Rechtbank Overijssel, 06-02-2015 / C/08/163922 / FA RK 14-2578


ECLI:NL:RBOVE:2015:2678

Inhoudsindicatie
De kinderrechter verklaart de minderjarige ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-06
Publicatiedatum
2015-06-03
Zaaknummer
C/08/163922 / FA RK 14-2578
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2015-0208
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/163922 / FA RK 14-2578 (SL(O)


beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 6 februari 2015


inzake


[verzoeker],

verder ook de minderjarige te noemen,

wonende te [woonplaats 1], [adres 1]

verzoeker,

advocaat: mr. D. Beuving,


en


[belanghebbende],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats 2], [adres 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. E.M. Elfrink.


Met betrekking tot dit verzoek is mede als belanghebbende aan te merken:

[J],

verder ook de vader te noemen,

wonende te [woonplaats 3], [adres 3].


Het procesverloop


Bij op 5 november 2014 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de minderjarige [verzoeker] de kinderrechter verzocht om te bepalen dat hij met ingang van

24 december 2014 zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben, althans met ingang van een dusdanige datum als de kinderrechter juist acht.


Op 18 november 2014 heeft mr. E.M. Elfrink stukken in het geding gebracht.


De zaak is behandeld ter zitting van 3 december 2014. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.


Op 3 december is aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren.


Op 14 januari 2015 is een brief van mr. Elfrink ter griffie van deze rechtbank ingekomen.


De beschikking is bepaald op heden.


De vaststaande feiten

De ouders van [verzoeker] hebben een affectieve relatie gehad, waaruit [verzoeker] is geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [verzoeker]. [verzoeker] heeft zijn hoofdverblijf bij moeder.


De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing


[verzoeker] heeft de kinderrechter verzocht om zijn hoofdverblijfplaats bij vader vast te stellen. Vader woont op [woonplaats 3]. [verzoeker] is ervan overtuigd dat zijn vader hem meer te bieden heeft. Hij wil graag naar zijn vader toe. Vader heeft te kennen gegeven dat hij met [verzoeker] terugkeert naar Hengelo als het niet goed gaat met [verzoeker] op [woonplaats 3].


De moeder voert bij monde van mr. Elfrink verweer tegen het verzoek van [verzoeker]. Zij voert primair aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek. Subsidiair is zij van mening dat de zaak moet worden aangehouden in afwachting van de resultaten van een raadsonderzoek.


De kinderrechter heeft op de zitting van 3 december 2014 de Raad verzocht om onderzoek te doen naar de hoofdverblijfplaats van [verzoeker]. De zaak is vervolgens aangehouden in afwachting van de resultaten van dit onderzoek.


Op 14 januari 2015 is er een brief van mr. Elfrink ter griffie ingekomen. Gelet op de inhoud van deze brief acht de kinderrechter het van belang om nu al een beslissing te geven over de ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn verzoek. De kinderrechter acht het wenselijk dat hierover bij alle belanghebbenden duidelijkheid is.


In artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt artikel 1:377g BW van overeenkomstige toepassing verklaard. De kinderrechter begrijpt dit aldus dat de informele rechtsingang, die in artikel 1:377g BW is gecreëerd voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, eveneens open staat voor de minderjarige die een beslissing wenst op de voet van artikel 1:253a BW. Aldus kan de minderjarige in de daarvoor in de jurisprudentie bepaalde gevallen aan de kinderrechter kenbaar maken dat hij prijs stelt op een ambtshalve beslissing ten aanzien van een regeling omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 1:253a lid 2 BW. Uit onderdeel a en b van deze bepaling volgt dat de uitoefening van het ouderlijk gezag ook kan omvatten de beslissing over een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken alsmede over bij welke ouder het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft.


De kinderrechter overweegt dat de hierboven uiteengezette lijn zich in de loop van de jaren steeds verder heeft ontwikkeld en dat er inmiddels ook ruimte is ontstaan voor een minderjarige om een beslissing van de rechter te vragen ten aanzien van het door zijn ouders over hem uitgeoefende gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. In het spoor daarvan behelst ook de mogelijkheid om wijziging van de hoofdverblijfplaats voor te leggen.

In het geval van [verzoeker] komt hem dat recht in het bijzonder toe omdat hij, anders dan kinderen die vanwege het feit dat zij twaalf jaar of ouder zijn in de gelegenheid zijn om in het kader van de bij echtscheiding te nemen beslissingen over gezag, woonplek en omgang hun mening aan de rechter kenbaar te maken, niet die gelegenheid heeft gehad. Hij is geboren uit de relatie van zijn ouders en bij het verbreken daarvan is geen rechter betrokken geweest en is hij dus ook niet door een rechter gehoord.


Uit het hiervoor overwogene volgt dat [verzoeker] in zijn verzoek kan worden ontvangen.

De kinderrechter verklaart [verzoeker] ontvankelijk in zijn verzoek.

Aan de Raad is al verzocht inhoudelijk onderzoek te doen naar de hoofdverblijfplaats van [verzoeker].


De beslissing

De kinderrechter:


1. Verklaart [verzoeker] ontvankelijk in zijn verzoek.


2. Houdt iedere verdere beslissing voor dagbepaling aan tot 3 maart 2015.



Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann-Herber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2015.








Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.


Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.