Rechtbank Overijssel, 19-05-2015 / Awb 14/3286


ECLI:NL:RBOVE:2015:2410

Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning verleend voor bouwen van een pluimveestal te Albergen; bepaling in bestemmingsplan onverbindend verklaard; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-19
Publicatiedatum
2015-05-21
Zaaknummer
Awb 14/3286
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • OGR-Updates.nl 2015-0119
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/3286


uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eisers 1] , allen wonende te Albergen, eisers,

gemachtigde: mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem,


en


het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder.



Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Maatschap Veldhuis-Schepers Kuikenmesterij, te Albergen,

gemachtigde: mr. J. van Groningen, te Middelharnis.



Procesverloop


Bij besluit van 28 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan de maatschap Veldhuis-Schepers Kuikenmesterij te Albergen, voor het bouwen van een pluimveestal aan de Tichelweg, ongenummerd, te Albergen, kadastraal bekend gemeente Tubbergen, sectie H, nummers 2447 en 7043, en voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.


Bij besluit van 18 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers [eiser 1], [eiser 2] [eiser 3] [eiser 4] niet-ontvankelijk verklaard en heeft verweerder het bezwaar van eisers [eiser 5] [eiser 6] [eiser 7] [eiser 8] [eiser 9] [eiser 10] [eiser 11] ongegrond verklaard.


Eiser hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


De rechtbank heeft desgevraagd de maatschap Veldhuis-Schepers Kuikenmesterij te Albergen in de gelegenheid gesteld om als derde-partij deel te nemen aan dit geding.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2015.

Eisers [eiser 5] [eiser 6] [eiser 13], [eiser 8] [eiser 9] W.J.M. Goossen, [eiser 3] [eiser 4] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Deutekom. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S.A.J. Scheepers en E.P. Stekelenburg. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.A. Veldhuis, J.B. Veldhuis en H.D. Radstaak, bijgestaan door mr. Van Groningen.



Overwegingen


1.1

Het bedrijf van de derde-partij is gevestigd op het adres Kanaal Noordzijde 13 te Albergen. Het bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd heeft betrekking op de bouw van een pluimveestal op het aangrenzende perceel Tichelweg, ongenummerd, te Albergen, kadastraal bekend gemeente Tubbergen, sectie H, nummers 2447 en 7043. De nieuw te bouwen stal is bedoeld voor de huisvesting van 53.500 stuks pluimvee.


1.2

Ten behoeve van de beoogde uitbreiding van de pluimveehouderij van de derde- partij is op 22 maart 2010 een aanvraag om verlening van een milieuvergunning gedaan. De aangevraagde milieuvergunning is bij besluit van 29 september 2014 verleend. Op grond van het bepaalde in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo is het recht zoals dit gold voor het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking is getreden van toepassing gebleven op de voorbereiding en procedures met betrekking tot deze vergunning. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.2a, derde lid, van de Invoeringswet Wabo is het bepaalde in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, op grond van welke bepaling een aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen een betrokken project, in dit geval niet van toepassing. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot het beoordelen van de rechtmatigheid van het gehandhaafde besluit waarbij een omgevingsvergunning voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is verleend.


1.3

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft verweerder geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen voor een eerdere versie van het bouwplan. Bij uitspraak van 15 januari 2014 (Awb 13/2067) heeft de rechtbank het beroep van de derde-partij tegen het handhaven van deze weigering ongegrond verklaard. Het gehandhaafde besluit van 11 oktober 2011 is in rechte onaantastbaar geworden.


1.4

Het huidige bouwplan verschilt op een aantal onderdelen van het eerdere bouwplan, waarvoor door verweerder een omgevingsvergunning was geweigerd. Zo voorziet het huidige bouwplan in een ander luchtventilatiesysteem. Tevens zal op kosten van de derde- partij een parkeerhaven aan de Tichelweg/Looweg worden aangelegd.


2.1

De rechtbank zal eerst beoordelen of verweerder het bezwaar van eisers Tenninglo, Ten Dam-Geerlink, Elshuis en Janssen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.


2.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder, in navolging van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, voor wat betreft de belanghebbendheid van de bezwaarmakers, heeft aangenomen dat als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt degenen die:

binnen een afstand van 250 meter van de betreffende stal wonen, of

aangrenzend eigenaar van het perceel zijn, of

zicht hebben op de te bouwen stal.

Aangezien eisers [eisers 8] op een afstand van respectievelijk 319 meter, 373 meter, 277 meter en 317 meter van de te bouwen stal wonen en zij geen zicht hebben op het bouwplan en evenmin eigenaar zijn van een aangrenzend perceel, heeft verweerder hun bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.


2.3

De rechtbank stelt voorop dat eisers met name vrezen voor een toename van de geuroverlast in hun woonomgeving ten gevolge van de bouw van de stal. Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede gelet op de afstand van de te bouwen stal tot hun woningen, niet op voorhand worden uitgesloten dat de geuruitstoot vanuit de nieuw te bouwen stal van invloed zal zijn op het woon- en leefklimaat van eisers [eisers 8]. Onder deze omstandigheden kan, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet worden geoordeeld dat zij door de verlening van een omgevingsvergunning niet rechtstreeks in hun belangen worden geraakt. Verweerder heeft de eisers [eisers 8] dan ook ten onrechte niet als belanghebbenden bij het primaire besluit aangemerkt en verweerder heeft hun bezwaren dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.


2.4

Het beroep, voor zover ingesteld namens eisers [eisers 8], is daarom gegrond en het bestreden besluit dient dan ook, voor zover hun bezwaren hierbij niet-ontvankelijk zijn verklaard, te worden vernietigd.


3. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder het primaire besluit op goede gronden heeft kunnen handhaven.


4. Ten aanzien van de stelling van eisers dat verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten afwijzen overweegt de rechtbank dat de mogelijkheid om een herhaalde aanvraag met toepassing van deze bepaling af te wijzen een bevoegdheid van het bestuursorgaan is en geen verplichting. Daarbij komt dat het huidige bouwplan niet identiek is aan het eerdere bouwplan, waarvoor een omgevingsvergunning door verweerder was geweigerd. Deze stelling van eisers treft daarom geen doel.


5.1

Het perceel waarop het bouwplan is gesitueerd ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied 2006”. Blijkens de plankaart, behorend bij dit bestemmingsplan, hebben deze gronden deels de bestemming ‘agrarische bedrijfsdoeleinden’ en deels de bestemming ‘agrarisch gebied’.


5.2

Op gronden waaraan de bestemming ‘agrarische bedrijfsdoeleinden’ is toegekend is het bepaalde in artikel 3 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) van toepassing. Aan het deel van het te bebouwen terrein met deze bestemming is op de plankaart de nadere aanduiding IV toegekend. Deze nadere aanduiding houdt in dat deze gronden bestemd zijn voor intensieve veehouderij.


5.3

Op gronden waaraan de bestemming ‘agrarisch gebied’ is toegekend is het bepaalde in artikel 4 van de planvoorschriften van toepassing. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, lid A, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn gronden waaraan deze bestemming is toegekend bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, lid B, van de planvoorschriften mogen op de tot ‘agrarisch gebied’ bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd andere-bouwwerken ten dienste van de bestemming – niet zijde voorzieningen ten behoeve van de opslag van mest, tenzij de gronden zijn aangeduid met “mestopslag” – met dien verstande dat de hoogte ten hoogste 2 meter bedraagt.

5.4

In artikel 4, lid C, onderdeel 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid B, ten behoeve van overschrijding met bebouwing van de op de kaart aangegeven bouwpercelen met de bestemming ‘agrarische bedrijfsdoeleinden’, met dien verstande dat:

het bepaalde in artikel 3 van overeenkomstige toepassing is;

een mestopslag/mestsilo in directe ruimtelijke relatie tot het bouwperceel wordt gerealiseerd;

voor overige bebouwing geldt dat de overschrijding – niet zijnde mestopslag/mestsilo’s – ten hoogste 25 meter bedraagt;

de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische uitvoerbaarheid en toelaatbaarheid en de landschappelijke inpasbaarheid, is aangetoond.


5.5

De rechtbank stelt vast dat het bouwplan de grens van de gronden waaraan de bestemming ‘agrarische bedrijfsdoeleinden’ is toegekend nergens met meer dan 25 meter overschrijdt. Dat het bouwplan er toe leidt dat op een aanzienlijk gebied met de bestemming ‘agrarisch gebied’ bebouwing kan worden gerealiseerd is op zichzelf genomen en als zodanig niet in strijd met het bestemmingsplan.


5.6

De rechtbank stelt voorts vast dat de afwijking er ingevolge het bepaalde in artikel 4, lid C, onderdeel 1, aanhef en onder b, sub 1, van de planvoorschriften toe leidt dat het bepaalde in artikel 3 van de planvoorschriften voortaan van overeenkomstige toepassing zal zijn op de gronden ten behoeve waarvan de afwijking van het bepaalde in artikel 4, lid B, van de planvoorschriften is toegestaan.


5.7

De rechtbank overweegt dat wijziging van de bestemming van gronden, zonder dat het bestemmingsplan zelf gewijzigd wordt, alleen mogelijk is binnen de grenzen van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Een dergelijke wijziging vindt plaats door middel van een wijzigingsplan, waartegen ingevolge het bepaalde in artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wijziging van de bestemming van gronden op andere wijze verdraagt zich niet met het systeem van de Wro. Nu toepassing van het bepaalde in artikel 4, lid B, onderdeel 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften er toe leidt dat buiten het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro feitelijk een andere bestemming aan gronden wordt toegekend dan de bestemming die daaraan in het plan is toegekend, is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling onverbindend is.


5.8

Aangezien artikel 4, lid B, onderdeel 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften onverbindend is, was verweerder niet bevoegd om met toepassing van deze bepaling af te wijken van het bestemmingsplan.


6.1

Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, van de Wro te worden vernietigd.


6.2

Hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onbesproken blijven.


6.3

Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar kan worden bezien of afwijking van het bestemmingsplan anderszins mogelijk is.


7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.


8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en voor het inschakelen van een deskundige op € 1.270,--.




Beslissing


De rechtbank:


  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - gelast verweerder om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eisers te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers, tot een bedrag van € 2.250,--.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en

mr. A.J.G.M. van Montfort, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op




griffier voorzitter





Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.