de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen.

Subsidiair verzoekt hij:

- de door hem te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] vast te stellen op:

o een door de rechtbank te bepalen bedrag, doch niet hoger dan de draagkracht van de man en ieder geval niet hoger dan € 136,-- per maand, dan wel

o op het door de rechter-commissaris (in het vrij te laten bedrag (VTLB)) te hanteren bedrag ter zake kosten van [minderjarige], en meer subsidiair

o te bepalen dat de door hem verschuldigde bijdrage, voor zover deze hoger is dan het bedrag waarmee bij de berekening van het VTLB ter zake de kosten van [minderjarige] rekening is gehouden, door hem in natura mag worden voldaan,

zulks met ingang van de datum van deze beschikking, subsidiair de datum van indiening van het verzoekschrift, onder verrekening van al hetgeen de man tot op heden ten behoeve van [minderjarige] heeft voldaan;

  • - de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van, naar de rechtbank aanneemt, de vrouw vast te stellen op een door de rechtbank te bepalen bedrag, doch niet hoger dan de draagkracht van de man, eveneens met ingang van de datum van deze beschikking, subsidiair de datum van indiening van het verzoekschrift door de vrouw; en
  • - met ingang van 1 januari 2015 er rekening mee te houden dat er geen forfaitaire aftrek voor kinderalimentatie meer bestaat.

De man stelt allereerst dat de behoefte van de minderjarige (opnieuw) moet worden vastgesteld, nu die behoefte nimmer is vastgesteld dan wel is vastgesteld met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Volgens hem bedroeg de behoefte per 2008

€ 795,-- per maand. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de indexering en het kindgebonden budget waarop de vrouw aanspraak kan maken.

Voorts stelt de man dat de behoefte van de vrouw en de minderjarige als gevolg van de WSNP lager is en dat een door hem te betalen bijdrage niet gebruikt zal worden voor de kosten van opvoeding en verzorging en levensonderhoud, maar voor de aflossing van schulden. De man maakt voorts bezwaar tegen de verzochte ingangsdatum en voert aan dat hij beperkte draagkracht heeft voor een bijdrage ten behoeve van de minderjarige en dat hij geen ruimte heeft voor partneralimentatie. Hij stelt daarnaast dat aan de zijde van de vrouw gerekend dient te worden met een draagkracht van € 136,-- per maand, subsidiair de minimale draagkracht van € 25,-- per maand.

Tot slot voert hij aan dat hij zijnerzijds aanspraak kan maken op een zorgkortingspercentage van 25 en dat hij gedurende 2013 en 2014 de nodige kosten heeft betaald voor [minderjarige], zodat hij daarmee reeds feitelijk aan zijn onderhoudsverplichting in natura heeft voldaan en nog voldoet.


Namens de man wordt ter zitting aangevoerd dat zijn subsidiaire verzoek moet worden gezien als een zelfstandig verzoek. Nu de vrouw hiertegen geen bezwaar maakt, zal de rechtbank deze wijziging toestaan.




Het verweer naar aanleiding van het zelfstandig verzoek


De vrouw voert verweer tegen de door de man gedane zelfstandige verzoeken en verzoekt de rechtbank die verzoeken af te wijzen. Zij handhaaft haar eerdere verzoeken.


De beoordeling


Ten aanzien van de ontvankelijkheid


1. Nu de vrouw stelt dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwd onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk maakt, kan de vrouw in haar verzoek met betrekking tot wijziging van de bijdrage in haar kosten van levensonderhoud worden ontvangen.


2. Dit ligt anders ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de vrouw in dit verzoek niet ontvankelijk te worden verklaard. Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 6 april 2011, nadien bekrachtigd bij beschikking van het gerechtshof van 23 februari 2012, is immers de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2008 gewijzigd vanaf 1 juli 2010 en totdat de wettelijke schuldsaneringsregeling zal zijn beëindigd. Op het moment dat de schuldsaneringsregeling van de man werd beëindigd, namelijk op 2 juli 2013, herleefde van rechtswege de eerdere beschikking van 27 februari 2008. Vanaf dat moment diende de man te voldoen aan de onderhoudsverplichting die hem ten aanzien van de minderjarige bij beschikking van

27 februari 2008 was opgelegd. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de destijds opgelegde bijdrage van € 1.100,-- per maand over 2013 € 1.215,37 per maand, met ingang van 1 januari 2014 € 1.226,31 per maand, en per 1 januari 2015 € 1.236,12.


3. De man heeft echter bij wege van zelfstandig verzoek vermindering en dus wijziging verzocht van de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Nu hij de stelling van de vrouw dat sprake is van gewijzigde omstandigheden erkent, dient op deze grond ten aanzien van die bijdrage eveneens een hernieuwd onderzoek naar de behoefte en draagkracht plaats te vinden.


4. De vrouw stelt dat partijen bij het bepalen van de behoefte welbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, reden waarom artikel 1:159 lid 3 BW naar analogie moet worden toegepast. Op grond van dat artikel kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud slechts door een latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd wanneer sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Volgens haar is ten aanzien van de hoogte van de behoefte geen sprake van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden.


5. Met de man is de rechtbank van oordeel dat partijen blijkens artikel 1:159 lid 1 BW kunnen overeenkomen dat een partneralimentatie niet op grond van wijziging van omstandigheden zal kunnen worden gewijzigd. Zulks hebben partijen ook in het convenant vastgelegd. Een dergelijke bevoegdheid is ten aanzien van kinderalimentatie echter niet in de wet vastgelegd. Reeds hierom en gelet ook op de geldende jurisprudentie op dit punt is de rechtbank van oordeel dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en dus ook tot een hernieuwde vaststelling van de behoefte.


Ten aanzien van de behoefte van de vrouw


6. De man stelt dat de behoefte van de vrouw lager is gedurende de tijd dat de WSNP op de vrouw van toepassing is, omdat het gezin door de WSNP op een bestaansminimum wordt gezet.

De vrouw betwist dit. Zij voert aan dat het feit dat het gezin op het bestaansminimum wordt gezet niets zegt over de welstand die zij vanuit het huwelijk gewend waren.


7. De rechtbank overweegt als volgt. Behoefte is een voorwaarde voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie kan niet worden uitgegaan van een absoluut behoeftebegrip: behoefte houdt niet op bij het bestaansminimum. Het feit dat de vrouw tot de WSNP is toegelaten, leidt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet tot verlaging van haar behoefte aan een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud. De behoefte wordt immers bepaald aan de hand van de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk, waarbij het gezamenlijk gezinsinkomen een aanwijzing geeft voor die welstand. Dat de vrouw gedurende drie jaren moet rondkomen van een inkomen ter hoogte van het bestaansminimum wijzigt dat welstandsniveau en derhalve de behoefte niet. Dit kan mogelijk anders zijn als de vrouw gedurende vele jaren heeft moeten rondkomen van een inkomen op bijstandsniveau en haar behoefte niet meer huwelijks gerelateerd kan worden geacht. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van de man.


8. Anderzijds stelt de man dat, indien de behoefte niet wordt aangepast voor de duur van de WSNP en er een alimentatieverplichting wordt opgelegd, deze alimentatie niet gebruikt zal worden voor de kosten van levensonderhoud, maar voor de aflossing van schulden. De man is dan ook van mening dat de bedragen die voor kosten van levensonderhoud bestemd zijn, daarvoor niet worden aangewend. Volgens de man is het verzoek materieel te kwalificeren als een verzoek tot een bijdrage in de aflossing van de schulden van de vrouw. Hiervoor is, zo stelt de man, geen rechtsgrond. Het verzoek van de vrouw kan dan ook slechts worden gehonoreerd voor zover hetgeen de man dient te betalen ook daadwerkelijk voor kosten van levensonderhoud wordt aangewend, aldus de man.

De vrouw betwist deze stelling van de man. Zij meent dat die stelling niet is gebaseerd op een wettelijke grondslag of jurisprudentie.


9. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de man een wettelijke onderhoudsverplichting heeft jegens de vrouw. De wettelijke maatstaven voor de bepaling van het bedrag dat voor levensonderhoud verschuldigd is, zijn enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit het uitgangspunt te zijn en niet de wijze waarop de vrouw haar bijdrage eventueel besteedt. Ook aflossingsverplichtingen van de vrouw kunnen behoeftevormend zijn. De stelling van de man dat de alimentatieverplichting feitelijk een bijdrage in de aflossing van de schulden van de vrouw is, doet dan ook niet ter zake.


10. Nu de rechtbank van oordeel is dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud nog immer aanwezig is, en niet is gebleken dat daarin een wijziging is opgetreden, moet het ervoor gehouden worden dat de behoefte van de vrouw na indexatie op een bedrag van € 1.114,82 per maand kan worden gesteld. Als gevolg van de wettelijke indexering bedraagt die bijdrage per 1 januari 2015 € 1.123,74 per maand.


Ten aanzien van de behoefte van de minderjarige


11. De rechtbank heeft bij beschikking van 27 februari 2008 bepaald dat de inhoud van het convenant, waarin ook de kinderalimentatie is opgenomen, deel uitmaakt van de beschikking. Daarnaast heeft de rechtbank bij die beschikking de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige bepaald op € 1.100,-- per maand inclusief spaargeld van € 100,-- per maand. Uit het convenant noch uit de beschikking blijkt dat destijds sprake is geweest van een grondig onderzoek destijds door de rechtbank naar de behoefte en toenmalige draagkracht.


12. De man stelt zich allereerst op het standpunt dat de behoefte van de minderjarige toen niet is vastgesteld, hetgeen de vrouw betwist.


13. Behoefte is - ook bij kinderen - een voorwaarde voor vaststelling van alimentatie. De rechtbank heeft eerder opgemerkt dat volgens vaste jurisprudentie niet kan worden uitgegaan van een absoluut behoeftebegrip en dat behoefte niet ophoudt bij het bestaansminimum. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten van geval tot geval worden bepaald. Hierbij kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen. De Expertgroep Alimentatienormen geeft ten aanzien van de kosten van minderjarige kinderen echter concrete richtlijnen, de zogenaamde Tremanormen en tabellen.

In ieder geval blijkt uit het convenant dat partijen genoemde bijdrage destijds samen zijn overeengekomen als voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat partijen daarmee de bedoeling hadden om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van die minderjarige, sparen daarbij inbegrepen, overeenkomstig de welstand die partijen en de minderjarige gewend waren gedurende de samenleving. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat partijen deze bijdrage reëel vonden en kennelijk overeenkomstig haar behoefte. Op grond van het feit dat hieraan kennelijk geen behoefteberekening ten grondslag heeft gelegen, kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden geconcludeerd dat de behoefte van de minderjarige in het geheel niet is vastgesteld. Daarbij komt dat de behoefte van de minderjarige tussen partijen nimmer eerder ter discussie stond, ook niet tijdens de procedure bij de rechtbank Almelo naar aanleiding van de toelating van de man tot de WSNP dan wel tijdens de daarop volgende beroepsprocedure. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van de man.


14. De man meent voorts dat de bijdrage ten behoeve van de minderjarige destijds is vastgesteld met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hij voert daartoe aan dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2008, ten tijde van het convenant, in ieder geval meer bedroeg dan het maximum van de tabel, dus meer dan € 5.000,-- per maand. Volgens hem is het vaste rechtspraak dat de tabel niet wordt doorgetrokken bij hogere inkomens, zodat dit, uitgaande van één kind van toen 5 jaar (4 punten) en een gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen van € 5.000,--, leidt tot een behoefte van € 795,-- per maand in 2008. Gezien het grote verschil met de toen vastgestelde bijdrage van € 1.100,-- per maand, is sprake van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, aldus de man. Uit het convenant blijkt volgens hem genoegzaam dat partijen zich hebben willen richten op de wettelijke maatstaven bij de vaststelling van kinderalimentatie. Hierbij is, zo wordt gesteld, immers niet uitdrukkelijk vermeld dat is afgeweken van de wettelijke maatstaven, terwijl dit bij de partneralimentatie wel het geval is.

Ook deze stelling betwist de vrouw. Zij stelt dat de man de vastgestelde bijdrage toen een redelijk bedrag vond en dat het de man is geweest die wilde afwijken van de tabellen kosten kinderen. Bovendien voert zij aan dat deze tabellen slechts een richtlijn betreffen en geen wet.


15. De rechtbank overweegt als volgt. Van grove miskenning van de wettelijke maatstaven is sprake wanneer, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter destijds zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich wel op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar - als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van die maatstaven of doordat zij daarbij zijn uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens - tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Grove miskenning van de wettelijke maatstaven kan zich bovendien voordoen wanneer de toekomstverwachting van partijen te optimistisch of te weinig realistisch was.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet, althans niet voldoende, gebleken dat partijen zich ten tijde van het convenant hadden willen conformeren aan de wettelijke maatstaven en dat daarbij sprake is geweest van een onjuist inzicht dan wel onjuiste of onvolledige gegevens. Hoewel in het convenant niet uitdrukkelijk wordt vermeld dat partijen afwijken van de wettelijke maatstaven, blijkt uit het convenant evenmin dat partijen, uitgaande van hun inkomen en lasten, de wettelijke maatstaven hebben gehanteerd met betrekking tot de kosten van het kind, althans zich daarop hebben willen richten. Feit is dat partijen tijdens de echtscheidingsprocedure bijstand hadden van een advocaat, zodat ervan uitgegaan moet worden dat partijen door deze voldoende en genoegzaam zijn geïnformeerd over onder meer de berekening van de behoefte en draagkracht, alsmede over het bestaan van de Tremanormen en tabellen. Het feit dat partijen bij de totstandkoming van het convenant geen alimentatieberekening(en) hebben gemaakt, biedt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat de kinderbijdrage is overeengekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.


16. De tabellen van de Expertgroep Alimentatienormen geven richtlijnen voor de bepaling van de redelijkerwijs te maken kosten van kinderen in een bepaalde inkomensklasse. Hoewel deze richtlijnen realistisch moeten worden geacht en de Expertgroep het gebruik daarvan aanbeveelt, neemt een en ander niet weg dat ouders kunnen afwijken van de tabellen indien de behoefte van het kind hoger is dan uit deze normen volgt. Nu de man onweersproken stelt dat het inkomen van partijen in 2008 netto meer dan € 5.000,-- per maand was, acht de rechtbank het dan ook voorstelbaar dat partijen een hogere bijdrage ten behoeve van de minderjarige zijn overeengekomen en dat partijen aldus bewust zijn afgeweken van de tabellen. Dat de overeengekomen bijdrage ten opzichte van de daadwerkelijke uitgaven ten behoeve van de minderjarige als buitensporig zou moeten worden aangemerkt is evenmin gebleken. Zulks is ook niet in de eerdere wijzigingsprocedure bij rechtbank en gerechtshof aan de orde gekomen, hetgeen voor de hand zou hebben gelegen.


17. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of wel onjuiste of onvolledige gegevens destijds van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, terwijl evenmin is gebleken dat partijen van een te optimistische of weinig realistische toekomstverwachting zijn uitgegaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stelling van de man dat de overeenkomst ter zake van de kinderbijdrage is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven niet althans niet voldoende aannemelijk is geworden.


18. De man stelt zich voorts op het standpunt dat de behoefte moet worden verminderd met een bedrag van € 100,-- per maand, nu dit bedrag is bestemd voor spaardoeleinden. Volgens de man heeft sparen niets met behoefte te maken. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om dat bedrag op de behoefte in mindering te brengen, omdat sparen een onderdeel van de welstand en dus behoefte moet worden geacht.


19. Wel dient, zoals de man heeft aangevoerd, rekening te worden gehouden met het kindgebonden budget van € 1.017,-- per jaar waarop de vrouw in 2014 aanspraak kan maken. Dit kindgebonden budget van € 84,75 per maand strekt in mindering op de behoefte (in 2014) van € 1.226,31 per maand, zodat de behoefte van de minderjarige in dat jaar afgerond

€ 1.142,-- per maand bedraagt.


20. Per 1 januari 2015 is echter door veranderende wet- en regelgeving wijzigingen optreden in zowel de hoogte van de bijstandsnormen van alleenstaande ouders als veranderingen in de zogenaamde kindregelingen die van invloed zijn op de behoefte. Nu de hoogte van het verzamelinkomen van de vrouw van belang is en de rechtbank hiermee niet bekend is, kan een en ander nog niet worden doorgevoerd in een berekening. Dit is voor de rechtbank aanleiding om de beslissing aan te houden en de vrouw in de gelegenheid te stellen de rechtbank hierover nader te informeren. De man krijgt vervolgens gelegenheid daarop te reageren.


Ten aanzien van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw


Ten aanzien van de ingangsdatum


21. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.


22. Met betrekking tot het verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie acht de rechtbank het redelijk om deze in te doen gaan per datum indiening verzoekschrift, te weten 5 maart 2014. Op dat moment werd de man in rechte betrokken en was hij op de hoogte van het onderhavige verzoek. Hoewel het op weg van de man had gelegen om de vrouw over het einde van de WSNP in te lichten, had ook de vrouw eerder stappen kunnen ondernemen om een wijziging te bewerkstelligen. Een bespreking van de draagkracht over 2013 kan derhalve achterwege blijven.


Ten aanzien van de draagkracht van de man


23. De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw uit van de navolgende gegevens.


24. De man is per 1 juli 2013 met een eenmanszaak gestart, genaamd “[X]”.

De man beschikt nog niet over jaarrekeningen gedurende een aantal jaren. Uit de door hem in het geding gebrachte brief van zijn accountant van 15 mei 2014 blijkt dat het resultaat over het tweede half jaar van 2013 € 11.171,-- bedroeg en dat de geprognosticeerde winst voor het boekjaar 2014 € 34.503,-- bedraagt, hetgeen is afgeleid van de reeds gerealiseerde cijfers over het eerste kwartaal 2014.

De vrouw is van mening dat de man onvoldoende gegevens in het geding heeft gebracht. De vrouw stelt dat er van uitgegaan moet worden dat deze prognose is gehaald en wellicht aan de lage kant is, nu de man kennelijk geen gegevens wil aanleveren.

Uit de brief van de accountant blijkt dat voor de aangifte inkomstenbelasting 2013 uitstel is verkregen tot mei 2015. Nu bovendien het jaar 2014 nog niet is afgesloten is het aannemelijk dat de man nog niet over de definitieve jaarcijfers beschikt. Nu de rechtbank geen andere gegevens ter beschikking staan, zal de man in de gelegenheid worden gesteld om de definitieve cijfers over 2014 alsmede de prognosecijfers over 2015 in het geding te brengen, waarop de vrouw vervolgens gelegenheid krijgt te reageren.

De rechtbank zal daarom de beslissing over de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw aanhouden.


Ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige


Ten aanzien van de ingangsdatum


25. De man verzoekt de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige vast te stellen met ingang van de datum van deze beschikking. De rechtbank begrijpt het verzoek van de man echter aldus dat hij thans wijziging verzoekt van de eerder vastgestelde en van rechtswege herleefde bijdrage, een en ander met ingang van de datum van deze beschikking.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de ingangsdatum, zodat de rechtbank die datum als ingangsdatum zal vaststellen.


Ten aanzien van de draagkracht van de man


26. De rechtbank neemt over hetgeen zij onder 24. heeft weergegeven. Van de man zijn geen financiële gegevens bekend over 2015, zodat het op dit moment niet mogelijk is zijn draagkracht vast te stellen. De man wordt in de gelegenheid gesteld nadere justificatoire bescheiden over te leggen.


Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw


27. De vrouw stelt dat haar draagkracht nihil is, nu zij is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. Volgens de man dient echter aan de zijde van de vrouw rekening te worden gehouden met een draagkracht van € 136,-- per maand, zijnde het bedrag waarmee de rechter-commissaris rekening kan houden in het vrij te laten bedrag. Subsidiair is hij van mening dat de vrouw een draagkracht heeft van € 25,-- per maand.


28. De vrouw heeft een ziektewetuitkering, zo blijkt uit de Berekening VTLB. Zij heeft echter geen uitkeringsspecificaties overgelegd ter zake haar bruto uitkering. Wel blijkt uit de overgelegde Berekening VTLB dat zij een uitkering ontvangt van € 1.558,05 netto per maand inclusief vakantiegeld. In die berekening wordt rekening gehouden met 90% van de toepasselijke bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder inclusief vakantietoeslag. Naast het feit dat die berekening geldig was van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014, wordt in de gehanteerde bijstandsnorm ook rekening gehouden met het kind dat ten laste van de alleenstaande ouder komt. Daarin is echter per 1 januari 2015 - als gevolg van de nieuwe kindregelingen - een wijziging gekomen, waardoor in de norm niet langer rekening wordt gehouden met de kosten van een kind.


29. De rechtbank acht zich daarom, gelet op bovenstaande, eveneens onvoldoende geïnformeerd over de financiële situatie van de vrouw met ingang van 2015. De rechtbank zal daarom ook de vrouw in de gelegenheid stellen om nadere justificatoire bescheiden in het geding te brengen, waaronder uitkerings-/salarisspecificaties en een recente Berekening VTLB.


Ten aanzien van de bijdrage in natura door de man:


30. De man verzoekt nog te bepalen dat het in het belang van de minderjarige is dat hij het meerdere, gelegen boven het bedrag van € 136,-- per maand waarmee de rechter-commissaris rekening heeft gehouden in het vrij te laten bedrag, betaalt in natura. Door de diverse kosten van de minderjarige te betalen, kan zij haar sporten, waaronder hockey en golf, blijven beoefenen, worden er fatsoenlijke kleren voor haar gekocht en worden ook haar schoolkosten et cetera betaald. Indien hij niet in natura mag betalen, voor zover hij meer moet betalen dan het vrij te laten bedrag, vloeit de gehele bijdrage volgens hem naar de schuldeisers, waardoor de minderjarige geen baat heeft bij een door de rechtbank vastgestelde bijdrage.

De vrouw meent dat er geen grondslag is voor vaststelling van betaling door de man in natura en dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij refereert zich op dit punt echter aan het oordeel van de rechtbank.


31. De rechtbank is van oordeel dat het uitgangspunt dient te zijn dat een onderhoudsuitkering die door de rechter is vastgesteld ten behoeve van een minderjarige rechtstreeks in geld wordt uitbetaald aan de ouder waar het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en dat een onderhoudsplichtige ouder zich aldus in beginsel niet op andere wijze kan kwijten van zijn onderhoudsverplichting. Onder omstandigheden zouden verstrekkingen op andere wijze wellicht grond kunnen opleveren tot beperking van een onderhoudsverplichting. Feit is echter dat de vrouw in de WSNP zit. In die situatie zouden betalingen in natura aan de minderjarige in plaats van betaling van een bedrag aan de vrouw, feitelijk kunnen leiden tot benadeling van de schuldeisers, hetgeen een niet wenselijke situatie zou zijn.

De stelling van de man dat in dit geval de onderhoudsuitkering in de vorm van de betaling van een geldbedrag aan de vrouw ten goede komt van de schuldeisers in plaats van de minderjarige, doet daaraan niet af. Ook de stelling van de man dat hij daardoor wederom meebetaalt aan de aflossingen van de schulden van partijen, terwijl hij het WSNP-traject afgesloten heeft, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. Partijen hebben die schulden immers ook gezamenlijk laten ontstaan. Indien partijen niet gescheiden zouden zijn, zouden die aflossingen ook ten laste van het gezinsinkomen zijn gekomen, waardoor evenmin in de volledige behoefte van de minderjarige zou zijn voorzien.


De beslissing


De rechtbank:


I. Stelt zowel de man als de vrouw in de gelegenheid nadere financiële justificatoire bescheiden in het geding te brengen en, in het geval van de vrouw, eveneens nadere stukken met betrekking tot het te ontvangen kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop, waarna partijen over en weer twee weken de gelegenheid krijgen daarop te reageren.


II. Verwijst de zaak daartoe naar de rol van 25 maart 2015 voor uitlating partijen.


III. Houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. Lemain, in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.