Rechtbank Overijssel, 27-05-2015 / C/08/170621 / KG ZA 15-138


ECLI:NL:RBOVE:2015:2500

Inhoudsindicatie
Ex-man wordt veroordeeld tot het nakomen van de gemaakte afspraken na de scheiding, zoals het betalen hypotheek(rente) en meewerken aan de verkoop van het huis.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-27
Publicatiedatum
2015-05-28
Zaaknummer
C/08/170621 / KG ZA 15-138
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/08/170621 / KG ZA 15-138


Vonnis in kort geding van 27 mei 2015


in de zaak van


[eiseres],

wonende te [woonplaats 1],

eiseres,

advocaat mr. M. Ras te Almere, procederend onder toevoeging (geregistreerd onder 4LE7723, afgegeven op 21 april 2015),


tegen


[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

verschenen in persoon.



Partijen zullen hierna de vrouw respectievelijk de man genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 2015;
  • - de mondelinge behandeling van 18 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten en het geschil

2.1.

Partijen zijn sinds 25 februari 2015 ex-echtgenoten. De vrouw stelt dat de man niet de door partijen gemaakte afspraken, neergelegd in een echtscheidingsconvenant, nakomt en aldus ten onrechte:

  • - sedert februari 2015 niet de hypotheekrente betaalt van de voormalig echtelijke woning;
  • - medewerking weigert aan onderhandse verkoop en levering van de voormalig echtelijke woning;
  • - per maart 2015 de termijnbetalingen met betrekking tot betaling van de kosten gemaakt voor het proces tot echtscheiding (een door partijen overeengekomen bedrag van € 1.000,00, waarvoor als betalingsregeling geldt: zes termijnen van € 100,00 en een termijn van € 400,00 uit het vakantiegeld van de man en waarbij de eerste betaling zal plaatsvinden in januari 2015) aan de vrouw heeft gestaakt;
  • - weigert zich in de GBA te laten uitschrijven op het adres van de voormalig echtelijke woning, die hij op 20 november 2014 heeft verlaten, waardoor de vrouw een bedrag van € 306,00 aan zorgtoeslag heeft misgelopen.

2.2.

De vordering van de vrouw strekt tot veroordeling van de man tot:

I betaling van de achterstand in de betaling van de verschuldigde hypotheekrente over de maanden februari en maart 2015, ten bedrage van in totaal € 1.081,00;

II tijdige betaling van de verschuldigde hypotheekrente ten bedrage van € 540,50 per maand;

III medewerking aan onderhandse verkoop van de voormalig echtelijke woning via een door partijen te kiezen makelaar, op straffe van een door de man te verbeuren gemaximeerde dwangsom ten bedrage van € 25.000,00;

IV betaling van de termijnbetaling van de kosten gemaakt voor het proces tot echtscheiding over de maand maart 2015;

V nakoming van de betalingsregeling met betrekking tot de kosten gemaakt voor het proces tot echtscheiding;

VI verifieerbaar bewijs van de uitschrijving op het GBA-adres van de voormalig echtelijke woning, op straffe van een door de man te verbeuren gemaximeerde dwangsom van EUR 25.000,00;

VII vergoeding ten bedrage van € 306,00 aan de vrouw;

alles met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.


2.3.

De man voert verweer.


2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


3De beoordeling

3.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.


3.2.

Van een spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering is in voldoende mate gebleken.


3.3.

De vordering van de vrouw is gegrond op het echtscheidingsconvenant van partijen. Daarin is (onder meer) vastgelegd dat het gebruiksrecht van de (voormalig) echtelijke woning is toegedeeld aan de vrouw, de lasten die verbonden zijn aan de echtelijke woning en de gevoerde huishouding worden gedragen in die zin dat de lasten van de hypotheek, de WOZ-aanslag, de opstalverzekering en de rente op de eigen woningschuld door de man dienen te worden voldaan en dat de echtelijke woning wordt verkocht en overgedragen aan de eerste belangstellende die naar het oordeel van partijen een acceptabel bod uitbrengt en tenslotte dat de kosten die worden gemaakt voor het proces van de echtscheiding door de vrouw worden betaald en voor een bedrag van € 1.000,00 door de man aan de vrouw worden vergoed.

3.4.

Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij niet aan de overeengekomen betalingsverplichtingen kan voldoen, omdat hij al geruime tijd geen inkomen meer heeft, als gevolg van een reorganisatie bij zijn laatste werkgever.


3.5.

Dat de man niet aan de overeengekomen betalingsverplichtingen kan voldoen is echter op geen enkele wijze verifieerbaar onderbouwd. De enkele stelling dat hij sinds deze maand een WW-uitkering ontvangt is daartoe onvoldoende. Dit verweer dient dan ook als onvoldoende gemotiveerd te worden gepasseerd.

Voor zover de man van mening is dat hij niet (meer) gehouden is tot (volledige) nakoming van voornoemde betalingsverplichtingen, onder meer omdat – zoals hij heeft gesteld – de woning als gevolg van vervuiling en/of achterstallig onderhoud door de vrouw minder waard is geworden en omdat hij ten onrechte moet opdraaien voor door de vrouw veroorzaakte kosten (die het gevolg zijn van volgens de man beweerdelijk drankmisbruik en het niet doorzenden van aan hem gerichte poststukken), is ook dit evenmin onderbouwd en daarom dient ook dit verweer te worden gepasseerd.

Nu de vorderingen van de vrouw, hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 2.2. onder I, II, IV en V, niet voldoende gemotiveerd zijn betwist, worden deze toegewezen.


3.6.

In reactie op de vordering tot medewerking aan onderhandse verkoop van de voormalig echtelijke woning via een door partijen te kiezen makelaar, heeft de man ter zitting aangegeven dat hij hiertoe (nog altijd) bereid is. Gelet hierop, zal ook deze vordering (weergegeven in rechtsoverweging 2.2. onder III) worden toegewezen. Aangezien reeds voorbereidingen zijn getroffen om de verkoop van de voormalig echtelijke woning in gang te zetten – beide partijen stellen contact te hebben gehad met ‘Dennis de Makelaar’–, ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding om, als stimulans voor de nakoming, een dwangsom op te leggen.


3.7.

Nu de man niet meer woonachtig is in de woning voornoemd, zal hij ook worden veroordeeld om zich in de GBA te laten uitschrijven op het adres van de woning (de vordering weergegeven in rechtsoverweging 2.2. onder VI). De vrouw heeft daarbij belang nu zij, zoals onweersproken is gesteld, anders toeslagen misloopt. Van enig belang van de man om op het adres ingeschreven te blijven is niet gebleken; hij blijft mede-eigenaar van de woning en kan zodoende toezicht (blijven) uitoefenen.

De man kan echter niet worden tegengeworpen dat hij zich destijds (dat wil zeggen na zijn vertrek uit de woning) niet heeft uitgeschreven, nu partijen dit niet zijn overeengekomen (in het echtscheidingsconvenant). De vordering tot betaling van misgelopen zorgtoeslag (weergegeven in rechtsoverweging 2.2. onder VII en VIII) moet om die reden worden afgewezen.

De voorzieningenrechter zal de dwangsom, verbonden aan de uitschrijving in de GBA, beperken tot € 50,00 voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00.


3.8.

Aangezien partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat zij ieder hun eigen kosten dragen.


4De beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt de man om:


4.1.

binnen acht dagen na betekening van dit vonnis te betalen aan de Rabobank Utrecht en Omstreken, op bankrekeningnummer [rekeningnummer], de achterstand in de betaling van de verschuldigde hypotheekrente over de maanden februari en maart 2015 ten bedrage van in totaal € 1.081,00, onder vermelding van leningnummer [nummer];


4.2.

de verschuldigde hypotheekrente vanaf de maand april 2015 en voor alle daaropvolgende kalendermaanden ten bedrage van € 540,50 per maand, iedere maand bij vooruitbetaling te voldoen aan de Rabobank Utrecht en Omstreken, op bankrekeningnummer [rekeningnummer] onder vermelding van leningnummer [nummer], tot aan de datum waarop de woning aan [nummer] notarieel zal zijn geleverd aan de kopers;


4.3.

binnen acht dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan [nummer], door tezamen met de vrouw opdracht te geven tot verkoop aan een door beide partijen uitgekozen makelaar;


4.4.

binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw te voldoen de haar toekomende aflossing inzake de overeenkomst van geldlening tussen partijen met betrekking tot de kosten van de scheidingsmakelaar, over de maand maart 2015 bedragend een bedrag van € 400,00;


4.5.

de overeenkomst van geldlening jegens de vrouw verder correct na te komen, hetgeen betekent dat de man het van de vrouw geleende bedrag van € 1.000,00 uiterlijk op 31 juli 2015 volledig aan de vrouw dient te hebben afgelost, door vanaf de maand april 2015 gedurende drie maanden aan de vrouw een aflossing te doen van € 100,00 per maand en gedurende een maand een aflossing van een bedrag van € 400,00 ineens;


4.6.

zich binnen acht dagen na betekening van dit vonnis uit te schrijven van het adres [nummer], met bewijslevering van deze uitschrijving aan de vrouw, op straffe van een door de man aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat hij, na ommekomst van acht dagen na betekening van dit vonnis, met deze veroordeling jegens de vrouw in gebreke blijft, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 2.500,00;


4.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


4.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;


4.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.