Rechtbank Overijssel, 21-04-2015 / C/08/167428 / FA RK 15-214


ECLI:NL:RBOVE:2015:2652

Inhoudsindicatie
Rechtbank wijst af het verzoek van de raad tot beëindiging gezag. Binnen de OTS wordt niet gewerkt aan thuisplaatsing. Tav de ontwikkeling van het kind is onvoldoende gebleken van zorgelijk gedrag dat ertoe moet leiden dat een verderstrekkende maatregel in het belang van het kind is. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een moeder die haar gezag op een goede manier gebruikt in de samenwerking met de pleegouders en de hulpverlening. Moeder heeft een klik met het pleeggezin en vindt dit de beste plek voor kind als ze niet bij haar kan wonen. Voorts is niet gebleken dat de jeugdbeschermer in de uitvoering van de OTS problemen met moeder ervaart. Moeder is beschikbaar en verleent haar medewerking.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-06-02
Zaaknummer
C/08/167428 / FA RK 15-214
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK OVERIJSSEL

Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats: Almelo


zaakgegevens : C/08/167428 / FA RK 15-214

datum uitspraak: 21 april 2015


beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Almelo.


betreffende


[R], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen [R].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:


[P], hierna te noemen moeder,

wonende te [woonplaats 1],


[S], hierna te noemen vader,

wonende te [woonplaats 2],


[K], hierna te noemen het pleeggezin,

wonende te [woonplaats 3],


Stichting Jeugdbescherming Overijssel, hierna te noemen JBO,

gevestigd te Enschede.



Het procesverloop


Op 29 januari 2015 is ter griffie ingekomen het verzoekschrift met bijlagen van de Raad.


Op 29 januari 2015 is een bereidverklaring aanvaarding voogdij van JBO ter griffie ingekomen.


De zaak is behandeld ter zitting van 20 maart 2015. Ter zitting zijn verschenen:

de heer [C], namens de Raad, moeder, bijgestaan door mr. F. Vos,

mr. K.J. Coenen namens vader en mevrouw [E], namens JBO. Vader en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


De beschikking is bepaald op heden.


De feiten


Uit moeder is geboren:

[R] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats 1].

Het ouderlijk gezag over [R] wordt uitgeoefend door de moeder.


Bij beschikking van de kinderrechter van 29 augustus 2011 is de ondertoezichtstelling van [R] uitgesproken.

Sinds 29 augustus 2011 is [R] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

Sinds 10 januari 2013 verblijft [R] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

Deze maatregelen duren nog steeds voort.


Het verzoek

De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en JBO tot voogd over [R] te benoemen.


De Raad voert daartoe het volgende aan. Uit eerdere onderzoeken door de Raad en het AMOD is gebleken dat [R] gezien haar eigen problematiek grote behoefte heeft aan grenzen en duidelijkheid. Die worden haar in het huidige pleeggezin geboden. [R] woont daar ruim twee jaar en haar ontwikkeling is met sprongen vooruitgegaan.

Het is voor [R] van belang dat de huidige woonsituatie gegarandeerd is en blijft en dat hierover niet een (half)jaarlijkse strijd en onrust is, hetgeen in de afgelopen jaren wel is gebeurd. De aanvaardbare termijn van een onzeker perspectief is voor [R] geruime tijd verstreken. Onderzoeken door het AMOD en de Raad in 2014 wijzen uit dat moeder - hoewel zij een ontwikkeling heeft doorgemaakt - [R] met name op emotioneel gebied niet die opvoedingssituatie kan bieden die zij nodig heeft en die haar wel wordt geboden binnen het pleeggezin. Moeder zal overvraagd worden wanneer zij zelf weer, al dan niet met hulp, invulling zou geven aan de opvoeding van [R]. De Raad is van mening dat het meest passend is om JBO te belasten met de uitvoering van de voogdij over [R]. De Raad acht het van groot belang dat het contact tussen [R] en moeder ook na de gezagsbeëindigende maatregel behouden blijft. Wanneer het moeder lukt de uithuisplaatsing te accepteren, biedt dit meer mogelijkheden voor uitbreiding van de omgangsregeling.


De standpunten


Moeder voert verweer. Zij vindt een gezagsbeëindigende maatregel te verstrekkend. Zij heeft altijd aan alles meegewerkt en de verhoudingen met de pleegouders en de jeugdbeschermer zijn goed. Moeder zet stappen en wil alle hulp aanpakken. Moeder meent dat het perspectief van [R] niet in een pleeggezin is en dat zij binnen afzienbare tijd mogelijk voor [R] kan zorgen. Moeder beschikt op opvoedkundig niveau over voldoende kwaliteiten en wil graag een kans om te laten zien dat zij emotioneel gezien ook stappen kan maken.


Mr. Coenen verzoekt namens vader het verzoek van de Raad af te wijzen. Moeder heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Er is geen sprake van een uitzichtloze situatie, zodat de banden niet moeten worden doorgesneden. Ten slotte heeft moeder tot op heden onvoldoende hulp en begeleiding gekregen.



JBO is van mening dat het in het belang van [R] is dat zij duidelijkheid krijgt over haar toekomstperspectief.


De beoordeling

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.


De rechtbank stelt vast dat binnen de bestaande maatregelen van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing niet wordt gewerkt aan terugkeer van [R] naar moeder. [R] verblijft reeds twee jaar in het huidige pleeggezin. De draagkracht van [R] is minder dan gemiddeld omdat zij beschadigd is. Ten tijde van de uithuisplaatsing was bij [R] sprake van hechtingsproblematiek, een cognitieve ontwikkelingsachterstand en verwaarlozing op diverse gebieden. In de eerste tweeënhalf jaar van haar leven heeft het [R] ontbroken aan basale zorg en veiligheid. In de daarop volgende jaren is [R] met drie verschillende opvoedingssituaties geconfronteerd. [R] is in sociaal-emotioneel opzicht erg kwetsbaar. Zij kan haar gevoelens niet goed uiten. Gelet op hetgeen [R] heeft meegemaakt in haar eerste levensjaren, heeft zij een bovengemiddelde behoefte aan stabiliteit, voorspelbaarheid en veiligheid. Van de (primaire) opvoeder van [R] worden meer dan gemiddelde opvoedingsvaardigheden gevraagd om ten volle tegemoet te kunnen komen aan de opvoedings- en ontwikkelingsvraag van [R]. Uit de rapportages van Jarabee, de Raad en JBO is gebleken dat moeder positieve stappen heeft gezet, maar dat zij onvoldoende vaardigheden en inzichten heeft op emotioneel gebied. Met ondersteuning wordt het mogelijk geacht dat zij zich verder ontwikkelt, maar niet zodanig dat deze aan de specifieke behoeftes van [R] tegemoet komen. Daarnaast is gebleken dat [R] zichtbaar profiteert van de veiligheid en structuur die haar in het pleeggezin wordt geboden en dat zij het naar haar zin heeft in het pleeggezin, waar zij is gehecht. Het is van belang dat het verblijf van [R] in het pleeggezin wordt gecontinueerd en dat haar duidelijkheid wordt geboden over haar verblijfplaats en toekomstperspectief.


De beslissing van de kinderrechter dat de plaatsing van [R] in het pleeggezin perspectiefbiedend van aard is en dat van terugkeer bij moeder geen sprake meer kan zijn, is door het Gerechtshof Arnhem / Leeuwarden getoetst en in hoger beroep is die beslissing bekrachtigd. Ook het Hof oordeelde dat de problematiek van [R] te zwaar is voor moeders opvoedvaardigheden. Moeder heeft zich inmiddels bij deze beslissing neergelegd. Zij accepteert dat [R] in dit pleeggezin verder zal opgroeien. Zij streeft een zo ruim mogelijke omgangsregeling na.


De rechtbank is thans van oordeel dat ten aanzien van de ontwikkeling van [R] onvoldoende is gebleken van zorgelijk gedrag dat ertoe moet leiden dat een verderstrekkende maatregel in het belang van [R] is. De Raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom de behoefte van [R] aan onder meer duidelijkheid over haar verblijfplaats niet kan worden gegeven door (jaarlijkse) verlengingen van de machtiging uithuisplaatsing binnen de maatregel van ondertoezichtstelling.


Moeder hoopt misschien in haar hart en hoofd heimelijk nog wel dat [R] ooit weer bij haar komt wonen. Dat is goed te begrijpen, maar moeder dient er van doordrongen te zijn dat er door tijdsverloop en hechting geen zicht meer is op terugplaatsing en dat het evident is dat de toekomst van [R] in het pleeggezin ligt. De rechtbank acht het essentieel voor de veilige ontwikkeling van [R] dat moeder inziet en ook naar [R] uitstraalt dat [R] altijd in het pleeggezin mag blijven wonen, zodat er bij [R] geen twijfel meer behoeft te bestaan over haar woonplek. En evenmin bij het pleeggezin dat volledig voor haar moet kunnen “gaan”.


Moeder heeft ter zitting er blijk van gegeven dat zij ondanks haar heimelijke hoop zich ervan bewust is dat zij blijvend moet uitstralen dat [R]’s plek in het pleeggezin is. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat moeder in de toekomst niet aan [R] gaat “trekken”.


De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een moeder die haar gezag op een goede manier gebruikt in de samenwerking met de pleegouders en de hulpverlening. Moeder heeft een klik met het pleeggezin en vindt dit de beste plek voor [R] als ze niet bij haar kan wonen. Voorts is niet gebleken dat de jeugdbeschermer in de uitvoering van de ondertoezichtstelling problemen met moeder ervaart. Moeder heeft gesteld dat als haar mondelinge of schriftelijke toe- of instemming nodig is, zij voor de jeugdbeschermer beschikbaar is en haar medewerking verleent. Moeder hecht er zeer aan om haar gezag te mogen behouden en zij zegt beëindiging van het gezag emotioneel niet te kunnen accepteren. Ze heeft het gevoel dat in dat geval alles haar wordt ontnomen. De rechtbank acht het van belang dat moeder haar gezag behoudt en vanuit die positie op de hoogte blijft van en betrokken blijft bij beslissingen die [R] aangaan. Uithuisplaatsing binnen het kader van ondertoezichtstelling is voldoende om de dreiging van zedelijke en geestelijke belangen en gezondheid van [R] af te wenden. Ontheffing is in dit geval niet in het belang van [R] te achten en daarom moet het verzoek van de Raad worden afgewezen.


De rechtbank realiseert zich dat binnen deze ondertoezichtstelling niet langer gewerkt behoeft te worden aan terugplaatsing. Dat doel is vervallen. In beginsel behoort de ondertoezichtstelling te eindigen indien aan terugkeer naar een ouder niet meer gewerkt hoeft te worden. Na beëindiging zijn twee opties denkbaar: gezagsbeëindiging met voogdijopdracht aan de gecertificeerde instelling of aan de pleegouder of behoud van het gezag door de ouder met een vrijwillige pleeggezinplaatsing. Die laatste optie is niet diepgaand onderzocht door de Raad en zal mogelijk tot een aantal praktische problemen gaan leiden als moeder en pleegouders, bijgestaan door pleegzorg, samen tot beslissingen over [R] moeten komen. In dit geval zou daar bij komen het regelen van omgang tussen [R] en vader. Ouders hebben onderling geen goede communicatie. Vrijwillige plaatsing met een pleegzorgcontract ligt daarom niet voor de hand.


Dan zou gezagsbeëindiging resteren volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever. Naar het oordeel van de rechtbank blijven er echter ook na de wetswijziging per 1 januari 2015 gevallen waarin, ondanks het feit dat vanwege het ontbreken van een terugplaatsingsperspectief eigenlijk voor ondertoezichtstelling niet langer grond is, toch niet tot gezagsbeëindiging behoort te worden besloten en het evenmin anderszins in het belang is van het kind dat het gezag niet langer bij de ouder blijft. Dat zijn de gevallen waarin sprake is van een ouder die, zoals deze moeder van [R], duurzaam en consistent instemt met de plaatsing, die niet (meer) “trekt” aan het kind en die op constructieve wijze met de gezinsvoogd, de pleegouders en de pleegzorg meewerkt, die haar gezag niet misbruikt en die ook voortdurend goed bereikbaar is voor gezinsvoogd en pleegouders. Bij handhaving van de bestaande situatie (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing) is geen sprake van een kind dat ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dan is er voor beëindiging van het zo op prijs gestelde gezag geen goede grond. Als vrijwillige plaatsing om praktische redenen geen goede optie is dan behoort in gevallen als deze de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing toch maar jaarlijks met instemming van moeder te worden verlengd. Zoals dat in het verleden, voor de wetswijziging, in dit soort situaties ook placht te gebeuren.


Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet zo zijn dat het enkele vervallen van het ondertoezichtstellingsdoel om te werken aan terugkeer naar een ouder die zich opstelt als de moeder van [R], onverbiddelijk zou moeten leiden tot het beëindigen van het door deze zo op hoge prijs gestelde gezag. Bij handhaving van de bestaande situatie (ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing) wordt het kind niet in haar ontwikkeling bedreigd.


Moeders wens om gezag te blijven behouden ook als [R] in het pleeggezin blijft wonen is goed te begrijpen. Behoud van het gezag geeft haar meer zekerheid dat tevoren met haar wordt overlegd als er belangrijke beslissingen moeten worden genomen en dat haar mening gewicht in de schaal legt. Het geeft haar ook de mogelijkheid om zonodig rechtstreeks informatie over [R] te vragen op school, bij een arts of aan een hulpverlener. Het is welhaast een feit van algemene bekendheid dat het voor veel ouders een niet te verteren, soms zelfs traumatische ervaring is om na een periode van ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing het laatste stukje band dat nog met het kind gevoeld wordt ook nog te moeten verliezen. Het tast hun gevoel van ouder-zijn aan. Bij de moeder van [R] is dat, zo zegt zij, niet anders.


Daar waar een ouder met gezag aan een succesvolle perspectiefbiedende plaatsing in een pleeggezin en de hechting aan pleegouders in de weg staat, behoort gezagsbeëindiging in het belang van het kind plaats te vinden. Wanneer dat, zoals in dit geval, niet zo is, wordt aan het eerste deel van het uit twee delen bestaande criterium voor beëindiging van het gezag, zoals genoemd in artikel 1:266 BW, niet voldaan en dan moet het verzoek van de Raad worden afgewezen indien de ouder zich tegen beëindiging verzet.


De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en mr. A. Flos, allen kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden