Rechtbank Overijssel, 09-06-2015 / 08/710114-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:2764

Inhoudsindicatie
Een 32-jarige moeder uit Zwolle wordt wegens mishandeling van haar kinderen veroordeeld tot 9 maanden celstraf en TBS met dwangverpleging.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-09
Publicatiedatum
2015-06-09
Zaaknummer
08/710114-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08/710114-14

Datum vonnis: 9 juni 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1982 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen)

verblijvende in PPC Zwolle.


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 december 2014, 3 maart 2015 en 26 mei 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Hermelink en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


zij op of omstreeks één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2013

tot en met 1 juni 2014 te Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk haar

kind(eren) [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2003 en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008, heeft mishandeld, door

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) met een schoen en/of riem en/of stok op/tegen

het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of

- een podlood of eyeliner in de anus van [slachtoffer 1] te duwen en/of

- een mes te verhitten en vervolgens dat mes op de tong van [slachtoffer 1] te duwen

en/of te houden en/of

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) op/tegen het hoofd en/of lichaam te

stompen en/of slaan en/of schoppen en/of aan de haren te trekken

en/of

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) met zijn/haar/hun hoofd op/tegen de grond

te duwen en/of

- [slachtoffer 2] te krabben en/of te knijpen en/of

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (langdurig) onder een koude douche te zetten en/of

- [slachtoffer 1] in zijn gezicht te krabben,

waardoor deze (telkens) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben

ondervonden.




3De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


4De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


4.1

Het standpunt van de officier van justitie.


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden met uitzondering van het aan de haren trekken.


4.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit vanwege de ontkenning van verdachte en het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat hetgeen ten laste is gelegd gebaseerd is op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welke niet worden bevestigd door ander (onafhankelijk) bewijs.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overige in het dossier aanwezige verklaringen in oorsprong afkomstig zijn van [slachtoffer 1]. Er is geen getuige geweest van de vermeende mishandelingen, wat maakt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.


4.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Aangever [naam 1], medewerker Bureau Jeugdzorg Overijssel, heeft namens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangifte gedaan van verwaarlozing en mishandeling door verdachte. Hij heeft verklaard dat de vader van [slachtoffer 1] contact met hem had opgenomen nadat [slachtoffer 1] zijn vader had verteld dat zijn moeder hem en zijn zusje lange tijd, meermalen per week, mishandelde. Naar aanleiding van deze aangifte is er onderzoek ingesteld door het Advies- en Meldpunt kinderbescherming (AMK) en door de Raad voor de Kinderbescherming. Dit heeft er toe geleid dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] onder toezicht zijn gesteld.


[slachtoffer 1] heeft tijdens een verhoor in een kindvriendelijke studio verklaard wat verdachte bij hem en [slachtoffer 2] heeft gedaan. Die handelingen zijn aan verdachte ten laste gelegd. Ook [slachtoffer 2] is door de politie in een kindvriendelijke studio verhoord, maar hier heeft zij weinig over handelingen van verdachte verklaard. Enkele weken na dit verhoor heeft zij steeds, ook spontaan, dingen verteld aan haar pleegmoeder die hierover bij de politie een verklaring heeft afgelegd.


Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben verklaard dat verdachte hen met regelmaat heeft geslagen met een riem. Ze sloeg hen dan vaak op de benen. Verdachte heeft hen ook op het lichaam geslagen of gestompt, bijvoorbeeld wanneer zij niet luisterden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte dacht dat [slachtoffer 1] seksuele handelingen had verricht bij zijn zusje, [slachtoffer 2]. Volgens [slachtoffer 1] is dit niet waar, maar heeft verdachte hem hier voor gestraft en hem gedwongen een bekentenis af te leggen. Verdachte heeft [slachtoffer 1] vervolgens langdurig onder een koude douche gezet totdat hij toe zou geven. [slachtoffer 1] heeft uiteindelijk vanwege de kou bekend. Daarna heeft verdachte een eyeliner in de anus van [slachtoffer 1] geduwd. Hierna heeft verdachte ook nog een verhit mes op de tong van [slachtoffer 1] gehouden.

[slachtoffer 1] heeft ook verklaard dat verdachte zijn zusje, [slachtoffer 2], met een riem sloeg. Ook heeft verdachte [slachtoffer 1] in zijn gezicht gekrabd. Volgens [slachtoffer 1] begon verdachte soms zonder enige aanleiding haar kinderen te slaan. Hij noemt als voorbeeld een situatie waarbij hij sliep, verdachte hem wakker maakte en hem sloeg.

[slachtoffer 2] heeft haar pleegmoeder onder meer verteld dat ze door haar moeder werd geslagen met een riem en dat ze door haar moeder gekrabd werd. Ook vertelde ze dat ze onder een koude douche werden gezet als verdachte boos was.


Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er meer bewijs is dan uit één bron, namelijk [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] heeft immers onafhankelijk van [slachtoffer 2] een verklaring bij de politie afgelegd. Daarnaast heeft hij in grote lijnen consistent en gedetailleerd aan derden zijn verhaal verteld. De vader van [slachtoffer 1] en mevrouw [naam 2] hebben het verhaal van [slachtoffer 1] gehoord en hebben hierover bij de politie verklaard. Deze verklaringen zijn consistent aan de verklaring van [slachtoffer 1], maar ook aan elkaar terwijl [slachtoffer 1] het hen los van elkaar heeft verteld. Nadat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] elders en niet meer bij elkaar woonden, hebben zij anderen verteld over hun moeder en ook die verhalen komen op meerdere details met elkaar overeen. De rechtbank acht het daarom onwaarschijnlijk dat [slachtoffer 2] haar verhaal gebaseerd heeft op hetgeen [slachtoffer 1] over hun moeder heeft verteld. Het tenlastegelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.


De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.


4.4

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 juni 2014 te Zwolle, opzettelijk haar

kinderen [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2003, en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008, heeft mishandeld, door

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen met een riem en/of stok tegen

het hoofd en tegen het lichaam te slaan en

- een eyeliner in de anus van [slachtoffer 1] te duwen en

- een mes te verhitten en vervolgens dat mes op de tong van [slachtoffer 1] te houden en

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) tegen het lichaam te stompen en/of slaan en

- [slachtoffer 2] te krabben en

- [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] onder een koude douche te zetten en

- [slachtoffer 1] in zijn gezicht te krabben,

waardoor deze (telkens) letsel hebben bekomen en/of pijn hebben

ondervonden.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.


5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 300 juncto 304 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


het misdrijf: mishandeling, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.


6De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit .


7De op te leggen straf of maatregel


7.1

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen heeft geacht, gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft zij gevorderd te gelasten dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd, met bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.


7.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsvrouw heeft geen standpunt over de strafmaat ingenomen.


7.3

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna anderhalf jaar schuldig gemaakt aan mishandeling van haar twee jonge kinderen. Verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van haar kinderen. Bovendien geschiedde dit juist op de plek waar een ieder zich in elk geval veilig moet kunnen voelen, namelijk thuis. Het is van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven nog lange tijd de gevolgen daarvan, zoals psychische problemen en gevoelens van angst en onveiligheid, kunnen ondervinden. Geweld in huiselijke kring heeft bovendien, met name wanneer het kinderen betreft, een maatschappelijk effect. Dergelijk geweld veroorzaakt maatschappelijk verontwaardiging, ook omdat dit strijdig is met de bescherming die een gezin behoort te bieden. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.


De rechtbank heeft voorts kennis genomen van:

­ een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 22 oktober 2014;

­ een adviesrapport d.d. 21 mei 2015 over de persoon van verdachte, opgemaakt door R. Verhoef, reclasseringswerker Reclassering Nederland;

­ een adviesrapport d.d. 3 december 2014 over de persoon van verdachte, opgemaakt door M. Tupamahu, reclasseringswerker Reclassering Nederland;

­ een pro justitia rapport d.d. 19 mei 2015 over de persoon van verdachte, opgemaakt door P.E. Geurink, psycholoog, en H.T.J. Boerboom, psychiater, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum;

­ een pro justitia rapport d.d. 2 december 2014 over de persoon van verdachte, opgemaakt door H.A. Feringa, klinisch psycholoog.


Uit voornoemde rapportages blijkt dat verdachte niet of nauwelijks heeft willen meewerken aan onderzoeken naar de persoon van verdachte waardoor de deskundigen geen harde uitspraken kunnen doen over het psychiatrisch en psychologisch toestandsbeeld van verdachte.


In het rapport van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door P.E. Geurink, psycholoog, en H.T.J. Boerboom, psychiater, staat onder meer opgenomen dat op basis van de beschikbare informatie gesteld kan worden dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Door voornamelijk de gebrekkige heteroamnese en de beperkte medewerking van verdachte zijn er wel differentiaal diagnoses te noemen, maar is niet duidelijk in hoeverre deze diagnoses op de voorgrond staan en hoe ze zich tot elkaar verhouden. Haar afwijkende gedrag kan voornamelijk functioneel beschreven worden. Daarbij is de inhoud van de door haar gegeven informatie onbetrouwbaar, maar illustreert ze steeds haar functionele problemen, zoals de gestoorde realiteitstoetsing, het lage en instabiele zelfbeeld, instabiele intermenselijke relaties, impulsiviteit, de diffuse identiteit, de labiele emotieregulatie, reactiviteit van stemming, agressieregulatie problemen, primitieve coping, zwakke sociale verantwoordelijkheid en autoriteitsproblemen. Drie diagnoses zijn differentiaal diagnostisch te omschrijven, namelijk zwakbegaafdheid, een borderline persoonlijkheidsstoornis en een psychotische stoornis NAO. Door het beperkte meewerken van betrokkene kunnen thans geen definitieve diagnoses worden gesteld en kan niet worden bepaald in hoeverre deze elkaar beïnvloeden. Het beschreven en geobserveerde gedrag voldoet aan de DSM-criteria van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ook zijn veel aanwijzingen voor een psychotische stoornis. Het klinisch beeld is grillig, waarbij de realiteitstoetsing bij tijd en wijle gestoord is. Onduidelijk is of de gestoorde realiteitstoetsing voortkomt uit hallucinaties (psychose), door (waanachtige) projecties (primitieve coping bij persoonlijkheidsproblematiek) of dat het voortkomt uit een beperkte coping en overvraging bij functioneren op zwakbegaafd niveau. Op een functioneel niveau komt uit de collaterale informatie, maar ook uit de observatie en gesprekken, een beeld naar voren dat wanneer verdachte geraakt/gekrenkt wordt of wanneer ze verhoging van stress ervaart, er een paranoïde gedachtenvlucht ontstaat. Ze lijkt vervolgens niet in staat te reflecteren en te mentaliseren, waarna de impulscontrole, frustratietolerantie en agressieregulatie tekort schieten en het tot verbale en fysieke acting-out kan komen. Bovenstaande gedragspatronen blijken uit de collaterale informatie al minstens enkele jaren te bestaan, dus er was ook sprake van ten tijde van het tenlastegelegde. Het is zeer waarschijnlijk dat de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van invloed is geweest op het tenlastegelegde. Door de weigering van verdachte aan het onderzoek mee te werken onthouden de deskundigen zich van een advies omtrent de toerekeningsvatbaarheid. Zij hebben niets vermeld met betrekking tot het recidiverisico.


Psycholoog H.A. Feringa heeft in zijn rapport op basis van de huidige gegevens ingeschat dat er een hoge kans is op terugval in delictgedrag indien verdachte in eenzelfde soort situatie komt te verkeren.


Dat verdachte niet volledig heeft meegewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek waardoor de deskundigen geen advies hebben kunnen geven omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, is voor de rechtbank geen beletsel om de geëiste maatregel op te leggen. Zoals hiervoor is overwogen, achten de deskundigen het zeer waarschijnlijk dat bij verdachte ook ten tijde van het door de rechtbank bewezen verklaarde feit sprake was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De rechtbank concludeert op grond van de bevindingen van de deskundigen en het beeld dat van verdachte uit het dossier naar voren is gekomen dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte in zoverre strafbaar.


Vastgesteld moet worden dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de duur en de ernst van het bewezen verklaarde feit en gezien het door psycholoog Feringa geconstateerde recidiverisico gesteld worden dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen aan verdachte van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist. De rechtbank overweegt voorts dat uit de rapportages kan worden opgemaakt dat een ambulante behandeling of een terbeschikkingstelling onder voorwaarden onvoldoende waarborg zal bieden voor de problematiek van verdachte. De rechtbank acht het onverantwoord om aan verdachte enkel een gevangenisstraf op te leggen waarna zij onbehandeld terug in de maatschappij zou komen.


De rechtbank is van oordeel dat verdachte naast de hiervoor vermelde maatregel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te noemen duur zal worden opgelegd, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zouden worden. De periode die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient daarop in mindering te worden gebracht.


8De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 37a, 37b Sr.



9De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- kwalificeert dit als hiervoor vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden;
  • - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

  • - gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld;
  • - beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.C. Hangx, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2015.



Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland met nummer 2014047009. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 4 juni 2014, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [naam 1]:

Ik ben praktijkleider bij Bureau Jeugdzorg Overijssel, te Zwolle. Namens Jeugdzorg ben ik gerechtigd tot het doen van deze aangifte. (…)

Ik wil aangifte doen van mishandeling en verwaarlozing namens:

— [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2003 te Zwolle

en

— [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008

De moeder van deze kinderen is [verdachte], geboren op [geboortedatum 1]

1982 te [geboorteplaats], woonachtig aan de [adres 1].

(…)


2.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 juli 2014, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 1]:V: Doen we straks nog wel eventjes een spelletje. Nou. Waarover kom jij praten?

N: Euhm. Omdat ik werd geslagen door mijn moeder.

V: Hmhm. Vertel daar eens alles over.

N: Eum ze sloeg me best wel hard.

V: Hmhm.

N: Euh ze sloeg wel met de riem keihard op m’n benen, met haar vuist, met een schoen op m’n hoofd ging ze heel hard slaan en soms ging ging ze heel erg gemene dingen zeggen. Ze ging ook met spullen gooien en euh euh ze zei dat ik stom was. Omdat ze boos was.

V: Hmhm. Verder nog?

(..)

V: Oké. Verder nog?

N: Euh... En ze sloeg [slachtoffer 2] soms ook.

V: Hm.

N: Dat is mijn zusje.

V: Ja.

N: Van 5 jaar, nu is ze 6, en die sloeg ze ook met de riem, zei ze ook gemene dingen en ging ze ook dingen gooien. Zo (...).

V: Hmhm.

N: Mmh... 0 ja en ze heeft ook mijn tong verbrand.

V: Ja.

N: En ze was boos op mij en toen trok ze m’n onderbroek uit toen ik aan het slapen... Nee, toen euh euh was ik aan het slapen en toen trekte ze m’n arm zo uit m’n bed en toen euh ging ze mij slaan met de riem en toen euh toen ging het en toen breng trekte mama me naar de keuken en toen heeft ze de euh pan, ja hoe zeg ik dat, in de keuken staan toch zulke dingen die branden?

V: Ja.

N: Euh die heeft ze toen een mes opgewarmd en toen op mijn tong gedaan. Toen had ik een litteken op m’n tong, die is nu weg.

V: Ho ja. Je had een litteken en dat is nu weg.

N: Ja. En ze heeft me in m’n euh gezicht gekrabd omdat ze boos was, daarzo en daar.

0:10.40 uur: [slachtoffer 1] wijst aan waar hij werd gekrabd.

V: Ja. Ja dat kan je nog een beetje zien hè?

N: Ja.

V: Ja.

N: En toen trok ze m’n onderbroek uit en toen moest ik gaan zitten de hele nacht. Toen mocht ik niet slapen.

V: Nee. Verder nog?

N: Mmh...

V: Oké. Dat was het (..)

(..)

V: Ja? Euhm. Euhm jij vertelt eigenlijk als eerste, dat ga ik even opschrijven, van de riem en dat ze

Op je benen sloeg.

N: Ja.

V: Hoe vaak is dat gebeurd?

N: Mmh. Dat weet ik niet uit m’n hoofd maar wel best wel vaak.

V: Best wel vaak. Euhm. Euh ja dat weet je niet uit je hoofd maar weet je misschien nog euhm hoe veel keer dat in week was, of was het misschien een paar keer per... Is het misschien twee keer gebeurd of is het wel tien keer gebeurd of was het anders.

N: Euhm in de week mmh...

V: Met de riem op de benen.

N: Twee keer denk ik.

V: Twee keer gebeurd?

N: Ja.

V: En dan twee keer helemaal of in de week.

N: In de week, soms.

N: En toen euh zei ze dat ik... Nee toen euh ging ik toen pakte ze de riem uit de kamer en toen ging ze mij slaan.

V: Oké. Dus dan pakte ze de riem uit de kamer en dan ging ze jou slaan. Uit welke kamer pakte ze die riem?

N: Uit haar kamer.

V: Uit haar kamer. Oké. En hoe zag die riem er uit? Wat voor riem was dat.

N: Allemaal verschillende riemen van mama.

V: Oké. Maar was dat een euh hondenriem of een riem voor je broek of was dat...

N: Euh een riem voor je broek.

V: Een riem voor je broek. Oké.

N: Ja.

V: Hmhm. Euhm. En als zij jou op jouw benen sloeg met de riem, euh waar was jij dan?

N: Op m’n kamer, in de woonkamer of in haar kamer.

V: Oké. Dus in jouw kamer.

N: Ja.

V: Of in de woonkamer.

N: Ja.

V: Of in je moeders kamer.

N: (0: [slachtoffer 1] knikt)

V: Hmhm. Euhm en euh hoe was jij dan? Was je stond je dan of lag je dan of zat je dan of was het anders?

N: Ik stond zeg maar.

V: Hmhm.

N: En toen ging ze mij slaan aan m’n benen.

V: Oké. Dus je stond en dan ging ze je slaan aan je benen. Euh en waar raakte ze jou dan?

N: Ja bij mijn benen.

V: Bij je benen. Kan je dat aanwijzen?

0: 10.49 uur: [slachtoffer 1] wijst zijn bovenbenen aan.

N: Euh.

(..)

V: Hmhm. En je moeder, wat zei jouw moeder daarbij als ze je met de riem op de benen sloeg?

N: Dat ik dat, dat ik dat niet meet mocht doen.

(..)

N: Mmh. Mmh. Mama gaf ons ook soms geen eten en toen ging ik stiekem euh wat eten pakken uit de kast omdat ik dan honger had.

V: Ja. Oké.

N: En toen werd ze boos en toen ging ze mij slaan en zo.

V: Ja. Hé en euhm hoe vaak sloeg ze jou dan, als jij daar stond dan sloeg ze met de riem op de

benen, hoe vaak ging ze jou dan slaan?

N: Drie keer.

V: Drie keer?

N: (0: [slachtoffer 1] knikt)

V: En was dat altijd drie keer of soms drie keer?

N: Euh bijna altijd drie keer.

V: Bijna altijd drie keer.

N: Ja.

V: Oké. Euhm... Even kijken, dan heb je ook verteld over dat ze euhm jou met haar vuist sloeg.

N: Euh ja dat deed ze op m’n rug.

V: Oké. Dat was op je rug.

N: Ja.

V: Euhm en hoe vaak is dat gebeurd?

N: Euh. Dat weet ik niet uit m’n hoofd.

V: Dat weet je niet uit je hoofd. Euhm en wanneer gebeurde dat dat ze je op je rug sloeg met de

vuist?

N: Mmh. Toen ik wat stouts had gedaan.

V: Hmhm.

N: Toen ging ze mij op m’n wang heel hard slaan.

V: Ja. En waar waren jullie toen?

N: Nou toen was ik gewoon ergens en toen ging ze mij op m’n rug heel hard slaan met de vuist.

V: Oké. Euh. En dat ergens, weet je nog waar dat was?

N: Bedoel je op m’n rug of...

V: Nee, even oké. Euhm euhm met ergens bedoel ik was je euhm buiten of was je binnen of was je euh op de wc of was je euh daar. Dat bedoel ik.

N: Euh meestal binnen.

V: Binnen. Oké en waar was je dan binnen als ze jou sloeg op je rug met de vuist.

N: Euhm. In de woonkamer, in de gang.

V: Oké. In de woonkamer of in de gang.

N: Ja of in m’n kamer.

V: Of in je kamer. Oké. Euhm. Hoe vaak sloeg ze je dan op je rug?

N: Euhm.

V: En dan bedoel ik als ze euhm als ze bijvoorbeeld in de woonkamer was en dan sloeg ze jou

omdat je wat stouts had gedaan en hoe vaak sloeg ze je dan?

N: Mmh. Euh twee keer denk ik.

V: Ja?

N: En soms drie keer.

V: En soms drie keer. Hé en zei ze daar ook wat bij?

(…)

V: Heel hard. Ja. Euhm... Jij vertelde al dat van de riem op de benen, is daar wel eens iemand anders bij geweest?

N: Euhm.

V: Die dat gezien heeft bedoel ik.

N: Nee. Behalve [slachtoffer 2].

V: Alleen [slachtoffer 2] heeft dat wel eens gezien. Ja. En euh van dat ze met je met haar vuist op jouw rug sloeg, hebben andere mensen dat wel eens gezien?

N: Mmh alleen [slachtoffer 2].

(..).

V: Hmhm. En jij hebt euh ook verteld over euhm dat ging dat ze jou aan je arm trok toen je in bed lag. Zeg ik dat goed?

N: Ja.

V: Ja.

N: Toen was ik in m’n slaap en toen trok ze me zo euh uit m’n slaap heen, trok ze me naar de euh naar haar kamer volgens mij en toen zing ze mmh mij slaan.

V: Toen ging ze jou slaan.

N: Ja.

V: En was dat euh euhm want jij zegt jij sliep.

N: Ja.

V: Was dat euh ook ‘s nachts of was dat toch een andere keer ander euh was je ‘s middags aan het slapen of zo.

N: Nee het was ‘s nachts.

V: Oké dat was ‘s nachts.

N: Ja.

V: Hmhm. Euh en toen was ze boos en trok ze je naar jouw ka... naar haar kamer toe en euh hoe ging dat toen verder?

N: En toen ging ze mij slaan met de riem op m’n benen en toen trok ze me mee naar de keuken en toen ging ze mijn tong verbranden en toen...

V: Oké.

N: Moest ik in de woonkamer blijven slapen. Zonder onderbroek.

V: Zonder onderbroek. Hé en heeft ze daar nog wat ... Toen ze jou uit bed trok hè, heeft ze toen nog wat gezegd tegen jou?

N: Mmh.

V: Want je zei ze was boos, hoe wist je dat ze boos was?

N: Nou ze keek boos en ze praatte heel boos en ze schreeuwde.

V: Oké.

N: Maar ik kan niet herinneren wat ze heeft gezegd.

V: Nee. Zei ze ook waarom ze boos was?

N: Mmh..

V: Nee. Euhm want je vertelt dat ze je euh sloeg op je benen toen, was en hoe ging dat die euh die keer? Waar was ze waar was jij toen je toen ze euh toen zij jou sloeg op je benen, waar was jij toen.

N: In haar kamer.

V: In haar kamer. En waar in haar kamer was jij toen?

N: Euhm. Gewoon in de kamer.

V: Gewoon in haar kamer.

N: Ja.

V: Oké. En euh stond jij of zat jij of lag jij?

N: Ik stond.

V: Jij stond.

N: Ja.

V: Dus dat was hoe hij vertelde. En waar heeft zij je toen geraakt toen die keer?

N: Euh bij m’n benen.

V: Ja,

N: Bij m’n handen, ja dat was het dan.

V: De benen en op je handen. En hoe kwam het dat ze op jouw handen...

N: Dat weet ik niet.

V: Dat weet je niet. Euhm en toen heeft ze jou met de riem geslagen, zijn er toen nog verder dingen gebeurd daar in haar kamer?

N: Mmh. Nee.

V: Nee? Oké. En toen euh ... Hoe kwam het dat jullie naar de keuken gingen?

N: Nou daar zat het ding waarbij je het euh kon koken toch!

V: Hmhm.

N: En dan gaat die aan en dan is ie verwarmd en dan gaat ze die euh heet doen en dan doet ze dat op mijn tong.

V: Ja. En wat zei ze daar bij?

N: Euhm. Dat weet ik niet.

V: Dat weet je niet. Nee. Nee als je het niet meer weet dan weet je het niet meer. Hè?

N: (Zegt niets).

V: Euhm en jij euh vertelt dat ze euh dat mes euh boven de euh ja . Waar je waar je op kan koken, daar maakte ze dat mes warm hè?

N: Ja.

V: Hoe zag dat mes er uit?

N: Het was een zakmes.

V: Een zakmes.

N: Ja.

V: En wat voor kleur had dat zakmes?

N: Euh rood.

V: Rood.

N: Ja.

V: Ja. En euh was er nog wat speciaals met dat zakmes? Dat 1e kan zien van dat is dat zakmes.

N: Mmh. Het was een beetje knalroodachtig,

V: Knal rood, hmhm.

N: Ja. Niet normaal rood maar een beetje knal roodachtig.

V: Oké. En toen had ze dat heet gemaakt en toen.

N: Toen had ze het op m’n tong gedaan.

V: En euh hoe kon ze dat, nu heb jij ook je mond gewoon dicht zeg maar, maar hoe hoe kon het dat zij bij jouw tong kon komen?

N: En toen zei ze dat ik m’n mond moest openen.

V: Ja.

N: En toen ging ze euh op m’n tong doen.

V: Oké. Kun jij aanwijzen aan je aan jouw tong waar ze jou met dat mes heeft...

N: Euhm.

0: 11.02 uur: [slachtoffer 1] doet zijn mond open en laat met zijn vinger zien waar het mes werd geplaatst.

V: Helemaal achterin?

N: Ja.

V: Oké. Wat voelde jij toen toen ze dat deed?

N: Euh heet.

(..)

V: Ja. En euhm op een gegeven moment komen komen jullie thuis.

N: Ja.

V: En waar woonden jullie toen?

N: In de [adres 2].

V: In welke stad?

N: Euh in euh Zwolle.

V: In Zwolle. [adres 2].

N: Ja.

V: Oké. En toen kwam je daar en hoe ging het toen verder thuis?

N: Euh... Toen euh ging ging vroeg ze dat aan mij of ik dat heb gedaan en toen zei ik nee de hele tijd.

V: Hmhm.

N: En toen had ze me onder de koude douche gedaan.

V: Ja.

N: En ze had ook een potlood en toen stopte ze die in m’n kontgat.

V: Oké. Hé euh van die koude douche, euhm was je daar met je euh kleren aan onder gezet of was je daar in je blootje er onder of was dat anders?

N: In m’n blootje er onder.

V: Oké in je blootje. Hmhm. Euhm en wat zei mama dan toen jij onder de douche onder de koude douche was?

N: Toen vroeg ze of ik dat had gedaan.

V: Ja.

N: En toen zei ik de hele tijd nee en toen deed ze het kouder en kouder.

V: Ja. Euhm en toen deed ze het kouder en kouder en hoe kan dat dan dat jij daar onder bleef staan?

N: Nou als ik weg ging dan werd ze nog bozer.

V: Hm. Dan werd ze nog bozer en waar was je dan bang voor als ze nog bozer werd?

N: Euh. Dat ze me ging slaan.

V: Oké. Euh dan wordt het kouder en kouder en dan.

(..)

V: Oké. Maar hoe was dat die keer dat je onder de koude douche stond en hij ging kouder en kouder?

N: Euh toen vroeg ze de hele tijd zo van heb je dat gedaan en toen zei ik nee. En toen werd ze heel erg boos en toen ging ze hem nog kouder doen.

V: Hmhm.

N: Daarna nog meer en daarna euh toen euh zei ik: ‘oké ik heb het gedaan’. Maar dat had ik niet gedaan.

V: Nee.

N: Dus toen loog ik zodat ik weet naar bed kon.

V: Oké. Want waar jij.

N: En ‘s nachts toen werd ze euh boos en toen trok ze me uit bed en toen ging ze en toen moest ik naar de kamer naar haar kamer en toen ging en toen ging ze met de riem slaan en toen pakte ze een potlood en toen stop en toen deed ze m’n broek uit, nee m’n onderbroek uit, en toen deed ze die pen euh in m’n kont. En toen moest ik huilen en toen trekte ze me mee naar de keuken en toen zei ze: ‘stil, anders worden de buren ook wakker’.

V: Ja.

N: ‘Dan gaan ze naar jeugdzorg toe om te zeggen’.

V: Ja.

N: En toen euh ging ze de ding aansteken waarbij je kon koken en toen ging ze de mes doen en toen ging ze op m’n tong doen. En toen trok ze me mee naar de woonkamer en toen deed ze m’n onderbroek uit en toen moest ik de hele nacht daar blijven slapen.

V: O.

N: Euh zitten.

V: En euhm is dat dezelfde keet als waar je net over hebt verteld of is dat een andere keer, is dat twee keer gebeurd.

N: Is dezelfde.

V: Dat is dezelfde keer.

N: Ja.

V: Dan begrijp ik het helemaal. Euhm en jij vertelde je was euh euh in je blootje euh onder de douche, onder de koude douche en wie had jou kleren uit gedaan?

N: Mama.

(..)

V: Ja. Euhm. Euh en toen vertelde je over euh een potlood of een pen.

N: Een potlood.

V: En dat die in jouw kontgat ging.

N: Ja.

V: Ja. Euhm hoe vertel daar eens over, hoe ging dat?

N: Euh toen legde ze me op bed en toen moest ik omdraaien en toen stopte ze die potlood euh make-up potlood dat je zo voor je oog of, zo ik weet het niet meer.

0: 11.16 uur: [slachtoffer 1] laat zien hoe het potlood gebruikt wordt en wijst op zijn ogen.

V: Ja.

N: En toen euh deed ze dat in m’n kont.

V: Oké. Euhm. En euh toen zei je toen ging ze me omdraaien en hoe lag jij toen jij omgedraaid was? Was dat op je buik of op je rug of op je zij?

N: Op m’n buik.

V: Op je buik.

N: Ja.

V: En euh hoe kon ze toen bij jouw euh kontgat komen?

N: Mmh. Dat weet ik niet.

V: Dat weet je niet.

N: Nee want toen lag ik op m’n buik.

V: Ja en had je toen je benen uit mekaar of wijd of of misschien wel euh krom.

N: Gewoon zo.

0: 11.16 uur: [slachtoffer 1] doet zijn benen naast elkaar en steekt ze recht naar voren.

V: Gewoon recht.

N: Ja.

V: Gewoon zo naast mekaar.

N: Ja.

V: Ja. Euhm. Wat voor kleur had dat potlood trouwens?

N: Euh was euh bruin met zwart.

V: Bruin met zwart.

N: Volgens mij.

N: En euhm hoe euhm ja was het een kort potlood of een lang potlood of was die dik of dun, hoe

zag die er uit?

N: Euh... Dat potlood die zag er euh hij was zo dik denk ik ongeveer.

0:11.17 uur: [slachtoffer 1] laat zien hoe dik en lang het potlood is met zijn vingers.

V: Ja.

N: Zo.

V: En hoe lang?

N: Euh. Euh. Mm zo denk ik, zoiets.

V: Oké. Tien centimeter ongeveer.

N: Ja zoiets.

V: Ja zoiets. En euhm euh welke kant stopte in jouw kontgat?

N: Dat weet ik niet.

V: Dat weet je niet. Nee. Want hoe komt dat dat je dat niet weet?

N: Omdat ik op m’n buik lag.

V: Ja. Ja. Oké. En wat voelde jij toen?

N: Euh pijn.

V: Ja. Hoe lang denk je dat dat geduurd heeft? Dat is een moeilijke vraag hoor, dat weet ik wel.

N: Nou ze stopte hem er in, paar seconden, vijf of zo, en toen deed ze hem er weer uit en toen trok ze me mee naar de keuken en toen heeft ze m’n tong gebrand en (onv).

V: Oké. En euhm euh wat zei ze daar ook wat bij toen ze dat deed? Die potlood euh in je kontgat.

N: Dat weet ik niet meer.

(..)

V: Nee haha. Oké maar daar heb je met [naam 3] over gepraat.

N: Ja.

V: Dat bedoel je.

N: Ja.

V: Oké. Ja. Euhm en toen vertelde je ook van nou dat was gebeurd met dat potlood en hoe stopte

dat?

N: Gewoon toen deed ze hem er uit.

V: Toen haalde ze hem er uit. Oké. Euh en toen gebeurde dat je naar de keuken ging en met dat

mes op je tong.

N: Ja.

V: Ja. En euh daarna was nog gebeurd dat jij euh die nacht op je blote billen in de kamer moest

zitten.

N: Ja.

(..)

(..)

N: Toen werd mama boos.

V: Oké.

N: Toen ging ze mij al weer slaan.

V: Ja. Want waar euhm wie waren daar nog bij dat jij daar op je euh met je blote billen op de vloer zat?

N: Euh niemand.

V: Niemand. Oké. Euhm hoe was dat trouwens met die euh van dat potlood? Was daar verder nog iemand bij?

N: Nee.

V: Nee. En dat je onder de douche stond?

N: Euh [slachtoffer 2] die moest in haar onderbroek die moest ook onder de douche, koude douche.

V: Moest [slachtoffer 2] ook onder de koude douche?

N: Ja. [slachtoffer 2] die zei dat ik dat wel had gedaan en ik zei de hele tijd dat ik dat niet had gedaan.

V: Nee.

N: Maar mama geloof, raakte in de war en geloofde [slachtoffer 2].

V: Ja. Dus mama raakte in de war en toen geloofde ze [slachtoffer 2].

N: Ja.

V: Ja. En euh [slachtoffer 2] in haar onderbroek onder de koude douche. En was dat... Stonden jullie

tegelijk onder de koude douche? Moesten jullie naast euh na elkaar of was dat anders?

N: Euh naast elkaar.

V: Naast elkaar.

N: Ja.

V: Niet na elkaar maar naast elkaar.

N: Ja.

V: Ja oké. Heel goed. Euhm. En en toen jij met dat potlood, waar was [slachtoffer 2] toen dan?

N: Euh die slaapte nog denk ik of ze was stiekem wakker. Of ze was aan het afluisteren maar dat weet ik niet.

(..)

N: Dat was ‘s nachts.

V: Want dat was ‘s nachts. Nou. Euhm. Nou moet ik even heel hard nadenken. Hahaha. Neem ik nog een slokje drinken. Jij vertelde dat jij euh jij had een litteken op je tong.

N: Ja.

V: En euhm euh hoe kon je dat merken dat je dat had?

N: Euhm dat voelde ik en zag ik in de spiegel en dat voelde ik.

V: Oké dat voelde je.

N: Ja.

V: En wat zag je in de spiegel?

N: Euh mmh. Een litteken in de in, in de vorm van de maan.

(..)

V: Ja. En jij vertelde euhm dat zij jouw zusje ook sloeg. Dat ze [slachtoffer 2] ook sloeg.

N: Ja.

V: Wat wat gebeurde er dan met [slachtoffer 2]?

N: Dan moest [slachtoffer 2] huilen ook.

V: Ja.

N: En toen werd ze ook verdrietig.

V: Euh in het begin vertelde jij ook dat euh zij [slachtoffer 2] ook sloeg met de riem.

N: Ja.

V: Ja. En waar raakte ze [slachtoffer 2] dan?

N: Ook bij de benen volgens mij.

V: Hé en hoe weet jij dat dat ze dat deed?

N: Euh Nou dat weet ik niet maar dat denk ik.

V: Want?

(..)

N: Dat hoor ik dan.

V: Dat hoor je dan. Wat hoor jij dan?

N: Euh de riem op [slachtoffer 2]’s benen, ‘Pssh’ (O: [slachtoffer 1] maakt een geluid).

V: Ja.

N: En euh en dan [slachtoffer 2] huilt en dat mama aan het schelden is, of boos is.

V: Oké.

N: Schreeuwend en zo.

V: Ja. Dus dan hoor je dat de riem op [slachtoffer 2]’s benen, tenminste dat denk jij dat dat, en dan hoor je pssht hoor je dan.

N: Ja.

V: Wat een raar geluid is dat.

N: Ja.

V: Ja. En hoe vaak hoor je dat dan dat geluid?

N: Mm twee keer.

V: Twee keer.

N: Soms ook soms ook drie of vier keer.

V: Oké. En je hoort ook dat [slachtoffer 2] huilt.

N: Ja.

(..)

V: Nee. Hé en dat zijn de dingen dat je het gehoord hebt, heb je het ook wel eens gezien?

N: Ja toen zat ik in de woonkamer tv te kijken. Maar toen had [slachtoffer 2] heel euh slordig gemaakt in de woonkamer en toen euh, ja toen euh toen werd mama boos en toen euh ging ze haar slaan.

V: Oké. Dus toen werd mama boos en toen ging ze haar slaan en wat hoe sloeg ze [slachtoffer 2] toen die keer?

N: Euh met de riem, nee toen ging ze aan de haren trekken en en toen naar de kamer en toen ging

ze haar met de riem slaan.

V: Oké.

N: Maar even later werd ze weer boos en toen ging ze nog steeds... Toen pakte ze de riem en toen kwam ze naar mama, nee naar [slachtoffer 2] toe en toen sloeg ze.

(..)

V: Hè? En aan wie heb jij het eerst verteld dat er wat... Over het slaan van mama.

N: Euh aan m’n vader en moeder.

V: Aan je vader en moeder.

N: Ja.

V: Oké. En hoe kwam dat zo dat je het ging vertellen?

N: Euh dat o ja euh dat toen was ie boos op mij en toen euh trok hij aan de arm, best wel zachtjes.

V: Ja.

N: En toen euh schrok ik heel erg, omdat mama mij had geslagen toen schrok ik heel erg.

V: Ja.

N: En toen vonden ze dat euh raar en toen vroeg ze vroegen ze of mama mij had geslagen en toen zei ik ja.

V: Oké.

N: En toen ging ik alles vertellen.

V: En toen ging je alles vertellen.

N: Ja.

V: En wat heb je toen allemaal verteld?

N: Euh alles wat mama heeft gedaan.

(..)

V: Ja. Hé en hoe kwam het dat je daarvoor dan eigenlijk tegen niemand over hebt gepraat?

N: Euh omdat mama zei dat ik dat niet mocht doen, omdat ze anders euh boos op me werd, ging

slaan.

(..)

V: Euhm. Euhm hoe was je toen jij euhm euh.

N: Terug kwam in Nederland?

V: Ja.

N: 8.

V: Toen was je 8.

N: Ja.

V: Oké. Ah. Hé en jij vertelde ook euhm euh jij vertelde over je moeder en dan van dat slaan, euhm wanneer is dat begonnen.

N: Toen ik in Nederland kwam wonen.

(..)

V: En toen

N: De eerste keer toen mama mij wou slaan met de vuist en toen ontweek ik mama en toen rende ik euh achter de tafel.

V: Toen rende je achter de tafel.

N: Ja.

V: Want waar raakte ze je toen?

N: Nee ze raakte me niet maar toen rende ik.

V: 0.

N: En dat ze mij ging slaan en toen ontweek ik mama en toen rende ik euh achter de tafel. En toen werd ze heel erg boos.

V: 0 toen werd ze heel erg boos. Ah. Ah en wat heeft ze toen die eerste keer gedaan. Weet je dat

nog?

N: Euhm. Wat zeg je?

V: Euhm euhm want je vertelde dat was de eerste keer toen met dat rennen om de tafel.

N: Ja.

V: En waar heeft mama toen... Euhm waar heeft ze jou toen geraakt?

N: 0 toen pakte ze me bij m’n haar en toen ging ze mij slaan.

V: Oké. Op je?

N: Euh benen.

V: Opje benen. Met?

N: Nee op m’n rug.

V: Oop je rug.

N: Ja.

V: En met?

N: Euh haar vuist.

V: Met haar vuist.

N: Ja.

V: Ja. Dus dat was de eerste keer.

(..)

V: Ah. Ah. Euhm. Nou Astrid heeft nog wel wat vragen voor me opgeschreven en euhm zij heeft

euhm ik ben nog vergeten te vragen, want jij vertelde over dat ze jou met je met de riem sloeg.

N: Ja.

V: En was dat euh dat was op jouw benen vertelde jij.

N: Ja.

V: En was dat op je blote benen of was dat met een broek aan of was dat anders?

N: Euh op m’n blote benen.

V: Op je blote benen.

N: Ja.

V: Ja. En euh hoe kon ze dan euh bij je blote benen komen zeg maar?

N: (Zegt niets).

V: Snap je mijn vraag? Wat gebeurde er met je broek?

N: Euh toen moest ik die uit doen.

V: Dan moest je die uit doen.

N: Maar soms had ik hem nog steeds aan en toen sloeg ze me gewoon.

V: Oké.

N: En toen deed het minder pijn.

V: Dan deed het minder pijn. Ah. Ja. Hé en jij vertelde ook euhm er waren verschillende riemen en euhm welke riemen waren dat?

N: Hoe zagen die er uit.

N: Euh eentje die zag er bruin uit, de andere die zag er wit uit.

V: hmhm,

N: En de andere die zag er weer roze uit, dat was een heel smal die deed heel erg pijn.

V: Ja, die roze die deed heel erg pijn, die smalle.

N: Ja.

V: Ja.

N: En ze had nog een witte, dat is een hele brede, en die deed het pijnst.

V: Die deed het pijnst.

(..)

V: En je had een roze riem, die deed ook heel zeer.

N: Ja.

V: En jij zei die was smaller.

N: Ja.

(..)

V: En dan had je nog een bruine riem zei jij.

N: 0 ja. Euhm die was bijna breed dat is eigenlijk dezelfde als die maar die deed pijner.

V: Die witte deed zeerder.

N: Ja.

V: Ja.

N: Die was die vierkant.

V: 0 vierkante ruitjes. Hé en waar had mama die liggen?

N: Hm?

V: Waar had mama die liggen?

N: in de euh euh in haar kamer.

V: In haar kamer en waar in haar kamer?

N: In de kast volgens mij.

V: In haar kast. ..

(..)

V: Euhm. Hé en ik vroeg dat net van waar ze jou sloeg met je riem, of dat bloot was of met kleren aan. En hoe was dat als zij jou met je vuist op je rug sloeg?

N: Euh soms met kleren maar soms ook euh zonder kleren.

V: Ja. En hoe kwam dat dan als als jij geen kleren aan had zeg maar.

N: 0 toen zat ik te slapen en en toen moest ik opeens wakker worden en toen ging ze mij op m’n rug slaan.

(..)

V: Ja. Hmhm. Euhm... Ik zit even te kijken, volgens mij hebben we alles euh o ja. Iets nog heel

belangrijks want jij vertelde over dat krabben. Over de littekens in je gezicht.

N: Ja.

V: En dat mama dat gedaan had.

V: Daar heb ik nog niks over gevraagd. Vertel eens hoe dat ging.

N: Toen was mama boos omdat [slachtoffer 2] zei dat ik euh dat heb gedaan. En toen werd mama boos en toen.

0: 11.54 uur [slachtoffer 1] maakt met zijn handen krabbewegingen op zijn gezicht.

V: Was dat ook die keer?

N: Ja.

V: Oké. En wat deed mama toen dan?

N: Euhm... Toen was mama heel erg boos.

V: Ja je zei toen deed ze, toen je deed voor

N: Ging ze krabben.

0:11.55 uur: [slachtoffer 1] maakt nogmaals met zijn handen krabbewegingen op zijn gezicht.

V: Ja.

N: Met haar scherpe nagels.

V: Met haar scherpe nagels.

N: Ja.

(..)

V: En aan welke wang was dat?

N: Allebei.

V: Allebei.

N: En deze die staat er eenije en die staat volgens mij drie,

V: Ja. Oké. En euh nu kan je het nog een heel klein beetje zien en hoe was dat toen dat net was gebeurd?

N: Toen euh euh was dat bloed.

V: Toen was het bloed.

N: Ja.

V: Hmhm.

N: En daarna was het euh korstje.

V: Ja.

N: En euh korstje was toen weg en zat er nog steeds een litteken.

V: Oké.

N: Mama ging ook een ding kopen wat ik er op moest smeren en toen ging het weg.

V: 0 toen ging het weg.

N: Ja. Dus nu is het wat minder.

V: Ja. hé maar en toen dat net gebeurd was had je natuurlijk een korstje er op en euh wat zeiden nou ja de meester bijvoorbeeld toen? Je hebt een meester toch?

N: toen moest ik van mama zeggen... Nee toen vroegen alle kinderen van wat is dat en toen moest ik van m’n moeder zeggen dat dat had mama op een kat moest oppassen en dat die kat mij toen ging krabben.

V: Oké. Dus dat moest je van mama zeggen.

N: Ja.

V: Van die poes, dat de poes jou gekrabd had.

N: Ja.

V: Oké. Euhm en had je dat ook gedaan?

N: Hm?

V: Had je dat ook gezegd tegen de kinderen die daar naar vroegen?

N: Ja.

V: Oké. Ja. Euhm. En dat krabben, waar is dat gebeurd?

N: Euh. Thuis.

V: Thuis. En waar thuis?

N: In de woonkamer denk ik.

V: In de woonkamer. Oké. En was daar nog iemand bij dat ze dat deed?

N: Nee.

V: Nee.

N: Alleen [slachtoffer 2] denk ik of zo volgens mij. Maar dat weet ik niet meer.

V: Dat weet je niet meer. Het kan zijn dat [slachtoffer 2] erbij was maar dat weet je niet meer zeker.

N: Ja.

(..)

V: Euhm Nou je vertelde het was een rood zakmes en waar ligt dat zakmes normaal?

N: In de keukenla waar alle messen en vorken en lepels en zo staan.

V: Oké. (..)

(..)

V: Oké. Nou. En euhm. Euhm nou heb je een hele boel verteld, over de riem en over het slaan met de vuist en over euhm met de tong en nog veel meer dingen, euhm wat is de ja wat is de keer geweest dat het je meest pijn heeft gedaan.

N: Euh... Euh toen die keet dat mama m’n tong ging verbranden en dat ze de potlood in m’n kont heeft gedaan.

V: Oké. Dat deed het meest zeer.

N: Ja.

V: Ja. Euhm en wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd?

(..)

V: Was het op de verjaardag van [slachtoffer 2]? Oké.

N: Ja volgens mij wel.

V: Ja dat kan. Weet je nog wanneer [slachtoffer 2] jarig is want dat weet ik natuurlijk niet.

N: [geboortedatum 3].

(..)


3.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 augustus 2014, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [getuige]:

(…)

V: Hoe is het gegaan na het telefoongesprek tussen haar en haar moeder?

A: Ik zei tegen [slachtoffer 2]: “Ik heb van je pleegmoeder gehoord dat je wat verteld hebt, dat mama je heeft geslagen en kan je daar wat over vertellen”. Eigenlijk vertelde ze toen meteen dat ze heel vaak door mama was geslagen met de hand maar ook met een riem. Op de vraag hoe vaak dat was, vond [slachtoffer 2] dat moeilijk om te omschrijven. Ik heb toen doorgevraagd of dit wekelijks, dagelijks of af en toe was. [slachtoffer 2] zei toen heel vaak. Duidelijker dan dit kon ze het niet aangeven. Verder vertelde ze dat ze 1 (een) keer met een stok was geslagen. Ik hoefde helemaal niet door te vragen. [slachtoffer 2] vertelde dit allemaal uit zichzelf. (…) Verder heeft ze verteld dat ze wel eens is gekrabd door haar moeder. Ook op haar been. Ze wees toen naar haar been. Ze werd ook geknepen door haar moeder. Mama had haar wel eens onder de koude douche gezet en dat was heel koud”. (…) [slachtoffer 2] kon niet aangeven wanneer dit was maar gaf wel als voorbeeld dat als zij op straat huilde, dat ze dan vervolgens thuis werd geslagen. (…) Ooh ja ik heb nog wel een vraag gesteld. Ik vroeg: ”Was [slachtoffer 1] daar bij? [slachtoffer 2] zei toen tegen mij dat

dat alleen met mama was. Ze heeft ook nog verteld dat ze littekens op haar arm heeft van het krabben van moeder. Eigenlijk is dit het verhaal wat ze heeft verteld.

V: Heeft [slachtoffer 2] dit uit haarzelf verteld?

A: Ja grotendeels wel. Ik hoefde maar heel weinig door te vragen

(..)

V: Had pleegmoeder nog aanvullingen die [slachtoffer 2] niet tegen jou heeft verteld, maar dat [slachtoffer 2] dat wel tegen haar heeft gezegd?

A: Ja van die riemen. Pleegmoeder zei dat [slachtoffer 2] had gezegd dat ze was geslagen door twee riemen, een brede en een smalle. En dat de smalle riem het meest zeer deed. (…)


4.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 8 september 2014, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van de pleegmoeder van [slachtoffer 2]:

(..)

V: Hoe lang woont [slachtoffer 2] nu bij jullie?

A: Vanaf eind mei of begin juni 2014. Ik weet het niet precies, maar ze woont toch zeker al een maand of drie bij ons.

(..)

A: [slachtoffer 2] had het er veel over dat haar broer werd gekrabd en dat ze er dan spul op deden.

(..)

V: In welke context vertelde [slachtoffer 2] aan jou dat [slachtoffer 1] werd gekrabd door zijn moeder?

A: Dat deed ze uit zichzelf dat [slachtoffer 1] werd gekrabd door zijn moeder.

V: Kun je de aanleiding nog herinneren?

A: [slachtoffer 2] praat heel veel en ook door elkaar heen. Volgens mij is ze er zelf een keer mee gekomen.

V: Was dat voor of na het studioverhoor dat [slachtoffer 2] vertelde dat [slachtoffer 1] werd gekrabd in zijn gezicht?

A: Voor het studioverhoor. [slachtoffer 2] heeft het in eerste instantie nooit over zichzelf gehad.

V: Heeft [slachtoffer 2] verteld waarom haar moeder [slachtoffer 1] in het gezicht krabde?

A: Mama was boos zei [slachtoffer 2] dan, maar ze vertelde niet waarom mama boos was.

(..)

Ik zat op de bank te wachten op visite die er nog niet was. En zo ineens kwam het in me op om aan [slachtoffer 2] te vragen: “Goh, heeft mama jou wel eens geslagen?” Ze zei direct: “Ja. En vertelde vervolgens met een riem en met een stok.

V: Met een riem en met een stok?

A: Het ging heel ontspannen. [slachtoffer 2] zat ontspannen te spelen en ik zat ontspannen op de bank. Ik had nooit eerder gevraagd of ze wel eens was geslagen. (…) Ik vroeg het haar in een heel ontspannen sfeer en eigenlijk had ik niet verwacht dat er wat uit zou komen, maar toen zei ze opeens: “ja” en eigenlijk schrok ik wel een beetje van dat antwoord. Ik dacht wat ik heb los gemaakt?, maar ze zei ook heel ontspannen ja. (…) Ik heb alleen gevraagd: Nou dat deed wel zeer zeker?” En toen zei [slachtoffer 2]: ‘Ja”. (..)

V: Kun jij je nog precies herinneren wat [slachtoffer 2] zei, nadat ze “ja” had geantwoord op de vraag of mama haar wel eens sloeg?

A: Volgens mij zei ze toen ook dat ze met een brede en een smalle riem werd geslagen. Verder zei ze niets. Ik vroeg toen: “Dat deed wel zeer zeker?” [slachtoffer 2] zei: “Ja!”. (..)

V: Je noemde net ook een stok

A: Ja, maar dat kwam later. (..)

A: Later kwam ze zelf een keer met het verhaal. [slachtoffer 2] zei: “Zie je dit” en wees op haar armen. Ik zag dat daar allemaal “witte pikkies” op zaten. [slachtoffer 2] vertelde toen dat dat kwam door mama. Dat had mama gedaan met haar nagels en kunstnagels. Daar kwam [slachtoffer 2] zelf mee. Daar was geen aanleiding voor. (..)

V: Dus [slachtoffer 2] wijst op witte dingetjes op haar armen?

A: Ja, en ze wees ook naar een witte streep op haar been. Deze had ook heel erg gebloed, vertelde

[slachtoffer 2].

V: Bedoel je met een witte streep een litteken?

A: Ja.

V: En witte pikkeltjes op haar armen?

A: Ja, [slachtoffer 2] vertelde dat haar moeder dat gedaan had met haar nagels en soms met kunstnagels en dan begint ze ook weer over de wangen van [slachtoffer 1]. Dat mama dat heeft gedaan. Ik denk dat dit veel indruk heeft gemaakt.

(..)

V: Hoe reageerde [slachtoffer 2] toen je zei dat je het erg vond wat haar mama had gedaan?

A: Je trekt haar dan op schoot. Dat hebben we ook gedaan toen ze vertelde van die stok en die smalle en brede riem, waarbij [slachtoffer 2] vertelde dat de smalle riem het meeste pijn deed. De manier waarop ze dat toen vertelde Dat was op een zondagochtend.

(..)

V: Wat heeft [slachtoffer 2] over een stok verteld?

A: Dat zij alleen met een stok werd geslagen, maar [slachtoffer 1] niet. Ik vroeg aan [slachtoffer 2] of het een kleine stok was of een grote stok en hoe hard mama sloeg.

V: Wat zei [slachtoffer 2] hierop?

A: Dat het een grote stok was, want dat het wel hard was.

V: Waar werd [slachtoffer 2] geslagen?

A: Op haar hoofd, arm en been.

(..)

(..)

V: Heeft [slachtoffer 2] verteld waarom zij wel met een stok werd geslagen en [slachtoffer 1] niet?

A: Nee, maar [slachtoffer 2] heeft nog wel andere dingen verteld over [slachtoffer 1]

V: Zei [slachtoffer 2] dat op een verbolgen toon?

A: Ja, zo van: “Nou ik wel met de stok en [slachtoffer 1] alléén maar met de riem”.

V: Heeft [slachtoffer 2] verteld hoe de riemen waarmee ze geslagen werd er uit zagen?

A: Nee.

V: Heeft [slachtoffer 2] buiten de drie genoemde momenten nog meer verteld?

A: (..) [slachtoffer 2] heeft ook verteld dat ze geregeld onder een koude douche werd gezet.

(..)

V: Dus [slachtoffer 2] heeft ook verteld dat ze regelmatig onder een koude douche werd gezet?

A: Ja, toen heb ik wel gevraagd waarom dan? Toen kreeg ik als antwoord omdat mama boos was. [slachtoffer 2] heeft vaker verteld dat ze onder de koude douche werd gezet en ze vertelde dan ook dat ze dan zonder eten naar bed moest. Ze kreeg dan de volgende dag pas weer eten voordat ze naar school ging. (..).

V: Was het onder de koude douche zetten en zonder eten naar bed een straf?

A: Ja, dan was mama boos.

V: Heeft [slachtoffer 2] verteld hoe vaak dit gebeurde?

A: Nateini heeft verteld dat dit vaak gebeurde, maar ik weet niet wat [slachtoffer 2] bedoelde met “vaak”.

(..)

A: Afgelopen week heeft [slachtoffer 2] verteld, daar was mijn man ook bij, dat [slachtoffer 1] met een aansteker of met daarbij . en toen wees [slachtoffer 2] naar het gasfornuis, met zijn tong in het vuur heeft gezeten. Dus.... Dat heeft [slachtoffer 2] wel een paar keer verteld. Ik denk daarom dat dit waar is. Mijn man en ik vroegen hoe deed je moeder dat dan. [slachtoffer 2] zegt dat ze het niet heeft gezien, omdat ze in de woonkamer was, maat [slachtoffer 2] weet het wel.

V: Wat zei [slachtoffer 2] precies en hoe ging dat?

A: Ze zei het uit zichzelf. [slachtoffer 2] komt op de gekste momenten met “Weet je?” Eerst had [slachtoffer 2] het over een aansteker van haat moeder. Haar moeder rookt namelijk. Maar misschien ook wel “daarbij” zei [slachtoffer 2] en wees toen naar het fornuis. [slachtoffer 1] had daardoor vuur aan de tong gekregen. [slachtoffer 2] vertelt onsamenhangend, maat er is wel iets gebeurd, want [slachtoffer 2] heeft het een aantal keten verteld.

V: Als ik jou goed begrijp is de strekking van [slachtoffer 2]’s verhaal dat [slachtoffer 1] vuur aan zijn tong heeft gehad?

A: Ja, [slachtoffer 1] heeft iets van vuur bij zijn tong gehad en mama heeft er mee te maken. Het was een straf. [slachtoffer 2] heeft niet goed kunnen uitleggen wat er precies is gebeurd. Misschien omdat ze er niet bij was. Ze vertelde dat zij in de woonkamer was. Mijn man heeft gevraagd of [slachtoffer 1] ook heeft geschreeuwd toen hij vuur aan zijn tong had. Volgens [slachtoffer 2] had [slachtoffer 1] niet gehuild.

(..)


5.

Een rapport medisch forensisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 juli 2014, opgemaakt door dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts KNMG, onder meer inhoudende:

(…) Het onderzoek vond plaats op 11 juni 2014 van omstreeks 13.30-14.00 uur. In de familiekamer van het Districtsbureau van de politie, Koggeweg 8 te Zwolle. Het onderzoek bestond uit top-teen Inspectie (inclusief het anogenitaal gebied) van de In fasen ontklede jongen (eerst alleen bovenlijf, daarna alleen onderlijf, daarna anogenitaal gebied met gekleed bovenlijf).

(…)

Met betrekking tot afwezigheid van letsel in relatie tot gemelde gebeurtenissen moet aangetekend worden dat daarbij geen letsel hoeft te zijn ontstaan, danwel dat eventueel ontstaan letsel (bijvoorbeeld kneuzing of ‘blauwe plek’) inmiddels niet meer zichtbaar of genezen is.

(…)

Bij [slachtoffer 1] (jongen, geboren op [geboortedatum 2] 2003) werd op 11 juni 2014 (toen hij 10 jaar oud was) medisch forensisch onderzoek uitgevoerd door ondergetekende.

Als opvallende bevinding waren er littekens verspreid over beide wangen (links in een opvallend patroon van drie merendeels parallel, deels gegolfd, verlopende huidverkleuringen); oorspronkelijk betroffen dit hoogstwaarschijnlijk krasletsels.

(…)

De combinatie van patroon en verspreiding hiervan is veel waarschijnlijker na een niet-accidentele toedracht (toegebracht letsel), waaronder het door [slachtoffer 1] gemelde krassen met vingernagels van moeder eind 2013, dan na een accidentele toedracht (ongeval). Verder werden bij top-teen onderzoek geen afwijkende bevindingen geconstateerd, hetgeen de gemelde voorvallen niet uitsluit.


6.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Ik had een eyeliner op mijn nachtkastje liggen. (…)

1 Pagina 68.
2 Pagina 186 t/m 188
3 Pagina 189 t/m 194
4 Pagina 216 t/m 226