Rechtbank Overijssel, 21-05-2015 / Awb 14/2720


ECLI:NL:RBOVE:2015:2409

Inhoudsindicatie
Wetgever heeft evenmin bedoeld om bezwaar en beroep mogelijk te maken ter zake van de in rekening gebrachte vergoeding voor de aanmaning (aanmaningskosten); bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-21
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
Awb 14/2720
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht


Zittingsplaats Zwolle


Registratienummer: Awb 14/2720

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen


[eiser]

wonende te Delden, eiser,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente, verweerder,

gemachtigde: drs. M.G.B. Kamst.

14/2720


1Ontstaan en loop van het geding


Bij invorderingsbesluit van 15 april 2014 heeft verweerder eiser verzocht de door hem verbeurde dwangsom ten bedrage van € 3000,-- binnen een termijn van zes weken naar verweerder over te maken. Bij brief van 3 juni 2014 heeft verweerder een aanmaning verzonden. Tegen deze aanmaning is door eiser bezwaar gemaakt bij brief van 9 juni 2014.


Bij besluit van 16 september 2014 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij brief van 27 oktober 2014.


Het beroep is behandeld ter zitting van 20 februari 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



2Beoordeling van het geschil


Verweerder heeft het bezwaar gericht tegen de aanmaning onder verwijzing naar artikel 8:4, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen een aanmaning op grond van genoemd artikel geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.


Eiser meent dat het bedrag van de dwangsom te hoog is en voorts dat hij niet gehouden is de opgevoerde aanmaningskosten te betalen.


De rechtbank overweegt het volgende.


Bij besluit van 25 november 2013 heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd. Het betreft een dwangsom van € 3000,-- ineens. Bij brief van 30 december 2013, door verweerder ontvangen op 7 januari 2014, heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt.


Bij schrijven van 14 januari 2014 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat op 13 januari 2014 is geconstateerd dat eiser niet heeft voldaan aan de opgelegde last en dat om die reden van rechtswege de opgelegde dwangsom is verbeurd. Eiser is verzocht het bedrag van € 3000,-- op de rekening van verweerder over te maken. Verweerder heeft eiser er op gewezen dat de brief van 14 januari 2014 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt.


Bij besluit van 15 april 2014, verzonden op 16 april 2014, is eiser verzocht het bedrag van de verbeurde dwangsom binnen een termijn van zes weken te voldoen. Eiser is er op gewezen dat hij tegen dat besluit bezwaar kan maken. Tevens heeft verweerder er op gewezen dat als betaling binnen de genoemde termijn achterwege blijft hij voornemens is een aanmaning op grond van artikel 4:112 van de Awb te sturen en tenslotte, indien daarna nog niet wordt betaald, het bedrag in te vorderen middels een dwangbevel op grond van artikel 4:114 e.v. van de Awb en artikel 5:10 van de Awb. Voor de invordering wordt in dat geval een gerechtsdeurwaarder ingeschakeld. De kosten die verweerder daarvoor moet maken, zullen naast het dwangsombedrag, de kosten van aanmaning en de opgelopen wettelijke rente op eiser worden verhaald.


Op 3 juni 2014 heeft verweerder eiser de aanmaning gestuurd voor een bedrag van € 3000,-- (dwangsom) plus € 15,-- (aanmaningskosten). Verweerder heeft eiser er op gewezen dat hij tegen de aanmaning op grond van artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen tegen de aanmaning bezwaar kan maken. Op 13 juni 2014 heeft eiser tegen de aanmaning bezwaar gemaakt. Op 25 augustus 2014 heeft de Adviescommissie voor de bezwaarschriften geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Bij het bestreden besluit van 16 september 2014, verzonden op 17 september 2014, heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Adviescommissie voor de bezwaarschriften, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.


Ingevolge artikel 4:112, eerste lid, van de Awb maant het bestuursorgaan de schuldenaar die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.

Ingevolge het derde lid vermeldt de aanmaning dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.


De rechtbank stelt vast dat aan de in artikel 4:112 van de Awb gestelde vereisten is voldaan, zodat er sprake is van een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb.


Ingevolge artikel 4:113, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding bedraagt € 7,-- indien de schuld minder dan € 454,-- bedraagt en € 15,-- indien de schuld € 454,-- of meer bedraagt.

Het tweede lid bepaalt dat de aanmaning de vergoeding die in rekening wordt gebracht vermeld.


De rechtbank stelt vast dat het in de aanmaning genoemde bedrag aan aanmaningskosten overeenstemt met dat wat in artikel 4:113, eerste lid, van de Awb is genoemd.


Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder m, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 of een dwangbevel.


Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.


De rechtbank stelt vast dat uit (het stelsel van) de wet voortvloeit dat tegen een aanmaning geen beroep kan worden ingesteld en derhalve ook geen bezwaar kan worden gemaakt. Dat geldt evenzeer voor het in de aanmaning genoemde bedrag van de te betalen dwangsom. Eiser kon door bezwaar te maken tegen het dwangsombesluit dan wel tegen het invorderingsbesluit opkomen tegen de hoogte van de dwangsom. Vaststaat dat hij tegen het invorderingsbesluit geen bezwaar heeft gemaakt.


Met betrekking tot de vraag of tegen de aanmaningskosten als bedoeld in artikel 4:113 wel afzonderlijk bezwaar kan worden gemaakt overweegt de rechtbank het navolgende.


De rechtbank stelt vast dat artikel 4:113 van de Awb niet in artikel 8:4 van de Awb is genoemd. Voorts stelt de rechtbank vast dat in het aanmaningsbesluit is verwezen naar artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet). In dat artikel is de mogelijkheid van het maken van bezwaar tegen de aanmaningskosten geboden.


De rechtbank is met verweerder van oordeel dat ten onrechte naar artikel 7 van de Kostenwet is verwezen. In het onderhavige geval betreft het geen invordering van een (rijks)belasting en evenmin is artikel 7 van de Kostenwet van overeenkomstige toepassing verklaard.


Voor de vraag of de enkele omstandigheid dat artikel 4:113 van de Awb niet is genoemd in artikel 8:4 van de Awb er toe zou moeten leiden dat tegen het opleggen van aanmaningskosten wel afzonderlijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, verwijst de rechtbank naar de artikelsgewijze toelichting in de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29702, nr. 3, pagina 59) bij artikel 4:112, eerste lid, van de Awb (destijds artikel 4.4.4.1.1), te weten:

“In elk geval moet worden aangenomen dat voorzover voor de aanmaning een vergoeding in rekening wordt gebracht (vgl. artikel 4.4.4.1.2, eerste lid) van een beschikking sprake is (vgl. ook art. 7 Kostenwet invordering). Aangezien de hoogte van deze vergoeding in artikel 4.4.4.1.2 op een forfaitair bedrag is gesteld, leent een aanmaningsbeschikking zich ons inziens niet voor bezwaar en beroep. Om die reden wordt in onderdeel J voorgesteld de aanmaning van bezwaar en beroep uit te zonderen.”


De rechtbank stelt vast dat uit het hierboven weergegeven citaat volgt dat de wetgever evenmin bedoeld heeft om bezwaar en beroep mogelijk te maken ter zake van de in rekening gebrachte vergoeding voor de aanmaning (aanmaningskosten).


Uit de Memorie van Toelichting blijkt voorts dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de burgerlijke rechter bevoegd te laten zijn in executiegeschillen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderhavige geschil als zodanig aan te merken.


Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is dan ook ongegrond.


Ter zitting heeft eiser gesteld dat onderhavige procedure ook betrekking zou hebben op zijn beroep gericht tegen de besluitvorming waarbij hem een dwangsom van € 6000,-- is opgelegd. Ter zitting heeft de rechtbank evenwel al vastgesteld dat tegen die besluitvorming geen beroep bij deze rechtbank aanhangig is.



3Proceskosten


Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


4Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.J.P. Kambeel als griffier, op















Afschrift verzonden op: